interview

Een academische loopbaan van contract naar contract

Universitair personeel werkt vaker en langer op basis van een tijdelijk contract. Volgens hun vakorganisatie lijdt de kwaliteit van het onderzoek en het onderwijs daaronder.

Maandag 1 september, cortège van hoogleraar bij de opening van het academisch jaar op de Erasmus Universiteit Rotterdam. Foto Bart Maat / ANP

304 maanden

Dit voorjaar verspreidde André Linnenbank een uitnodiging. Hij gaf een borrel om te vieren dat hij 25 jaar in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam werkte en dat steeds op een tijdelijk contract.

'Al met al ben ik de afgelopen jaren veelvuldig van werkgever gewisseld', schreef hij, 'maar feitelijk nooit van werkplek of onderzoekslijn.'

Een paar maanden later was het voorbij. De potjes waren leeg, er waren geen nieuwe subsidies toegezegd. Na 304 maanden tijdelijke dienst stond Linnenbank op straat.

Het leverde hem nog wel de eerste prijs op in een ludieke wedstrijd van het Platform Hervorming Nederlandse Universiteiten (H.NU), dat aandacht wilde vragen voor het toenemende aantal tijdelijke contracten in de wetenschap. Niemand bleek langer in tijdelijke dienst geweest dan de 51-jarige André Linnenbank.

Met zijn 304 maanden is Linnenbank een extreem geval, maar hij is zeker niet de enige onderzoeker die van contract naar contract leeft. Het aantal tijdelijke aanstellingen in de wetenschap neemt al jaren toe, zo blijkt uit cijfers van de VAWO, de vakorganisatie voor personeel van universiteiten, onderzoekinstellingen en universitair medische centra. In 1995 had nog slechts 20 procent van de wetenschappers een tijdelijke aanstelling, in 2012 was dat het dubbele.

Volgens de Vereniging van Universiteiten (VSNU) hoort dat bij de hedendaagse wetenschap, waar onderzoekers tegen elkaar moeten strijden om een deel van het onderzoeksgeld. Maar volgens de VAWO en H.NU is het een slechte ontwikkeling. De kwaliteit van onderwijs en onderzoek zou eronder lijden.

Linnenbank arriveerde eind jaren tachtig bij het AMC. Hij studeerde natuurkunde en wilde tijdens zijn afstuderen graag 'iets maken'. Dat werd een 64-kanaals versterker voor ECG's, een apparaat waarmee cardiologen betere hartfilmpjes zouden kunnen maken.

André Linnenbank, kampioen contracthoppen Foto Foto Raymond Rutting

Vaste waarde

Na zijn afstuderen bleef hij hangen. Elf jaar werkte hij in tijdelijke dienst bij de afdeling, waarna hij in 2000 overstapte naar de afdeling experimentele cardiologie van het AMC, waarmee hij al samenwerkte.

Daar ontwikkelde Linnenbank zich tot een vaste waarde. Hij schreef een softwarepakket dat hij ook zelf onderhield. Hij hielp collega's bij hun analyses. En hij deed de computerondersteuning voor de groep.

Telkens wanneer het einde van zijn contract in zicht kwam, begon hij zich zorgen te maken. Had hij over twee maanden nog wel een baan? Werd dat project waarvoor ze een subsidie hadden aangevraagd wel goedgekeurd?

Soms was het kantje boord, zegt hij. Maar elke keer ging het goed. Natuurlijk, er waren administratieve trucs nodig om hem zo lang tijdelijk aan te kunnen stellen. Hij mocht niet te vaak achter elkaar contracten van dezelfde werkgever krijgen, dan zou een vast contract volgen - en dat was niet de bedoeling.

Het systeem

En dus was Linnenbank een paar jaar in dienst van Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek dat hem een subsidie verleende voor onderzoek dat hij bij het AMC uitvoerde. Hij was vier jaar lang verbonden aan het UMC Utrecht, hoewel hij voornamelijk bij het AMC achter een bureau zat. Hij kreeg twee keer een meerjarig contract van het Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland, dat hem detacheerde naar het AMC.

En ergens in die jaren kocht Linnenbank een huis, met een verklaring waarin stond dat hij binnenkort een vast contract zou krijgen. Maar dat contract kwam er natuurlijk niet.

Nee, de situatie was niet ideaal. Maar hij begreep waarom het zo ging. Ze hadden gewoon geen geld om hem aan te nemen. Dat lag aan het systeem, dat zag hij ook wel.

Ten eerste: vakgroepen draaien grotendeels op tijdelijke budgetten. Een onderzoeksvoorstel wordt door een organisatie als NWO gehonoreerd, er komt een pot geld vrij en een groep kan een onderzoeker voor een paar jaar aanstellen. En na die paar jaar is dat geld op. Dan wil je geen onderzoeker met een vast contract overhouden.

Ten tweede: er moet tegenwoordig gescoord worden. Universiteiten en financiers kijken naar citatiescores. Wie publiceert het meest in belangrijke tijdschriften? En dan staat iemand als André Linnenbank niet bovenaan. Biomedisch technologen vervaardigen mooie apparatuur, maar het vakgebied is niet zo groot. Een studie van cardiologen is voor tienduizend man wereldwijd relevant, terwijl zijn publicaties misschien door tien man gelezen worden.

Kennis verdiwjnt

Zelf vindt Linnenbank dat laatste geen enkel probleem, want hij weet dat patiënten uiteindelijk baat hebben bij de apparaten waaraan hij werkt. Maar financiers kijken wel naar die impactfactoren. Wie scoort, krijgt makkelijker een contract. Minder prominente vakgroepen bezuinigen.

Kijk maar eens naar de voormalige groep van Linnenbank. Hij hoorde onlangs dat er meer klappen zullen vallen: binnenkort verlaat iemand met veel kennis van elektronica de groep. En zo verdwijnt stukje bij beetje allerlei cruciale kennis, zegt Linnenbank.

Zelf zit Linnenbank op dit moment thuis. Maar hij zal het wel redden, denkt hij. Hij solliciteert. En hij heeft zich ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Wie hem nodig heeft, kan hem inhuren. Ook het AMC.

Zilver en brons

Wie is het langste in tijdelijke dienst van Nederlandse universiteiten? Dat wilde het Platform Hervorming Nederlandse Universiteiten weten. André Linnenbank won met 304 maanden. Dit zijn de nummers 2 en 3.

Babbage (52) is informaticus en wil niet met zijn naam in de krant. Hij werkte 303 maanden op tijdelijke contracten van NWO, de Vrije Universiteit en de TU Delft. 'Ik ga de contracten niet tellen, maar het moeten er tien tot vijftien zijn geweest.'

Op dit moment is hij werkloos, al onderhandelt hij met een universiteit over een nieuwe verbintenis. Omdat hij moest 'pingpongen' tussen universiteiten, had hij altijd een huurwoning. 'Ik denk niet dat ik dit had kunnen doen als ik een gezin had gehad.'

Martijntje Smits (48) is ingenieur en gepromoveerd als filosoof. Sinds ze in 1991 afstudeerde, maakte ze als onderzoeker, universitair docent en gasthoogleraar 276 maanden lang allerhande omzwervingen langs onder meer de TU Eindhoven, de Colorado School of Mines en het Rathenau Instituut - telkens op tijdelijke contracten. Ze verhuisde vier keer met haar kinderen, die ze alleen opvoedt en voor wie ze telkens op zoek moest naar nieuwe scholen en sportclubs. 'Je zou me een wetenschappelijke nomade kunnen noemen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.