Een bom onder mijn wetenschap

Natuurkundige Martijn van Calmthout memoreert met plaatsvervangende schaamte hoe de atoombom op Hiroshima eigenlijk een fysisch experiment was dat militair goed uitkwam..

Wie dezer dagen de horrorverhalen van de overlevenden van Hiroshima en Nagasaki nog eens op zich laat inwerken, kan haast niet anders dan een paar simpele maar indringende vragen stellen over de rol van de wetenschap daarbij.

Hoe kon een bom die werd gebouwd door fysici die vreesden dat de Duitsers ze voor zouden zijn, uiteindelijk op Japan terecht komen? Hoe verantwoordelijk moeten de wetenschappers en de wetenschap daarvoor worden gehouden? En, wat actueler, wat zegt het in het algemeen over wetenschappers die met de beste bedoelingen werken met potentieel ontwrichtende kennis?

Die vragen zijn niet zomaar abstracte ethische kwesties. Sinds 1945 is er een wagonlading historische feiten bekend geworden over de manier waarop in het befaamde Manhattanproject de atoombom bedacht werd, gebouwd en ten slotte ook daadwerkelijk afgeworpen. Daaruit blijkt dat geleerden bij alle tussenliggende stappen tot in het laatste detail betrokken zijn geweest en ook steeds met hun volle verstand. Bij het doordrukken van het Manhattan-project, waar politici en militairen - een Koude Oorlog verder is het haast onvoorstelbaar - in eerste instantie nauwelijks voor te porren waren. Tot en met de verwoesting van Hiroshima, vandaag zestig jaar geleden, en Nagasaki op 9 augustus 1945. De planning. De afstelling van de bom. De beste doelen. Alles.

Het zou bij de opvoeding van elke jonge academicus moeten horen, om ten minste één keer te bestuderen hoe keurig nette geleerden de vernietiging van twee Japanse steden en hun inwoners als een natuurkundig experiment voorbereidden en uitvoerden. En zich eigenlijk pas daarna realiseerden wat ze met hun nieuwe wapen hadden ontketend. Geschrokken, op een enkele hardliner na.

Op 25 oktober 1945 staat wetenschappelijk leider Robert Oppenheimer van het Manhattan-project voor Roosevelts opvolger Truman. 'Ik heb', zegt hij na enige discussie dramatisch, 'bloed aan mijn handen'.

Kort ervoor heeft Oppenheimer aangedrongen op internationaal toezicht op kernwapens. De president heeft aangegeven dat de atoombom een nationale aangelegenheid is en is bovendien geïrriteerd door Oppenheimers pathetiek. Als er iemand het bloed van Hiroshima en Nagasaki aan zijn handen heeft, is hij het toch wel. Hij leidt Oppenheimer naar de deur van het Oval Office en zegt dat het er in de was wel uit zal gaan, dat bloed.

In werkelijkheid had Oppenheimer, of eigenlijk de natuurkunde in het algemeen, op dat moment meer bloed aan zijn handen dan zelfs de kersverse president van de Verenigde Staten zich realiseerde. De atoombom was geen politiek. De atoombom was, zeker in dat stadium, puur natuurkunde.

In eerste instantie, bijvoorbeeld, waren het niet de politici en militairen geweest die de aanzet tot de atoombom gaven, maar natuurkundigen zelf. Eind 1938 ontdekte Otto Hahn in Berlijn dat atomen met neutronen te splitsen zijn en dat daarbij weer neutronen vrijkomen. Als de ontdekking in december in een wetenschappelijk tijdschrift verschijnt, realiseren veel fysici zich direct dat hiermee ongekende explosies gemaakt kunnen worden. Althans in theorie.

In de zomer van 1939 schrijft Albert Einstein, al jaren uitgeweken naar de Verenigde Staten, een brief aan president Roosevelt om hem te waarschuwen voor het gevaar dat de Duitsers aan een atoombom werken. Daarna gebeurt er, achteraf alweer bijna onvoorstelbaar, bijna drie jaar niets, tot nota bene Britse natuurkundigen die werken aan radar, de Amerikanen doordringen van het reële nucleaire gevaar in Duitsland. Pas in 1942 worden in Amerika de topfysici bij elkaar gehaald om serieus over nucleaire explosies na te denken. Wat is daarvoor nodig? Hoe zijn ze te beheersen? Oppenheimer krijgt de wetenschappelijke leiding. In de woestijn van New Mexico wordt bij Los Alamos een geheim laboratorium gebouwd waar de wetenschappers in isolement worden ondergebracht. Elders in het land worden installaties ontworpen en gebouwd om uit uranium het splijtbare uranium-235 te winnen. In Chicago krijgt Enrico Fermi de eerste kernreactor aan de praat. Daarbij wordt een nieuw radioactief element ontdekt: plutonium. Die vondst zal een beslissende wending in de massaproductie van kernwapens blijken omdat uranium slechts moeizaam gewonnen kan worden uit erts, terwijl plutonium op bestelling wordt geproduceerd in kernre actoren.

Meteen al daar en dan begint het schemergebied tussen politiek en wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Veel van de in het Manhattan-project gerecruteerde natuurkundigen vrezen, net als Einstein, dat de nazi's inderdaad werken aan een atoombom. Het vermoeden is dat de leiding in handen is van Werner Heisenberg, een van de grote namen uit de natuurkunde en weliswaar geen nazi, maar wel een uitgesproken nationalist.

Die vrees, zo blijkt uit veel memoires en historische studies, was voor veel van de betrokken natuurkundigen het belangrijkste persoonlijke motief om aan het project mee te werken. Maar voor historici blijven er opnieuw vraagtekens. Was, als ze er in slaagden zelf een atoomwapen te bouwen, dat naar hun idee bedoeld om af te schrikken? Of zou het daadwerkelijk gebruikt moeten worden? En wel in Europa, voor veel gevluchte fysici zelfs hun geboortegrond? Dat er niet nadrukkelijk over werd gesproken kan haast geen toeval zijn. Zij het eerst de bom of wij, dat was de kwestie.

Die discussie over het doel van de atoombom begint onder de wetenschappers eigenlijk pas als de oorlog in het voorjaar van 1945 een nieuwe wending neemt. De overwinning op de Duitsers komt in zicht. Op 30 april pleegt Hitler in zijn bunker in Berlijn zelfmoord. Acht dagen later is de capitulatie een feit en op dat moment vervalt de oorspronkelijke motivatie van de meeste fysici in het Manhattan-project. Er dreigt geen Duitse bom meer, die ze voor moeten blijven. Toch gaan ze door. Waarom?

Omdat maanden daarvoor al een koerswijziging heeft plaatsgevonden in het atoombomproject. Eerst in stilte, op het hoogste niveau. En later ook op de werkvloer. In de Pacific woedt een verschrikkelijke oorlog met Japan, dat niet van opgeven wil weten. Zelfs het platbranden met napalm van grote delen van Tokio en een reeks andere steden, waarbij honderdduizenden burgers omkomen, lijkt geen effect te hebben. Dan is er nog maar één wapen over.

Een wetenschappelijke missie onder leiding van de Nederlands-Amerikaanse natuurkundige Samuel Goudsmit heeft dan al een halfjaar in het spoor van de Geallieerden in Duitsland gezocht naar nucleaire activiteiten. Deze Alsos-missie heeft aanwijzingen dat de Duitsers inderdaad werkten aan kernsplijting. twee Maar tegelijk is wat ze bereikt hebben eigenlijk verbijsterend weinig. Er is wat geëxperimenteerd met kernreactoren. Maar van een bom zoals de Amerikanen die aan het bouwen zijn is in de verste verte geen sprake.

Er is veel te zeggen over het falen van de eens zo superieure Duitse wetenschap in het bouwen van een atoombom op basis van een principe dat ze nota bene zelf ontdekt hebben. Heisenberg zou de zaak getraineerd hebben, beweerde hij achteraf zelf. De Duitsers voelden zich zo superieur, ook wetenschappelijk, dat ze vergaten haast te maken, denken anderen.

Maar daar gaat het hier niet om. Hoe konden de wetenschappers die in Los Alamos aan een atoombom bouwden met misschien wel heel legitieme persoonlijke motieven, doorwerken toen die motieven geen betekenis meer hadden?

Volgens de meeste biografen van Robert Oppenheimer was hij het die daarbij een cruciale rol speelde. Zijn aanstelling in 1942 was een meesterzet. Oppenheimer was een briljante fysicus, maar zeker zo belangrijk was zijn enorme charisma onder vakgenoten. Hij kon inspireren als geen ander, en maakte tegelijk een zeer weloverwogen en rechtschapen indruk. En het was Oppenheimer die blijkens de bronnen uiteindelijk geen bezwaar maakte tegen de koerswijziging van de Duitse bom naar het bedwingen van de halsstarrige Japanners.

Als fysicus van vele generaties later is het nog steeds haast onverdraaglijk om te zien hoe Oppenheimer zich in de eerste helft van 1945 op de vlakte houdt en tegelijk zijn vakgenoten in het lab het idee geeft dat er goed is nagedacht over wat ze doen. Zolang Oppie zegt dat de bom gebouwd moet worden, dan gaat het werk door. Op 15 juli wordt verderop in de woestijn op Trinity-site de eerste atoombom getest. Hij werkt. De toekijkende wetenschappers zien de onwaarschijnlijk heldere lichtflits en de kolossale paddestoelwolk die naar de hemel rijst. Nu zijn we allemaal sons-of-bitches zegt een van de collega's tegen Oppenheimer. Allemaal klootzakken. Maar het werk gaat door. Er komt voldoende vers plutonium binnen voor een tweede bom. Een prototype van een uraniumbom staat al klaar, formeel voor een test.

Little Boy staat erop.

Oppenheimer is op dat moment al maanden verwikkeld in discussies op regeringsniveau over het inzetten van de bom tegen Japan. Dat dat het doel is, staat inmiddels vast. Maar het motief is niet alleen het bedwingen van Japan. President Truman en zijn generaals willen de Russen na de vredesconferentie in Potsdam onder druk zetten om zich uit Europa terug te trekken. De demonstratie van het nieuwe superwapen zou daarbij een overtuigend gebaar kunnen zijn. Oppenheimer suggereert een demonstratie in New Mexico, desnoods met Japans en Russisch publiek. Hij wordt weggehoond. James Conant, baas van de Harvard universiteit en wetenschappelijk adviseur van Truman, stelt als doel militaire fabrieken voor inclusief de arbeiders die er omheen wonen. Oppenheimer protesteert niet, hoewel op zijn lab inmiddels openlijk wordt gedebatteerd over de vraag of de atoombom tegen burgerdoelen mag worden gebruikt. Velen op Los Alamos vinden van niet. Ze ondertekenen een petitie met die strekking, die is opgesteld door Leo Szilard, de man die Einstein in 1939 aanzette om Roosevelt te waarschuwen.

Het mag niet baten. Op 6 augustus werpt het vliegtuig Enola Gay de Little Boy op het centrum van Hiroshima, dat goeddeels in de as wordt gelegd. Ironisch genoeg was de stad de weken ervoor nadrukkelijk niet met brandbommen bestookt. Dit om het effect van het kernwapen wetenschappelijk zo zuiver mogelijk te kunnen bestuderen. Voor Nagasaki, drie dagen later, kon voor de afstelling van de bom al worden geput uit de test van 15 juli.

De verwoesting van Hiroshima, met een ongeteste uraniumbom die voor hetzelfde geld het helemaal niet had gedaan, was een fysisch experiment. Pas toen het een succes bleek, kreeg het zijn militaire en politieke betekenis. Had Little Boy gefaald, dan had Fat Man, de wel geteste plutoniumbom drie dagen later op Nagasaki het werk gedaan. Maar dan was de verantwoordelijkheid tenminste helemaal militair geweest.

De moraal? Er zijn boekenkasten vol geschreven over de schuld en onschuld van de natuurkunde en natuurkundigen van het Manhattan-project. Maar in feite maakten zij in 1945 mee wat altijd sluimerend aanwezig is in het wetenschapsbedrijf: de mogelijkheid dat kennis leidt tot een rampzalige ontwikkeling. Goede bedoelingen raken daarbij in de vergetelheid. Waar het om gaat is de wenselijkheid van het eindresultaat. Atoomwapens. Genetisch gemanipuleerde gewassen. Gekloond vee. Wetenschappers die zo'n uitkomst niet aanstaat, moeten een ander vak kiezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden