Een beetje gemiddeld, dan is alles mogelijk

Een kwart eeuw geleden vernam de schaatswereld voor het eerst van Eric Heiden. Zijn zege op de 500 meter bij het WK allround in 1976 bleek de voorbode van een tijdperk (1977-1980) waarin de Amerikaan alles zou winnen....

Mijn trainster Diane Holum zei: jij rijdt vandaag de vijf kilometer onder de zeven minuten! Ik dacht dat ze gek was geworden. Al na drie ronden voelde het of mijn benen zouden exploderen. Ik weet zelf niet hoe ik het heb volgehouden.

Eric Heiden, de Volkskrant februari 1979.

Jos de Koning: 'De wetenschap kan alles berekenen en analyseren, maar in de praktijk is de invloed van een trainer vele malen groter. Als een coach zegt dat iets kan en de sporter gelooft daar heilig in, dan kàn het. Ook al zouden alle modellen hier in mijn computer aantonen dat het niet kan. Holum was kennelijk zo'n coach die haar sporters net een stap verder kon brengen.'

Peter Mueller: 'Jonge sporters hebben vaak geen idee waar hun grenzen liggen. Tuitert schrok toen ik hem bij het EK wegstuurde op 6.36. Maar hij deed het, easy. Je kunt Tuitert bijna programmeren. Op dit moment kan hij in Calgary 6.20 rijden. Geen twijfel.'

Harm Kuipers: 'Mijn gezin heeft een jaar in Amerika gewoond. Ik zag mijn kinderen veranderen. In Amerika ligt de nadruk veel meer op prestaties leveren, ego ontwikkelen. Daar draait een schoolrapport louter om cijfers, in Nederland kijken we ook naar de sociale ontwikkeling. Dat verschil zie je in alles terug. Ook in sport.'

Geert Kuiper: 'Als ik Ritsma wegstuur op een schema dat tien seconden onder zijn persoonlijk record ligt, lacht hij me uit. Of hij ontslaat me.'

Jos Geijsel: 'Misschien was het geen toeval dat Heiden juist een Amerikaan was. Statistisch gezien is de kans dat zo'n fenomeen uit Nederland komt vele malen groter. Wij hebben meer ijsbanen, meer schaatsers, betere trainers, alle voorwaarden zijn aanwezig. Maar die kennis kan ook remmend werken. Wij zijn geneigd te denken: vijf afstanden winnen, dat kan niet. Een Amerikaan denkt: dat zullen we nog weleens zien.'

Mueller: 'Veel Nederlandse sporters zijn blij met zilver of brons. Begrijp me goed: ze leveren prima prestaties. Maar in beginsel draait topsport maar om één medaille: goud. Zilver betekent in feite dat je verloren hebt. Dat is een andere manier van denken.'

De tien kilometer wordt nooit mijn favoriete afstand. Maar of je nou wel of niet een stayer bent: vijfentwintig rondjes rijden doet bij iedereen pijn. Misschien is mijn talent dat ik de pijn kan verdragen.

Eric Heiden, de Volkskrant februari 1978

De Koning: 'Alle topschaatsers, of je nou sprinter of stayer bent, voldoen aan één belangrijke fysiologische voorwaarde. Ze moeten een hoog anaerob vermogen hebben. Dat wil zeggen dat hun lichaam relatief veel energie moet kunnen vrijmaken zonder zuurstof aan te spreken. Tijdens het schaatsen is de spanning van de beenspieren groter dan de bloeddruk waardoor er geen vers bloed en dus geen zuurstof in de spier stroomt. Grofweg kun je zeggen dat een duizend meter-specialist en een tien kilometer-specialist qua spiersamenstelling niet zoveel verschillen.'

Kuipers: 'In het begin van mijn carrière was ik bang voor de tien kilometer. Bang voor de pijn. Dat begint al na zes ronden. Het duurde een paar jaar voor ik daar doorheen kon bijten. Ard Schenk had hetzelfde. Het is zuiver mentaal. Van tien minuten pijn lijden ga je echt niet dood.'

Mueller: 'Sprinters zijn luie allrounders. Dat is mijn filosofie.'

Kuiper: 'Achteraf denk ik dat ik een heel behoorlijke allround-schaatser had kunnen worden. Maar als je in Nederland op jonge leeftijd niet meteen een beetje aanleg vertoont voor de lange afstanden drukken ze je meteen in het hokje sprinters. Dan breng je dus talent niet volledig tot ontwikkeling.'

De Koning: 'Er bestaan twee typen spiervezels: slow twitch, cruciaal bij echte duursporten, en fast twitch, voor explosievere sporten. Die fast twitch worden weer in twee groepen verdeeld: A en B. Soort A is een spiervezel die een behoorlijk anaerob vermogen heeft en die trainbaar is voor duurarbeid. Een topschaatser kan niet zonder een aanzienlijke hoeveelheid fast twitch A. Alleen op de 500 meter is spiervezel B doorslaggevend.'

Geijsel: 'Shimizu en Romme zijn waarschijnlijk de enigen van het huidige peloton die fysiologisch écht verschillen van de rest. Shimizu heeft veel fast twitch B; Romme een relatief grote hoeveelheid slow twitch. Alle andere schaatsers zouden in principe elkaars concurrenten kunnen zijn.'

De Koning: 'Dat maakt schaatsen wezenlijk anders dan atletiek of wielrennen. Een tien kilometer-loper zal nooit de 800 meter winnen. Daarvoor verschillen ze fysiologisch veel te veel. In het wielrennen zijn een sprinter en een klimmer ook totaal anders. Tussen een stayer en een sprinter bestaan in het schaatsen meer overeenkomsten dan verschillen.'

Kuipers: 'Een nieuwe Heiden is zeker mogelijk.'

Ik beschouw mezelf niet als een bijzonder mens. Schaatsen stelt niks voor in Amerika, maar ik vond het toevallig prachtig. Ik wilde er alles voor doen om de beste te worden. Ik ben maar een gewone jongen.

Eric Heiden, Leeuwarder Courant februari 1980

Kuiper: 'Ik heb me vaak afgevraagd wat het ideale postuur is voor een schaatser, maar daar valt geen antwoord op te vinden. Ze zijn er in alle soorten en maten geweest. Zjelezovski en Shimizu op de sprint, Koss en Sighel in het allround. Kennelijk zijn er meerdere ideale vormen denkbaar.'

Geijsel: 'Dat is de charme van schaatsen. In basketbal, volleybal of turnen val je gelijk af als je niet aan bepaalde fysieke voorwaarden voldoet. Voor een schaatser die een beetje gemiddeld is, is alles mogelijk.'

Mueller: 'Onder de huidige generatie toppers zie ik niet één die zou kunnen wat Heiden kon. Er rijden vier à vijf jongens rond die op de Olympische Spelen twee of drie keer goud zouden kunnen halen, als ze geluk hebben. Maar vijf, no way.'

Kuiper: 'Ik heb weleens gedacht dat Ids Postma het zou kunnen. Hij is wereldkampioen geweest op de vijf kilometer, olympisch kampioen op de 1000 meter en twee keer wereldkampioen op de 1500 meter. Dan ben je een aardig eindje op weg. Boucher in de jaren tachtig kon ook alles, maar zodra hij verder moest dan 1500 meter interesseerde het hem niet meer.'

De Koning: 'Ik heb testen gedaan met wielrenners om hun vermogen in watts te meten. Dan vroeg ik ze drie minuten voluit te gaan. Daar stelden ze zich volledig op in, ze trapten zich helemaal suf, en scoorden een enorm hoog aantal watts. Als ik voor de grap na drie minuten zei: nu nog een minuut, zakte hun score ineens ver terug. Daaruit kun je voorzichtig concluderen dat barrières vooral mentaal zijn.'

Kuipers: 'Om een kampioen als Heiden te worden, is een killers-mentaliteit vereist. Daarom zou Ritsma eerder in aanmerking komen dan Postma. Dat Ritsma al tien jaar aan de absolute top staat, zegt veel over zijn kracht en vermogen. Als hij die arbeid van tien jaar gebundeld had in een periode van vier jaar zou hij misschien Heiden hebben kunnen evenaren.'

Geijsel: 'Techniek is een steeds belangrijker factor geworden. Een hogere snelheid vraagt meer coördinatief vermogen. De enorme spierkracht die Heiden had, is nu minder belangrijk.'

Mueller: 'Tuitert is de enige schaatser in de wereld die de potentie heeft. Dat is riskant om te zeggen want hij is pas twintig. Tuitert moet eerst één afstand winnen, daarna zien we wel verder.'

Toen ik net begon was mijn doel om tijdens de Olympische Spelen op vijf afstanden op het podium te komen. Toen zei mijn trainster Diane Holum: als je vijf keer op het podium staat, kun je ook vijf keer winnen. Ja, dat klonk wel logisch.

Eric Heiden, Sports Illustrated maart 1980

Kuiper: 'Met Ritsma hebben we in het seizoen 1998/'99 extra aandacht aan de sprint besteed. Het gevolg was dat zijn lange afstanden iets minder werden. De afgelopen zomer hebben we het accent weer op de lange afstanden gelegd en nu zie je dat die sprint hem af en toe weer iets meer moeite kost. Het schaatsen is zo gespecialiseerd inmiddels dat het bijna onmogelijk is beide onderdelen tot in perfectie te beheeren.'

Geijsel: 'Ik geloof Kuiper wel, maar volgens de wetenschappelijke trainingsleer klopt zijn theorie niet. Voor de duizend meter tot en met de tien kilometer gelden dezelfde trainingsprincipes. Voor die afstanden heb je conditie nodig. Op de duizend meter moet je die conditie echter in korte tijd verbruiken, terwijl op de tien kilometer die conditie verdeeld moet worden over dik twintig ronden. Maar dat is een kwestie van aanleren.'

Kuipers: 'Specialiseren is in het schaatsen een heel relatief begrip. Uitgezonderd de 500 meter worden alle afstanden volgens dezelfde principes getraind. Twee weken voor de Olympische Spelen wat accenten aanbrengen, dat is voldoende specialisatie.'

Mueller: 'Heiden was een sprinter en toch was de 500 meter voor hem in 1980 het moeilijkst om te winnen. Dan komt het op talent en geluk aan. De rest was puur training.'

Geijsel: 'Stel dat een nieuwe Eric Heiden te creëren valt dan moet je beginnen met de 500 meter te trainen. De explosiviteit en techniek die daarvoor nodig zijn, vormen een dermate ingewikkeld neurologisch proces dat dat op jonge leeftijd ingeprogrammeerd moet worden. Iemand die de sprint technisch perfect kan rijden, kan het zeker op een vijf en tien kilometer waar de snelheden veel lager zijn. Uithoudingsvermogen en spiermassa kan iemand na z'n twintigste nog voldoende opbouwen.'

Kuipers: 'Jan Bos zou eerder Eric Heiden kunnen evenaren dan Gianni Romme. Bos heeft de technische beheersing en vermoedelijk de nagenoeg ideale mix van spiervezels.'

De Koning: 'Vijf afstanden winnen is wel moeilijker geworden. Naarmate de snelheden hoger worden, moet een sporter steeds meer vermogen leveren om prestaties te verbeteren. Heiden hoefde minder extra vermogen te leveren om van rondjes 34 naar rondjes 33 te komen dan een schaatser die nu van rondjes 31 rondjes 30 moet maken. Dat scheelt aanzienlijk.'

Kuipers: 'In een zware bergetappe tijdens de Tour de France leveren wielrenners een vermogen dat nog hoger ligt dan bij schaatsers. Dat extra vermogen om rondjes 30 te rijden, hoeft voor het menselijk lichaam geen probleem te zijn.'

Er is geen geheim. Ik doe niets bijzonders. Ik ben gewoon de beste omdat ik het hardst train.

Eric Heiden, de Volkskrant februari 1980

Kuipers: 'Heiden trainde niet twee keer zoveel als wij. Ik heb het er meermalen uitvoerig met hem over gehad. Hij trainde efficiënter. Wat wij in anderhalf uur deden, smeerde hij uit over een dag. Tussendoor rustte hij goed uit. Daardoor was zijn eerste training van de dag kwalitatief even goed en intens als de derde training.'

Kuiper: 'Ik heb Heiden ook nog meegemaakt. Wij dachten: wat traint die goser veel, dat moeten wij ook doen. Achteraf moet je misschien zeggen dat Heiden vooral slim heeft getraind.

Mueller: 'Het zit 'm niet alleen in het aantal uren. Het gaat om de intensiteit. Sommige schaatsers trainen veertig uur per week, maar daarvan is vijfendertig uur verspilde tijd. Er zit een verschil tussen hard trainen en denken dat je hard traint. De meeste schaatsers denken dat ze hard trainen. Ik train anders dan de Nederlandse trainers.'

Geijsel: 'Heidens trainer Diane Holum schreef een boek over trainingsleer. Dat heette een revolutionair boek te zijn. Ik heb het gelezen en wat zij beweerde was absoluut niet nieuw. Het waren allemaal bestaande trainingsvormen, alleen gepikt uit verschillende takken van sport. Holum heeft geen nieuwe trainingsleer ontwikkeld, maar wel een nieuw recept bedacht. Dat is trouwens ook knap.'

Kuiper: 'Wij deden tien sprints in een uur. Stom achteraf. De eerste twee sprintjes ging je voluit, maar bij de volgende acht merkte je al dat je coördinatie en kracht minder werden. Met de laatste twee sprintjes brak je af wat je met de eerste twee had opgebouwd. Drie sprintjes in een uur is veel effectiever.'

Kuipers: 'Hetzelfde geldt bij lange afstanden. Het is onzin om iemand drie keer per week vijfentwintig rondjes achter mekaar te laten rijden. Dan ontstaat juist weerzin tegen die afstand. Eén keer per twee weken een sporter vertrouwd maken met die pijn gedurende tien minuten en voor de rest aan techniek en acceleratievermogen werken. En rust, veel rust.'

Geijsel: 'De noodzaak van rust wordt nog altijd onderschat. Van Gennip moest voor de Olympische Spelen van '88 vanwege een blessure lange tijd in bed blijven. Romme ging in '99 vanwege een vormcrisis naar Tenerife en won vervolgens nog wereldtitels op de vijf en tien kilometer. Thea Sybesma kreeg in '91 vijf dagen voor de triathlon van Roth (Dui) een rugblessure. Niks meer gedaan. Op de dag van de wedstrijd liep ze een wereldrecord. Op zo'n moment mobiliseert het lichaam alle kracht die in de jaren daarvoor is opgebouwd.'

Kuiper: 'Heiden kreeg natuurlijk meer rust dan de schaatsers nu. Heiden reed in feite twee wedstrijden per jaar: WK allround, WK sprint en nog een paar kleine wedstrijdjes. Tegenwoordig hollen we van de ene wedstrijd naar de andere. Van november tot maart. Rust inbouwen is het grootste probleem geworden.'

Geijsel: 'Een schaatser die straks een maand voor de Olympische Spelen de zon opzoekt, in de bergen gaat fietsen en trainen, en vervolgens tien dagen voor de Spelen weer op het ijs stapt, geef ik een goede kans op titels.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden