Een beminde maar ongelezen dichter

RICHARD MINNE is een dichter wiens werk vrijwel uitsluitend wordt gelezen door een kleine groep onverzettelijke liefhebbers van poëzie. Dat zijn vaak zelf dichters, dat zijn altijd poëtische naturen....

Michaël Zeeman

'De boer heeft stro', zeggen ze dan onder het wisselen van veelbetekenende blikken, 'God zij geloofd,/ in zijn klompen/ en in zijn hoofd.' Of ze verzuchten enigszins ondeugend: 'Het leven is een dans, o ja,/ getrappel in de malse sla', opdat de goede verstaander daar meteen het vervolg bij kan denken ('Maar hij echter die dansen moet/ met bloten balg en barrevoet,/ trapt in de distels, ré, mi, fa'). Zijn ze getrouwd dan hoort 'Daar is weer de vrouw:/ S.O.S./ 'k Zit in den klauw/ en onder 't mes' beslist tot hun repertoire en weten ze wat 'een vogelaar' is, 'één die naar eigen maat/ het leven en zijn leute zit te grijpen'. Allemaal weten ze wie 'Tobbie' en 'Belle' zijn - de beroemdste koe en de befaamdste geit uit de Nederlandse literatuur, terwijl die toch gedomineerd wordt door koeien en geiten. 'Ik denk aan Tchekof/ waar ik loof trek of/ Tobbie melk. Altijd./ Weemoedigheid.'

Buiten die kringen is Richard Minne volslagen onbekend. In de bloemlezing van Gerrit Komrij zijn niettemin tien gedichten van hem opgenomen. Omdat in die bloemlezing het aantal gedichten ook een waarderingscijfer voor de dichter uitdrukt, staat hij op eenzelfde hoogte als Achterberg, Bloem, Campert, Claus, Gerhardt, Lucebert, Dèr Mouw, Nijhoff en Slauerhoff.

De uitgever G.A. van Oorschot, die in 1955 de 'verzamelde gedichten' van Minne uitbracht en deze, hoewel hij er zelden een exemplaar van verkocht, tot het einde zijner dagen leverbaar hield (en wiens zoon enkele jaren geleden Minne's verzamelde verhalen liet verschijnen), was zo op zijn werk gesteld dat hij, toen hijzelf onder het pseudoniem R.J. Peskens verhalen begon te schrijven, zijn eerste initiaal van Minne leende.

Gecanoniseerd is hij, bemind wordt hij, maar niet veel meer dan een klaslokaal vol mensen leest en kent hem. En het merkwaardige is, dat dat eigenlijk nooit anders geweest is.

Zelden zal een dichtersleven zozeer zijn bepaald door ogenblikkelijke en genereuze erkenning enerzijds en het uitblijven van succes anderzijds. Zelden zal een mensenleven zo zijn gekleurd door getob en geklaag enerzijds en niet aflatende aanmoediging anderzijds. Het oeuvre van Richard Minne is klein: zijn gedichten gaan gemakkelijk in een kleine band, zijn proza past in een iets grotere. De biografie die Marco Daane nu van hem schreef - een in allerlei opzichten voortreffelijk boek - is aanzienlijk dikker dan zijn verzameld werk.

Dat is vreemd en roept in eerste instantie allerlei kribbige vragen op.

Richard Minne is in 1891 in Gent geboren en je kunt enigszins chargerend zeggen dat hij daar, tot zijn dood in 1965, ook nooit meer vandaan gegaan is. Hij is wel eens gedurende enkele maanden dagelijks op en neer naar Brussel gereisd voor een baantje waarin hij steevast mislukte; hij is een paar keer met vakantie geweest in het buitenland en hij is zowel in 1914 als in 1940 op een wat onbeholpen manier enige weken op de vlucht geweest voor de Duitsers, de eerste keer naar Zwitserland, de tweede naar Frankrijk. Hij is bovendien een paar jaar boer geweest, in het Meetjesland benoorden Gent, en vanaf zijn terugkeer van het platteland woonde hij niet meer feitelijk in de stad, maar in Latem, het mythische kunstenaarsdorp daar vlakbij. Maar zijn biotoop bleef Gent, zoals zijn taal afwisselend het Gentse dialect is of een Vlaams dat daar gretig gebruik van maakt.

Hij staat te boek als de dichter-boer - wat iets anders is dan een boerendichter -, maar ook met dat boerenbestaan valt het reusachtig mee. In de jaren twintig heeft hij vier jaar in een vlek bij Waarschoot geprobeerd te boeren. Dat was als therapie bedoeld; Minne was overwerkt of overspannen, of allebei, en de dokter beval handenarbeid aan, frisse lucht en fysieke inspanning. De oogst viel tegen en de handel in eendeneieren viel hem niet mee. Uit die jaren resten de vreselijkste klaagbrieven aan zijn vrienden en hij ontleende er, op een uitdagende, bijna kokette manier zijn beelden en thema's aan. Onkruid wieden, de koe - jawel, één koe - melken en Tsjechov lezen.

Voor die tijd heeft hij geprobeerd met schrijven en scharrelen de kost te verdienen. Hij was voorbestemd voor de handel, maar hij bleek er buitengemeen ongeschikt voor. Toen hij in zijn jongelingsjaren enige tijd als handelsreiziger op pad ging - zijn ouders dreven een enigszins deftige winkel in garen en band en hij moest de frutsels proberen te slijten aan andere middenstanders -, kwam hij veelal met meer goederen thuis dan waarmee hij was weggegaan. Hij vond de winkeliers die hij bezocht, zo zielig, dat hij van hen kocht in plaats van aan hen te verkopen. De keren dat hij een kantoorbaantje kreeg, liep dat op een mislukking uit.

Na zijn terugkeer van het land was hij enige tijd ambteloos en leefde hij vooral op de zak van zijn vader, direct of indirect (de door zijn vader gekochte boerderij was met winst verkocht; die vader wist wat handel was), en kwam hij ten slotte terecht op de redactie van de Vooruit, de krant van de Gentse socialistische beweging. Hij was er aanvankelijk documentalist, maar klom via de culturele pagina's op naar de buitenlandredactie. Na de oorlog zou hij er een cursiefje in schrijven, In twintig lijnen. Net als in een gedurende de jaren dertig door hem samen met een beeldend kunstenaar verzorgde strip behandelde hij er de kleine voorvallen uit het Gentse straatleven in of de grote gebeurtenissen vanuit Gent bezien.

Dat is in werkelijk alle opzichten een weinig opmerkelijk levensverhaal: een klein oeuvre en een klein en tamelijk rimpelloos leven. Er zijn bovendien niet veel rechtstreekse bronnen voor dat levensverhaal. Richard Minne was enig kind en hij en zijn vrouw stierven kinderloos. De literaire en de documentaire nalatenschap raakten, bij het ontbreken van ervende directe familieleden, versnipperd en verspreid en er moet veel verloren zijn gegaan. Marco Daane, zijn biograaf, heeft nogal wat moeite moeten doen om wát er is te achterhalen en waar hij geen primaire bronnen had zijn onderwerp met omtrekkende bewegingen te benaderen.

Is dat oeuvre, is dat levensverhaal, al die moeite en, even later, die vijfhonderd pagina's waard? Er waren al enkele wat oudere en kleine biografische schetsen van Richard Minne: had het daar niet bij kunnen blijven of had niet volstaan kunnen worden met een correctie en uitbreiding daarvan?

Als het angelsaksische geloofsbeginsel voor biografen juist is, en het de eerste plicht van een biograaf is licht te werpen op het werk van zijn onderwerp en niet voor spion te gaan spelen in diens slaapkamer, dan heeft Daane met zijn boek het antwoord op die korzelige vragen gegeven. Want doordat zijn biografie de geschiedenis van een man, een dichter in zijn tijd en zijn milieu is, biedt het boek een weelde aan context voor Richard Minne's werk. Niemand kan ooit een gedicht of welk kunstwerk dan ook verklaren uit de omstandigheden waaronder het tot stand kwam, maar die kunstwerken worden wel begrijpelijker, toegankelijker door kennis van die omstandigheden.

En dat is precies wat Marco Daane te bieden heeft.

Maar met die constatering doe ik hem tekort, want het is heel veel wat hij te bieden heeft en het is met grote vlijt en vindingrijkheid bijeen gezocht en uitgezocht en het is op een verstandige en veelal evenwichtige manier opgeschreven. Wie alleen in de dichter Richard Minne geïnteresseerd is, zal zijn boek te dik en te uitvoerig vinden; wie in de Vlaamse literatuur, de Vlaamse beweging, de geschiedenis van Vlaanderen in de eerste helft van de twintigste eeuw en nog zo het een en ander geïnteresseerd is, vindt er dat alles in, weerspiegeld in het werk en levensverhaal van een singuliere dichter.

En dat werpt wel degelijk licht op het oeuvre van die dichter.

De belangrijkste ervaring daarin is zijn teleurstelling in de socialistische beweging. Richard Minne was weliswaar het kind van twee kleinburgers, maar hij groeide op aan de rand van een trieste volkswijk en engageerde zich jong met de cultureel-politieke groeperingen in Gent. Zijn vroegste ervaringen zijn een eindeloze reeks conflicten en ruzies, samenzweringen en uitbanningen in de linkse splinterpartijtjes van rond de Eerste Wereldoorlog. Bij ontstentenis van andere bronnen volgt Marco Daane hem door die schermutselingen: hij treft zijn naam aan in en op allerlei blaadjes en pamfletten, hij herkent hem in rare, ronkende gedichten en stukjes.

Onder dat politieke engagement zit een andere strijd. Dat lijkt de strijd voor het Vlaams en de Vlaamse literatuur, maar het is in wezen het conflict tussen individu en gemeenschap, tussen volharding en aanpassing, tussen vernieuwing en aanpassing. Zo klein als die is, zo universeel is die ook. Door Richard Minne zozeer in zijn tijd te plaatsen, maakt Marco Daane hem juist weer uniek. Diens getob en gezanik over zijn onvermogen aan het werk te komen - hij verdiende een prijs voor zijn gedrens en zijn naaste vrienden onderscheidingen voor hun lankmoedigheid - krijgen daardoor de allure van iemand die zich weigert aan allerlei modieuze fratsen aan te passen.

Dat maakt de bittere ironie van zijn gedichten ineens een stuk begrijpelijker en betekenisvoller. Het kokette gaat eraf en het wordt individualistisch. Dat valt alleen maar te waarderen door andere individualisten die zich weinig aan modes gelegen laten liggen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden