Een adellijke wolf van de contrarevolutie

NA HET in ontvangst nemen van de Nobelprijs voor literatuur in 1933 maakte de Russische schrijver Ivan Boenin (1870-1953) op de terugweg uit Stockholm een tussenstop in Berlijn....

Bovenstaand verhaal, dat Boenin in Parijs aan Vladimir Nabokov vertelde, is niet terug te vinden in het vierde deel van Boenins Verzamelde werken, waarin brieven, dagboekaantekeningen, reisverhalen, herinneringen en gedichten zijn opgenomen. Boenin vertelde graag sterke verhalen en het is de vraag of zijn Berlijnse avontuur geheel op waarheid stoelt; wellicht wilde hij Nabokov, met wie hij een moeizame relatie had, ermee imponeren.

Wel wordt uit Boenins correspondentie duidelijk dat de schrijver, die in 1920 naar Frankrijk was uitgeweken en daar sindsdien in armoede leefde, zelfs door de Nobelprijs niet voorgoed van zijn de financiële zorgen werd verlost. Daarnaast geven Boenins brieven een mooi beeld van het Russische emigrantenmilieu in Parijs. Schrijvers van allerlei pluimage bevolkten de literaire coterieën. Er waren er die, al dan niet door armoede gedreven, overwogen naar 'huis' terug te keren. Van het idee alleen al ging Boenins bloed koken. De afkeer was wederzijds: nog in 1943 werd de chroniqueur van de Goelagkampen van Kolyma, Varlam Sjalamov, tot tien jaar kamp veroordeeld wegens zijn bewering dat Boenin 'een klassieker van de Russische literatuur' was. Dat niet Gorki, het boegbeeld van het socialistisch realisme, de Nobelprijs had gewonnen maar 'een doortrapte wolf van de contrarevolutie' was voor de Sovjet-Unie moeilijk te verteren.

Boenin was in eigen land vóór zijn emigratie een gelauwerd schrijver geweest, hoewel hij voor zijn naargeestige schildering van het achterlijke Russische platteland hevig bekritiseerd was. Deze kritiek zou hem tot in lengte van dagen dwarszitten, vooral nadat in Rusland de revolutie was uitgebroken en menigeen namens 'het volk' meende te spreken. 'Ach onze intelligentsia - dat verachtelijke stelletje, dat elk gevoel voor het levende leven volslagen kwijt is, en dat leugens heeft verkocht over het volk, dat ze helemaal niet kennen, zal nog wel eens terugdenken aan Het dorp en mijn andere verhalen', schreef Boenin in 1917. De linkse intelligentsia was naar zijn mening medeverantwoordelijk voor de ellende waarin zijn land werd gestort, onder andere omdat zij het volk uit gebrek aan kennis of uit politieke motieven altijd had geïdealiseerd.

Boenin was de laatste om de Russische boeren of de Russische volksaard te romantiseren. Door de revolutie werd hij naar eigen zeggen dan ook niet verrast, maar de beestachtigheid en schaal ervan overtrof zelfs zijn verwachtingen. In zijn brieven en dagboek (Vervloekte dagen) doet Boenin aangrijpend verslag van 'onze ondergang'. Hij wordt fysiek onpasselijk van wat hij ziet en hoort, maar als om zich zout in de wonden te strooien kan hij zijn ogen en pen niet van de slachting afhouden: 'Ik moet ophouden met deze aantekeningen, door het op te schrijven vergiftig ik mijn hart nog meer.' Maar hij kan het niet laten, want alles gaat ten onder, zelfs de taal, die wordt verkracht door de nieuwlichters die uit een quasi ''krachtige en sappige'' volkstaal 'een soort obsceen archaïsch-Russisch mengelmoesje bereiden dat niemand in Rusland ooit geproken heeft en dat niet eens valt te lezen!'.

In 1920 gaf Boenin het op, hij vertrok. 'En nog later vergoot ik tranen van grimmig verdriet en van ziekelijke vervoering, toen ik Rusland en heel mijn vroegere leven achter me had gelaten.'

Van een heel andere orde zijn de in de bundel opgenomen 'Herinneringen'. Hierin portretteert Boenin onder andere Tsjechov, met wie hij bevriend was geweest, Gorki, die nooit zijn vriend was geweest, maar met wie hij wel gebrouilleerd raakte, en Tolstoj. Van deze laatste was Boenin zo idolaat dat hij als jongeman zelfs enige tijd een tolstojaan werd.

In zijn tolstojaanse 'noviciaat' bezocht hij met zijn mentor Volkenstein een broederschap van boeren in de provincie 'om een persoonlijke relatie met hen aan te gaan en door deze relatie zowel onszelf als hen ''sterker te maken'' op het pad van het ''goede'' leven (. . .) we reisden derde klas, moesten regelmatig overstappen, zorgden er steeds voor in de wagons van de meest simpele lieden te belanden, en aten ''vleesloos'' (. . .) hoewel Volkenstein het af en toe niet uithield en dan plotseling naar de restautatiewagen snelde, waar hij met grote gretigheid een paar wodka's achteroversloeg en zijn mond verbrandde bij het verorberen van vleespasteitjes. . .' Boenin kreeg al snel een hartgrondige afkeer van deze 'rijke, vrome, ogenschijnlijk goede boeren, van de overnachtingen in hun hutten, van hun pasteien met aardappelvulling, van hun psalmgezangen en verhalen over hun niet aflatende grimmige strijd met de ''popen en leiders'' en van hun muggenzifterijen over de Schrift, waar ze zich vol hartstocht aan overgaven.'

Zo lyrisch als Boenin over Tolstoj schreef, zo vilein is zijn oordeel over Gorki. Met een kennelijk genoegen sloopt Boenin Gorki's literaire reputatie en de mythe van zijn proletarische afkomst, die Gorki (met zijn 'lage voorhoofd, dat gerimpeld was als bij een aap') had gefabriceerd ten behoeve van de rode arristocratie, 'die vervloekte apen'. Boenin stamde zelf, zo schrijft hij in zijn 'Autobiografische notities', uit een oud adellijk geslacht dat generaties lang verbonden was geweest met het volk en de grond. Daar hadden de apen met hun poten van af te blijven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden