Een boek moet swingen

Wat is het geheim van een goed samengesteld fotoboek? Wat werkt en wat werkt niet? Cadans, ritme, flow, daar gaat het om volgens kenners. 'Het is hetzelfde als ademen.' Maar laat de fotograaf zelf er niet mee aan de haal gaan. Door Merel Bem

Weet u nog dat u bedacht hoe leuk het zou zijn om zelf fotojaarboeken te maken? Het kijkt zoveel lekkerder, al die digitale foto's afgedrukt in een album. Dus hup - naar de Hema, Blurb, Apple, of welke online aanbieder dan ook, om de afbeeldingen in te laden. De techniek staat voor niets.


Maar de samenstelling van het album liep vast niet zo gesmeerd als gedacht. Want hoe vang je een jaar in foto's? Welke combinaties maak je? En wat doe je wanneer de mooiste foto door je geliefde keihard buiten de selectie wordt gehouden omdat die 'toch niet zoveel toevoegt'? Dan blijkt dat het maken van een fotoboek nog een verdraaid lastige klus kan zijn.


Professionele fotografen die een boek willen maken, als visitekaartje, als naslagwerk of omdat ze vinden dat hun werk het best tot zijn recht komt in de intimiteit van een publicatie, moeten kiezen: van de volgorde van de foto's tot de manier waarop het boek wordt gebonden. Tenminste - als ze het hele proces in eigen hand willen houden.


Het zijn er niet veel die dat doen: alles zelf bepalen. De meeste fotografen werken samen met een editor, iemand die de beste foto's selecteert en de volgorde ('het verhaal') bepaalt. Vaak komt er nog een vormgever bij, die gaat over lettertypen, papiersoort, welke foto's groot en welke klein moeten worden afgedrukt. In de praktijk lopen die functies dikwijls door elkaar heen. In sommige gevallen is de editor tegelijk de vormgever van het boek, of wordt er nog een art director of zelfs een 'editorial supervisor' bijgehaald. Maar of een fotoboek nu door één of door vijf mensen wordt gemaakt, waar het op neerkomt is dat het veel méér behelst dan het simpelweg achter elkaar plaatsen van een aantal foto's. Maar daar was u zelf dus ook al achtergekomen.


Hoe moet het dan wel? Wat werkt en wat werkt niet? Wat is het geheim van het fotoboek?


'Het geheim van een goed fotoboek is allereerst hartstikke goede fotografie', zegt Willem van Zoetendaal, galeriehouder in Amsterdam. Hij is ook al jaren editor én vormgever van wat inmiddels met recht een oeuvre aan fotoboeken mag worden genoemd. Die maakt hij hoofdzakelijk voor de fotografen uit zijn eigen galerie, zoals Paul Kooiker, Johannes Schwartz, Annaleen Louwes, WassinkLundgren.


Daarnaast moet een boek 'swingen', zegt Van Zoetendaal. Er moet een 'ritme' in zitten.


Dat zegt ook Erik Kessels, reclamemaker en (in zijn vrije tijd) editor/vormgever van voornamelijk boeken met gevonden foto's, al gebruikt hij dan een ander woord: 'cadans'. En: 'flow'.


Dat klinkt mooi. En nogal wiedes ook: prefereren we niet allemaal een dansend fotoboek boven een saai en stijf exemplaar? Maar wat precies zorgt ervoor dat de kijker, in de intimiteit van zijn eigen omgeving, het boek doorbladert en er zo door wordt meegevoerd dat hij zich geen moment afvraagt of het ook een andere vorm had kunnen hebben? Dat het hem 'kippenvel' bezorgt, zoals Kessels nog altijd aanwijsbaar krijgt wanneer hij denkt aan Shashin yo Sayonara (Bye Bye Photography) van de Japanner Daido Moriyama uit 1972, omdat daar alles in zit: 'Cadans, lef, kneiterhard zwart, en een verhaal'.


Zo'n boek, zo'n swingend, verbazingwekkend, knal-voor-je-kop fotoboek, valt of staat bij de juiste editing, in combinatie met de voor het specifieke boek ideale vormgeving. Er zijn maar weinig fotografen aan wie je het maken van een goede selectie kunt overlaten, zeggen Kessels en Van Zoetendaal, simpelweg omdat zij doorgaans 'geen afstand' kunnen nemen van hun eigen werk.


Erik Kessels werkte mee aan de publicatie Fringe Phenomena van fotograaf André Thijssen, een proces dat volgens hem 'jaren' in beslag nam. Niet omdat Kessels geen keuze kon maken uit de duizenden foto's die Thijssen had gemaakt, maar omdat de fotograaf het zelf uiterst moeilijk vond om tot een selectie te komen. 'Ik heb gemerkt dat het voor veel fotografen makkelijker is wanneer iemand anders al die beelden terugbrengt tot de essentie.'


Voor Hans Gremmen, editor/vormgever van onder andere de publicaties van fotografencollectief Fw: en de boeken van jonge fotografen als Jaap Scheeren en Petra Stavast, is het 'niet vanzelfsprekend' dat hij alle foto's die een fotograaf bij hem inlevert ook gebruikt.


'Soms zit er een beeld tussen, dat heel sterk is, maar ook te veel op zichzelf staat. Als je het boek sluit blijft die ene foto hangen, en niet de serie. Ik probeer zo'n beeld er vaak uit te werken. Maar dat is een gevoelige kwestie, omdat de fotograaf vaak juist erg gehecht is aan die foto.'


Soms ligt het niet aan de selectie, maar aan iets anders waardoor een fotograaf niet tot een goed boek komt. Van Zoetendaal: 'De boeken van Rineke Dijkstra zijn een goed voorbeeld van hoe je niet fotoboeken moet maken'.


Pardon? Rineke Dijkstra, één van Nederlands bekendste fotografen, beroemd geworden met haar monumentale puberportretten aan zee, zou niet weten hoe je een goed fotoboek in elkaar zet?


Klopt, zegt Van Zoetendaal. 'Ik vind haar werk fantastisch, maar haar boeken niet interessant. Dat komt omdat zij de formaten van haar foto's niet kan loslaten. Die mogen niet anders zijn dan zij bedenkt, en dat bepaalt meteen het wit, het passepartout, om de foto's heen.'


Nu is een witte rand om Dijkstra's klassieke foto's niet erg - sterker nog: 'Er moét ook wit omheen. Alleen: in haar boeken ligt er geen idee aan ten grondslag, de witte rand is wisselend van formaat, heel willekeurig. Die boeken zijn geen kunstwerken op zich, het zijn gewoon registraties van wat Rineke Dijkstra heeft gemaakt.'


'Hier', wijst fotograaf Bert Teunissen. 'Dit bedoel ik: hier zie je dus precies de meerwaarde van een goede editor. Dit had ik zelf nooit kunnen bedenken.' Hij bladert door zijn nog maar net verschenen nieuwste boek, een bedrijfsfotoboek in opdracht van De Coen Hagedoorn Bouwgroep in Huizen. Het bevat zwart-wit portretten van alle medewerkers van het aannemersbedrijf, gevat binnen de zwarte randen van het negatief.


Erik Kessels, die het boek samenstelde en vormgaf, koos ervoor om het boek uit één doorlopende reeks van foto's te laten bestaan. Daardoor vallen sommige gezichten of groepen mensen halverwege ineens van de pagina af, en gaan ze op de volgende weer verder. 'Dat werkt zó goed', zegt Teunissen. 'Moet je kijken hoe verschillend de twee gezichtshelften van deze man zijn. Ik kijk ineens heel anders naar mijn eigen foto.'


'Erik heeft goed gekeken, hij heeft van al die losse foto's een eenheid gemaakt. Ik lever een stapel foto's bij hem in, hij maakt daar een dummy van - en verdraaid, hij doet het gewoon weer. Hij tilt mijn werk naar een heel nieuw level.'


o ziet niet iedereen dat. 'Ik begrijp dit niet', zegt Willem van Zoetendaal, terwijl hij door hetzelfde boek bladert. 'De doelgroep van dit boek zal zeggen: getverdemme, ik sta er maar voor de helft op, mijn neus aan de ene kant en mijn oorlel aan de andere.'


Bovendien komen inhoud en vorm wat hem betreft niet overeen. 'Wie zijn deze mensen? Ik ken ze niet. En waarom moeten ze zo in beeld gebracht worden, met die negatieven en die witte achtergronden? Dat is Richard Avedon, dat is allang gedaan.'


'Niets is nieuw', zegt Erik Kessels. 'Ik beweer ook niet dat ik het heb bedacht. Maar de bundeling van zo'n bedrijf in één boek spreekt mij aan en ik heb gezocht naar de beste manier om er een eenheid van te maken. Dat is wel gelukt, volgens mij.'


Bert Teunissen werkt niet altijd met een editor. Er zijn fotoboeken die hij liever alleen maakt: zijn reisdagboeken. Die stelt hij zelf samen, 's avonds in de huiskamer 'als de rest van het gezin naar bed is'. Dan spreidt hij al zijn foto's uit op de grond en maakt hij de best mogelijke selectie, omdat hij, en hij alleen, precies weet welk verhaal hij wil vertellen. 'Het is te persoonlijk om dat uit handen te geven', zegt hij.


Willem van Zoetendaal beaamt dat er inderdaad gevallen zijn waarin de fotograaf zelf een sterkere selectie weet te maken dan de editor. 'Arno Nollen', zegt hij. 'Die doet het zelf, en geen ontwerper doet het hem na. Hij heeft losbladige, ongebonden boeken gemaakt in een oplage van vijf: fantastisch. Die boeken zijn volmaakt. In de opeenvolging van de beelden voel je heel duidelijk de moedwillige keuzes die hij maakte. En dat hij bezig was met de melodie van het kijken.'


Nollen doet wat Van Zoetendaal zelf ook vaak doet: een pagina onbedrukt laten. 'De volgorde van de foto's in een boek is in wezen hetzelfde als ademen. Je kunt de adem laten stokken als je een pagina wit laat.' Of een moment van rust creëren voor de kijker. Van Zoetendaal laat het boekje Showground van Paul Kooiker zien, met daarin gruizige zwart-wit foto's van dikke naakte vrouwen in een kunstenaarsstudio.


'Ik vind dat je na zo'n foto' - hij wijst lachend op een afbeelding van een vrouw die haar weelderige achterwerk zowat in de neus van de kijker duwt - 'wel even mag ademhalen.'


Gebeurt het eigenlijk wel eens dat een editor/ontwerper te ver gaat? Dat hij te veel zijn eigen stempel op het boek wil drukken? Als het goed is niet, zegt Hans Gremmen. In het meest ideale geval is er 'een goede energie' tussen de betrokkenen, waardoor een boek gaandeweg zijn 'eigen logica' krijgt en dan 'vormt het zichzelf'. Maar komt dit proces (dat eigenlijk nauwelijks in woorden te vatten is) niet goed op gang - ja, dan ziet hij zich nog wel eens genoodzaakt om de boel, puur functioneel natuurlijk, te forceren.


Zo maakte hij onlangs een boek met de Koreaanse fotograaf Seung Woo Back. Het begin verliep stroef. 'Om de impasse te doorbreken heb ik bewust een ontwerp gemaakt waarvan ik wist dat zowel de kunstenaar als de uitgever zouden gaan steigeren', zegt Gremmen.


'Ik plaatste de helft van de beelden ondersteboven op de pagina's, ik liet een aantal beelden weg, en de beeldvolgorde werd bepaald door het alfabet. Uiteraard gingen ze niet akkoord, maar daardoor stonden alle partijen wel meteen op scherp. Iedereen realiseerde zich dat het de verkeerde kant op zou kunnen gaan, als er geen dialoog op gang zou komen.'


'Kijk', zegt Erik Kessels, terwijl hij een dik boek van Peter Piller op tafel legt. Von Erde schöner heet het, en het bestaat uit honderden luchtfoto's van vrijstaande villa's in Duitsland. Ze werden gemaakt door een makelaarskantoor, dat de foto's aan de villa-eigenaars wilde verkopen. Nee hoor, zeiden de eigenaars, wij vinden onze huizen mooier vanaf de grond. Toen nam Piller het onbruikbare archief over.


'Het lijkt heel saai, alsof er niets aan gedaan is', zegt Kessels. 'Maar het sublieme zit erin verstopt, dat zie je pas wanneer je goed kijkt.' Hij laat het zien, en ja - daar is dan plotseling die cadans, dat ritme, die flow.


De villafoto's zijn onverwachts leuk, niet omdat ze leuk werden vastgelegd, maar omdat Piller ze op zo'n manier ordende dat er tussen al die huizen een lineair verband ontstaat. Hij selecteerde ze op onderwerp, bijvoorbeeld op 'tegelpaadjes', en koos zoveel foto's uit als hij verschillende tegelpaadjes kon vinden.


Op de laatste foto van die serie is een tegelpad te zien dat doodloopt, waarna Piller vloeiend overgaat op een ander onderwerp, dat net zo lullig is, en net zo belangrijk is. Al staan er duizend foto's in dit boek, op deze manier heb je het idee dat er geen enkele van gemist had kunnen worden.


'Briljant gedaan.'


Foto's uit Portraits van Rineke Dijkstra.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden