Een aristocratische revolutionair HEINRICH HEINE TWEEHONDERD JAAR GELEDEN GEBOREN

SAMSON EN BETTY Heine, beiden afkomstig uit een joodse familie, kregen op 13 december 1797 een zoon. Ze noemden hem Harry, naar een Engelse vriend van vader Heine uit de stoffenbranche....

Na 1819 studeerde hij rechten in Bonn, Göttingen en Berlijn; hij promoveerde in 1825. Maar rechter of koopman - ook daartoe werd hij, telg uit een familie van bankiers en kooplieden, opgeleid - werd hij niet. Beroemd werd hij als Heinrich Heine, dichter van het Buch der Lieder, Deutschland - Ein Wintermärchen, Atta Troll - Ein Sommernachtstraum, en schrijver van Reisebilder en ander proza.

Van Harry naar Heinrich - deze naamsverandering had alles te maken met de tijd waarin Heine leefde. Nadat Napoleon van het Europese toneel was verdwenen, werd de klok in Duitsland teruggedraaid. Het was de tijd van de restauratie. Het absolutisme van de Duitse vorsten en de voorrechten van de oude adel werden hersteld.

De Duitse joden behoorden tot de slachtoffers. Napoleon had hun gelijke burgerrechten gegeven, maar na 1815 werden deze pas verworven rechten beknot of zelfs tenietgedaan. Het antisemitisme stak de kop weer op. In 1819 werden in verschillende Duitse steden joden mishandeld en joodse winkels geplunderd. En in 1822 werd in Pruisen het tien jaar oude edict van de hervormingsgezinde regering-Hardenberg over gelijke rechten voor joden geschrapt.

Een academische loopbaan was sindsdien voor joden niet meer mogelijk. Overheidsfuncties mochten zij al niet bekleden. Voor joden die ambtenaar of hoogleraar wilden worden, was er maar één uitweg: zich laten dopen en christen worden.

Dat deed ook Harry Heine. Op 28 juni 1825 liet hij zich in Heiligenstadt stilletjes dopen; hij kreeg daarbij drie namen: Christian Johann Heinrich. Hij werd protestant, omdat hij meende dat dit zijn beroepskansen in Pruisen aanzienlijk zou vergroten. Hij was immers jurist en zijn streven was gericht op een loopbaan als rechter, advocaat of hoogleraar, want van schrijven kon men niet leven.

Maar in Duitsland, zo moest Heinrich Heine spoedig ervaren, kon hij niets worden. Al een halfjaar na zijn doop had hij spijt. Aan zijn vriend Moses Moser schreef hij: 'Ik betreur het zeer dat ik me heb laten dopen; ik merk nog helemaal niet dat het me sindsdien beter gaat, integendeel, ik heb sindsdien niets dan ongeluk.'

Zijn 'bekering' had op zich niet veel te betekenen. Hij was geen gelovig mens - dat zou pas veranderen na 1848. In 1823 schreef hij aan Moser, een van de oprichters van de 'Verein für Kultur und Wissenschaft der Juden' in Berlijn waaraan hij korte tijd meewerkte, dat hij geen enthousiaste aanhanger van de joodse religie was. 'Maar dat ik voor de rechten van de joden en hun burgerlijke gelijkstelling enthousiast zal zijn, dat beken ik, en in slechte tijden, die onontkoombaar zijn, zal het Germaanse gepeupel mijn stem horen tot in de Duitse bierhuizen en paleizen.'

Dit citaat staat in Taubenherz und Geierschnabel - Heinrich Heine, geschreven door de Duitse literatuurkenner Fritz J. Raddatz. Hij schreef een van de biografieën die in Duitsland zijn verschenen ter gelegenheid van het feit dat Heine tweehonderd jaar geleden werd geboren. (De dichter zelf heeft overigens tot aan zijn dood volgehouden dat zijn geboortedag in 1799 was.)

Heine's leven verliep niet zonder tegenstrijdigheden en een andere, onlangs in het Duits verschenen biografie heet dan ook Gelebter Widerspruch, geschreven door de Heine-deskundige Jochanan Trilse-Finkelstein. Hij heeft de nadruk gelegd op Heine's jodendom. 'Hij was een wereldburger en bleef toch steeds jood. Men kan uit een religie of een gemeente stappen, maar men kan niet uit zijn volk treden.'

Heine kon zijn joodse afkomst ook daarom niet vergeten, omdat zijn vijanden hem daaraan steeds herinnerden. Hij reageerde woedend op antisemitische aanvallen en sloeg hard terug, wat onder meer de dichtende graaf August von Platen in 1827 moest ondervinden.

Hij bleef in Duitsland een buitenstaander, erger nog: iemand die werd buitengesloten. Zijn jodendom, zijn onafhankelijkheid en zijn revolutionaire politieke opvattingen werden niet geaccepteerd in de Duitse Bond, het uit meer dan dertig koninkrijken en vorstendommetjes bestaande rijk dat na 1815 was ontstaan. In dat reactionaire rijk, waar de Oostenrijkse kanselier Metternich het oude absolutisme met harde hand beschermde tegen nationalisten en democraten, was geen plaats voor een onafhankelijke geest, voor een kind van de Verlichting.

Heine heeft zich gekeerd tegen zowel reactionaire geesten als Duitse nationalisten, liberaal of niet, die streefden naar een eenheidsstaat. Hij haatte deze 'Teutomanen', die scherpe grenzen tussen de volken van Europa wilden trekken, terwijl hij deze grenzen juist wilde opheffen. 'In Europa bestaan geen naties meer, alleen nog maar partijen.'

OOK MARCEL Reich-Ranicki, de grote literaire autoriteit in Duitsland, onderstreept in Der Fall Heine, een kleine bundel met deels eerder verschenen artikelen, Heine's joodse achtergrond. 'Het jodendom', schrijft hij, 'was het centrale probleem van het hele bestaan van Heine.' Hij wijst daarbij op het Buch der Lieder, dat ogenschijnlijk gaat over de liefde en de onbereikbaarheid van de geliefde, maar waarin achter de verzen nog iets anders schuilgaat. 'Heine spreekt in deze lyriek over het lijden van de Duitse joden (. . .). Preciezer: over het lijden van een mens die, geboren in de Duitse wereld, door deze wereld wil worden aanvaard.'

Reich-Ranicki beseft dat het Buch der Lieder - na 1837, na de tweede oplage, een groot succes - vooral door niet-joodse Duitsers werd gelezen, en die 'waren zich dus niet bewust van de dubbele bodem van zijn poëzie'. Ook hiervoor heeft hij een verklaring. 'Doordat Heine in zijn erotische lyriek heimelijk het lot van de benadeelde joden bezong of, juister gezegd, zich door dit lot liet inspireren, werd hij de poëtische woordvoerder en zaakwaarnemer van alle benadeelden en zwakkeren, van allen die leden onder hun rol in de samenleving, van allen die naar liefde verlangden, maar zich tevreden moesten stellen met dat verlangen en met hoop.'

In de 'politieke kunstenaar' Heine ziet Reich-Ranicki toch vooral de dichter die de Duitse taal heeft verrijkt en vernieuwd. 'Eerder dan andere Europese dichters van zijn tijd heeft hij ruim geprofiteerd van de omgangstaal en heeft hij steeds weer gegrepen naar het Duits van alledag. Op deze wijze heeft hij de taal van de lyriek en van het proza vernieuwd, hij heeft haar zonder pardon ontdaan van al het onbruikbare en overbodige en haar op gracieuze wijze afgeslankt. Hij schiep zo de dringend noodzakelijke voorwaarde voor de democratisering van de literatuur.' Trilse-Finkelstein noemt Heine 'de eerste moderne schrijver van de Duitsers'.

Zich helder en begrijpelijk uitdrukken was voor Heine een bewuste keuze. 'Wat heeft het volk aan afgesloten graanschuren waarvoor het geen sleutel bezit? Het volk heeft honger naar kennis en bedankt me voor het stukje geestelijk brood dat ik eerlijk deel', schreef hij in 'Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland', dat behoort tot het boek De l'Allemagne.

Met De l'Allemagne ('Over Duitsland') zijn we aangekomen bij Henri Heine, de Heine die van 1831 tot aan zijn dood in 1856 in Parijs woonde en werkte. Hij ging naar Frankrijk, omdat hij in Duitsland geen kant meer op kon. In 'Der Zweck des Lebens ist das Leben selbst' - Heinrich Heine, de meest uitvoerige biografie die dit najaar is verschenen, schrijven Jan-Christoph Hauschild en Michael Werner kort en bondig: 'Niet alleen was er in Duitsland geen enkele kans op enige subsidie voor zijn literaire werkzaamheden, maar deze werkzaamheden werden ook door censuur, verboden en confiscaties in toenemende mate gedwarsboomd.'

Elk woord dat de Duitse machthebbers in die tijd niet beviel, was geen lang leven beschoren. Heine's geschriften werden in 1835 zelfs geheel verboden, wat de dichter in Parijs tot een ware balling maakte. Hij moest Henri blijven, wat hem niet erg deerde. 'Heinrich, Harry, Henri - al deze namen klinken goed als ze van mooie lippen glijden.' (Hij bezocht Duitsland na 1831 nog tweemaal; in 1843 en 1844.)

Wat Heine verder aantrok, was de juli-revolutie van 1830 in Parijs. Hij was enthousiast, toen hij het nieuws over de revolutie op Helgoland vernam. 'Weg is mijn verlangen naar rust. Ik weet nu weer wat ik wil, wat ik moet. . . Ik ben de zoon van de revolutie.'

Later was hij heel wat minder geestdriftig, want het Franse volk had moeten bloeden en lijden voor anderen. Het had wel gewonnen, maar de overwinning was in handen geraakt van de rijke bourgeoisie. Niettemin accepteerde hij in 1840 van de regering-Thiers en later van de regering-Guizot een staatspensioen van 4800 franc per jaar. Dit pensioen werd betaald tot de revolutie van 1848.

Heine werkte in Frankrijk twee kanten op. Voor Franse lezers schreef hij over Duitsland en voor Duitse lezers over Frankrijk. Hij was waarlijk een Europese schrijver die zich tot doel stelde Fransen en Duitsers dichter bij elkaar te brengen. 'Want daarvoor zijn de aristocraten het meeste bang; door de vernietiging van nationale vooroordelen, door de vernietiging van patriottische bekrompenheid verdwijnt hun beste hulpmiddel bij de onderdrukking.'

In Parijs was Heine correspondent voor de Allgemeine Zeitung in Augsburg. Reich-Ranicki: 'Hij was de belangrijkste journalist onder de Duitse dichters en de beroemdste dichter onder de journalisten.' Zijn correspondentschap werd door de censuur ernstig bemoeilijkt en soms onmogelijk gemaakt.

Maar hij probeerde tevens de Franse literaire markt te veroveren. Hij was na 1831 schrijver van beroep en vond ook Franse uitgevers, maar grote oplagen bereikte zijn werk niet. Hij bleef een in Frankrijk 'gerespecteerde buitenstaander', schrijven Hauschild en Werner. 'Pas toen de uitgeverij Michel Lévy Frères vanaf 1855 een nieuwe uitgave van zijn verzameld werk begon te publiceren, beleefde Heine toch nog de doorbraak op de Franse markt.'

Dat was dus kort voor zijn dood. Heine bleef tijdens zijn leven dan ook financieel afhankelijk van zijn rijke familie in Hamburg en van zijn zijn Duitse uitgever Julius Campe.

De l'Allemagne was Heine's antwoord op het gelijknamige boek van Germaine de Staël uit 1810, waarin ze naar Heine's mening al te zeer de Duitse romantiek had opgehemeld. In 'Die romantische Schule' schreef Heine dat de 'zoete tonen van de romantiek' niets anders waren dan 'propaganda van paapsgezinden en jonkers die samenzwoeren tegen de religieuze en politieke vrijheid van Europa'.

Dat de dichter Heine later zelf terugkeerde naar de romantiek, lijkt een van de vele tegenstrijdigheden in zijn leven. Maar zijn romantiek was een andere. Ze is 'werelds', schrijft Raddatz. 'Ze is agressief in plaats van beschouwelijk. Ze is brutaal in plaats van dromerig. Ze is antinationalistisch in plaats van nationaal.' En voor Heine ging het in het grote gedicht Atta Troll ook om 'moderne humor'.

Heine heeft de Fransen, zoals hijzelf zei, ook willen inwijden in het grote geheim van de Duitse filosofie: de onttroning van God. Hij werd een tijdlang sterk beïnvloed door de filosoof Hegel, bij wie hij in Berlijn enige tijd college had gelopen. Hegel haalde God uit de hemel en plaatste hem op aarde. God bestond alleen in het bewustzijn van de mensen.

Heine heeft daarop voortgeborduurd. 'De vernietiging van het geloof in de hemel is niet alleen in moreel, maar ook in politiek opzicht belangwekkend: de massa draagt niet meer met christelijk geduld haar aardse ellende en verlangt naar gelukzaligheid op aarde. Het communisme is een natuurlijk gevolg van deze veranderde kijk op de wereld.'

Het communisme van Karl Marx, met wie Heine in Parijs korte tijd bevriend was, en het socialisme van andere denkers, aldus Hauschild en Werner, 'vormden voor hem het bewijs voor zijn profetie dat de filosofen aan het werk zouden gaan om de utopie van het Himmelreich auf Erden te verwezenlijken'.

HEINE'S IDEAAL klinkt luid door in het grote gedicht Deutschland - Ein Wintermärchen. Hij wilde de mensheid bevrijden van armoede en ellende. Maar een revolutie die kunst en cultuur zou vernietigen, wilde hij liever niet. Raddatz noemt Heine dan ook een 'aristocratische revolutionair'. 'Hij wil het zware lot van het volk verlichten, maar hij keert zich tegen een volk dat datgene neemt waarvan het denkt dat het hem toebehoort.' Toch heeft Heine zich aan het eind van zijn leven duidelijk uitgesproken voor het communisme, waarbij bedacht moet worden hoe weinig er toen nog van dat communisme bekend was.

Heine's nog altijd wat geheimzinnige ziekte, die hem meer en meer verlamde en blind maakte, heeft hem acht jaar lang aan bed gekluisterd; van 1848, het jaar van de revoluties in Europa, tot aan zijn dood op 17 februari 1856. Die jaren waren de tijd van zijn 'Matratzengruft', door Raddatz aldus omschreven: 'Iemand ligt op drie op de grond opgestapelde matrassen, half blind, half verlamd; pijn jaagt door het lijf; geldzorgen vanwege de hoge ziektekosten kwellen hem.' Maar Heine's geest bleef helder en zijn werklust was ongebroken. Het grote, succesvolle dichtwerk Romanzero ontstond. Dat was het 'wonder Heine'.

En er was nog een soort wonder; Heine werd weer gelovig. 'Ja, ik ben teruggekeerd naar God, zoals de verloren zoon, nadat ik lange tijd bij de Hegelianen de varkens heb gehoed', schreef hij in het nawoord van Romanzero. Het was een terugkeer naar 'een persoonlijke God', niet naar een kerk.

Zijn nieuwe godsbegrip was niet christelijk, maar joods, aldus Trilse-Finkelstein, die verwijst naar een brief van Heine uit 1850 waarin staat: 'Ik maak geen geheim van mijn jodendom, waarnaar ik niet ben teruggekeerd, omdat ik het nooit had verlaten.'

Bij de begrafenis op het kerkhof van Montmartre waren ongeveer honderd personen aanwezig, maar geen geestelijke. Het was zoals Heine enkele jaren eerder had gedicht:

Keine Messe wird man singen,

Keinen Kadosch wird man sagen,

Nichts gesagt und nichts gesungen

Wird an meinen Sterbetagen.

Jan Luijten

Jochanan Trilse-Finkelstein: Gelebter Widerspruch - Heinrich Heine Biographie.

Aufbau-Verlag; 417 pagina's; ¿ 45,90.

ISBN 3 351 02461 4.

Fritz J. Raddatz: Taubenherz und Geierschnabel - Heinrich Heine.

Beltz Quadriga; 378 pagina's; ¿ 48,30.

ISBN 3 88679 288 9.

Marcel Reich-Ranicki: Der Fall Heine.

Deutsche Verlags-Anstalt; 128 pagina's; ¿ 34,30.

ISBN 3 421 05109 7.

Jan-Christoph Hauschild & Michael Werner: 'Der Zweck des Lebens ist das Leben selbst' - Heinrich Heine.

Kiepenheuer & Witsch, import Nilsson & Lamm; 696 pagina's; ¿ 86,25.

ISBN 3 462 02644 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden