Een Assepoester in La France Profonde

'Marie NDiaye was twaalf jaar oud toen ze complete romans op papier begon te zetten', schrijft Jeanne Holierhoek in het nawoord van de roman En famille van NDiaye, die zij voor het Bredase bedrijfje De Geus vertaalde....

Nou ja, denk je na het lezen van die zin, dat kàn, en zo'n ongebreidelde schrijflust zal onder pubers meer voorkomen. Maar vreemder is wat Holierhoek aan deze mededeling toevoegt: 'Afhankelijk van wat ze las', deelt de vertaalster vervolgens mee, 'schreef ze een roman in Russische, in Zuidamerikaanse of in Noordamerikaanse stijl, en zo maakte ze zich op doeltreffende wijze de literatuur van vele taalgebieden eigen.'

Daar keek ik van op. Een roman in Russische, in Zuidamerikaanse of in Noordamerikaanse stijl?

Ik kan me voorstellen dat de kleine Marie NDiaye iets ondernam in de trant van Lev Tolstoj, Gabriel García Márquez of William Faulkner - wat al geen sinecure is -, maar dat ze de stijl van hele continenten wist na te bootsen, lijkt me een tikkeltje overdreven. Speelt hier bewondering de vertaalster parten?

Dat Jeanne Holierhoek Marie NDiaye bewondert, is buiten kijf en daarin staat zij niet alleen. 'In de Franse recensies van En famille', schrijft zij, 'wemelt het van verwijzingen naar literaire voorgangers. De titel doet om te beginnen al denken aan Sans famille van Hector Malot, in het Nederlandse taalgebied beter bekend als Alleen op de wereld. Verder roept de roman zelf associaties op met tal van schrijvers - Proust wordt uiteraard gemeld, maar ook Kafka, Beckett, Lewis Caroll (Alice in wonderland) - en met uiteenlopende genres als de schelmenroman, het stripverhaal en het sprookje: Assepoester in La France Profonde.'

En alsof dat niet al haast te veel is, gaat ze nog even door: 'Op een manier die herinnert aan het classicisme van de zeventiende eeuw worden gevoelens genuanceerd beschreven, er wordt uitvoerig geëxerceerd op vele vierkante millimeters van de geest. Daarnaast worden ons postmodernistische doorkijkjes gegund op de romanconstructie, die zichzelf daarmee op losse schroeven zet.'

Kritiek, zeg ik maar, is nuttig en nodig, en is in haar distantiërende kwalificaties nog een hele kunst, maar wie zó verpletterend uitpakt als Jeanne Holierhoek beneemt de lezer de adem.

Kun je zo'n boek daarna nog lezen? Ik zou zeggen, draai het om, lees eerst het boek en pas daarna het overigens op sommige punten heel informatieve nawoord van Jeanne Holierhoek. Dan zijn de gegevens die de vertaalster verstrekt over Marie DNiaye, die in Pithiviers bij Orléans geboren werd als dochter van een Franse moeder en een Senegalese vader, als aanvulling bruikbaar, want zelfs in Frankrijk weet men weinig van haar af doordat ze alle publiciteit ontloopt (wat voor haar pleit, zeg ik er maar bij).

Diep verborgen in de Franse provincie met die rare mengeling van notabele opschepperij, benauwende burgerlijkheid en grove wansmaak (La France Profonde) schreef NDiaye tot nu toe behalve Quant au riche avenir, Comédie classique, een roman bestaande uit één zin, en La femme changée en buche, opstapjes naar En famille (Lieve familie in het Nederlands), waarin een (vreemd) meisje deel wil zijn van een (vreemde) familie die haar en haar ouders afwijst, terwijl zij er toch zo graag bij wil horen en geen oog heeft voor de vergaande bekrompenheid en zelfs griezeligheid van zo'n stamverband (¿ 49,90).

Marie NDiaye komt niet voor in de Nieuwe Literatuurgeschiedenis (een Overzicht van de Europese letteren van Homerus tot heden), die vorige week in drie dikke delen bij Meulenhoff en Icarus verscheen (¿ 149,90). Willem Brakman wel. Van hem kwam dezer dagen zijn vijfentwintigste roman uit, Een goede zaak, die mij een mooi 'winterboek' lijkt, omdat het er zo heerlijk in sneeuwt.

'Het sneeuwde al dagen over het standbeeld, dat tegenover het voorplein door witte dotten en plakken werd toegedekt: de Prins te paard vormde een schitterende onsamenhangendheid, gekroond door een vreemd gepluimde hoed. De Hofvijver was even groenzwart als dit grillige standbeeld, de gevels wijd en zijd innig grauw; ik kon het niet aangedribbeld krijgen vanwege deze droeve pracht. Het is de innigste vorm van de dood die ik ken, de schoonste, en zo moeiteloos overal uitgestrooid in ontelbare meesterwerken dat het moeite kost niet in God te geloven. Het eind van de middag tilt hierin de hoogste vroomheid, maar doet tegelijk vervallen in de diepste gram door de bruutheid waarmee drab en modder toeslaan, al moet ik zeggen dat de sneeuw zelfs dan nog wonderen verricht. Wie zich dan de paarden, koetsen, de hoge hoed en de gaslantaarns voor de geest haalt kan er het beste maar even voor gaan zitten.'

Brakman in zijn element. In dit verhaal over een dwerg, die via zijn oom in een geheime broederschap te Den Haag verzeild raakt en zich ten slotte na tal van merkwaardige avonturen in en om de duistere stegen van de oude binnenstad als een nar ontpopt aan het hof, bespeelt Brakman opnieuw een oneindig register van gevoelens, die je moet ondergaan om ze te begrijpen.

In het Overzicht van de Europese letteren tref je Brakman (1922) aan op bladzijde 1271, waar van hem gezegd wordt dat hij in de kring van het tijdschrift De Revisor 'als een voorloper geldt'. Daar heb je wat aan!

Gaat, zo vroeg ik mij bezorgd af, deze Europese Literatuurgeschiedenis mij meer met zulke kluitjes in het riet sturen? Marguerite Yourcenar, van wie bij Athenaeum-Polak & Van Gennep drie verhalen uit de nalatenschap verschenen (Fantasie in blauw, ¿ 24,90, ¿ 39,90 gebonden), wordt wat ruimer bedeeld, maar zij is dan ook een Franstalige auteur en deze geschiedenis is duidelijk een Franse onderneming (ze verscheen oorspronkelijk als Lettres Europeénnes bij Hachette in Parijs). Yourcenar wordt zeven keer genoemd, het meest uitgebreid op bladzijde 1166, waar te lezen valt: 'Marguerite Yourcenar (1903-1989) schrijft met haar grote historische romans als Mémoires d'Hadrien (Hadrianus gedenkschriften, 1951) en l'Oeuvre au noir (Het hermetisch zwart, 1968) een magnum opus, roman èn autobiografie, door buiten stromingen en modes om rond te dwalen in de tuinen van de Geschiedenis (le Labyrinthe du monde, Het labyrint van de wereld, in drie delen gepubliceerd tussen 1977 en 1988).'

Dat is al iets meer. En Bohumil Hrabal, onze geliefde Tjechische auteur, hoe wordt hij in de Europese Letteren vereeuwigd? Van hem verscheen bij Bert Bakker De tedere barbaar (¿ 29,90), een hommage aan zijn vriend de graficus Vladimir Boudnik, die met Hrabal en de ruwe-bolster-blanke-pit Egon Bondy een heel markant Praags kunstenaarsclubje vormde. Hrabal komt zes keer voor, wat niet gering is. Op bladzijde 1185 wordt van hem, na een opsomming van wat titels, gezegd: 'De verhalen, die losjes lijken te worden verteld, zijn bevolkt met gewone mensen die vrij realistische dingen doen; ze praten veel, met een onstuitbare verbeeldingskracht; meestal ontmoeten ze elkaar in gezellige cafés, ver van de partijvergaderingen. Deze typische ''Hrabal-figuren'' leiden hun werkelijke leven in de marge van de samenleving.'

Europese Letteren! Wie denkt dat hij voortaan dit boek kan raadplegen als hij iets wil weten over auteurs die hem in de boekwinkel onder ogen komen, moet zich op een teleurstelling voorbereiden.

Marcellus Emants en Martinus Nijhoff, van wie in de reeks Nederlandse klassieken bij Prometheus respectievelijk Een nagelaten bekentenis (¿ 29,90, ¿ 49,90 gebonden) en een selectie uit het verhalend en beschouwend proza is verschenen (De pen op papier, ¿ 39,90, ¿ 55,- gebonden), die komen voor.

Maar Arie van den Berg? Nee. Jan Kuiper wel (maar diens naam wordt verkeerd gespeld, het is: Kuijper). Atlas bundelde van Van den Berg zijn gedichten uit de jaren 1968 tot 1978 onder de titel Om wat blijvend wil ontroeren (¿ 25,-).

Tatjana Tolstaja? Wordt genoemd. In een mooie gebonden uitgave bracht de Wereldbibliotheek haar verhalen uit de bundels In vuur en vlam (1988) en Slaapwandelaar in de mist (1992) samen (¿ 36,50).

Een andere Rus, Jevgeni Jevtoesjenko, ontbreekt in dit overzicht van de Europese Letteren, en dat is op zijn zachtst gezegd raar, want Jevtoesjenko mag sinds de publikatie van zijn gedicht 'Babi Jar' in 1961 op wereldwijde aandacht rekenen. De Prom publiceerde na Een plaats voor wilde bessen en Ardabiola nu de kolossale roman Sterf niet voor je dood in de vertaling van Koosje van Landeghem. Het verhaal gaat over de coup van augustus 1991, toen tanks het Witte Huis in Moskou omsingelden en Jevtoesjenko zich op de barricaden bevond.

Ook Marcel Béalu ontbreekt in Europese Letteren, maar dat is enigszins begrijpelijk omdat hij zelfs in Frankrijk vergeten lijkt. Voor Nederlandse lezers werd hij kort voor zijn dood in 1993 herontdekt door Georges Coppens, die toen De ervaring van de nacht in zijn uiterst verzorgde galerie van hoogbejaarde solitairen opnam. Dat boek wordt nu gevolgd door l'Aventure impersonelle uit 1954, dat ook al door Jeanne Holierhoek werd vertaald. Zij gaf deze intrigerende roman de titel Onpersoonlijk avontuur mee.

Béalu was een autodidact die jarenlang een boekwinkel in de Rue de Vaugirard in Parijs dreef en daar zijn clientèle de boeken die hij bewonderde aanbeval. Ook met deze roman sleept hij je weer mee in een hallucinerend avontuur, dat een zekere Tondel (zo noemt hij zich) op een duister eiland in de stad beleeft met twee vrouwen, Corinne en Muta.

In dit nawoord schrijft Jeanne Holierhoek: 'Het hele Onpersoonlijk avontuur ademt een sfeer van aftakeling en teloorgang. Steden slijten aan het leven en de verlokkelijke geur van jonge lijven wordt op den duur ranzig, wordt ons al in het begin van het verhaal voorgehouden. De tijd heeft het adres in Tondels agenda half uitgewist, het water van de rivier tast traag de oever aan, de meubelen worden ondermijnd door het vocht, de mooie Muta verandert in de doorleefde Béatrice.' En daar ben ik het wel mee eens, al vind ik 'ondermijnde meubelen' wat eigenaardig gezegd.

Béalu niet, maar Manuel Vázquez Montalbán is wel een plaatsje in de Europese Letteren vergund. Montalbán is volgens deze geschiedenis een bekende Spaanse journalist, die een groot aantal detective-achtige romans op zijn naam heeft staan. Het jeugdige bedrijfje van Menken Kasander & Wigman liet de ongelooflijke dikke pil die Vázquez Montalbán over Generaal Franco schreef, Autobiografie van Generaal Franco, door Saskia Otter in het Nederlands vertalen, maar probeerde in de vormgeving en door het boek in Barcelona te laten drukken de Spaanse sfeer van de oorspronkelijke uitgave te bewaren. Een vorm van mimicry, die er net als Lettres Europáeennes op lijkt te wijzen dat in de literatuur 'Europa' een feit begint te worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden