Een aards huis

Organische architectuur is een ontwerpstroming, die soms als een religie wordt beleden. 'Een missie om de menselijke leefwereld te doordringen van schoonheid en waarheid.' Een tentoonstelling in de Beurs van Berlage laat zien dat zelfs de modernist Le Corbusier erdoor werd gegrepen....

'Forms follows function' is een van de meest gekoesterde citaten onder architecten. Onder dat mom zijn ook fantastische gebouwen neergezet. Maar ontelbaar zijn de slechte ontwerpen die juist met deze slagzin werden doorgedrukt: al die dodelijke saaie woongebouwen, kantoren als dozen en wegen als verkeersriolen die vooral na de Tweede Wereldoorlog overal verschenen. De bedenker van het motto, de Amerikaanse architect Louis Sullivan (1856-1924), had echter iets heel anders voor ogen.

De tentoonstelling Organische Architectuur, die nu Amsterdam aandoet en vervolgens door de wereld reist, betekent een eerherstel voor Sullivan. Hij krijgt er de plaats die hij verdient, als een van de grondleggers van het Organisch Bouwen. Ook al een term die, net als Sullivans motto, met misverstanden is omgeven. Het roept bij velen associaties op met Vrije Scholen, Antroposofie en uiteraard de creaties van Alberts en Van Huut (de ING bank in Amsterdam-Zuidoost, de Gasunie in Groningen).

Zoals nu in Amsterdam is te zien, omvat organische architectuur een enorme verscheidenheid aan gebouwen. Van Australië tot Afrika, van Finland tot Japan voelen architecten zich de laatste decennia juist bij deze benadering weer thuis. Kloeke stedelijke sociale woningbouw in Berlijn wordt afgewisseld door landelijke, houten schoolgebouwen. De antropomorfe kerken van de Hongaar Imre Makovecz (waarin het menselijk lichaam op herkenbare wijze wordt weerspiegeld) staan gebroederlijk naast strakke, verstilde gebouwen uit Japan, zoals de Ohkluma-gedenkhal van Keji Imai.

'Organische Architectuur' staat voor een bouwwijze die zo oud is als de mensheid. Als inspiratiebron geldt de natuur, de gebouwen worden afgestemd op alle facetten van het leven. Eeuwenlang waren dit algemene uitgangspunten maar langzaamaan verloor die benadering terrein. Rond 1900 werd weer iets van al die oude wijsheden herontdekt. Onder anderen door Louis Sullivan. Hij werd beroemd door zijn wolkenkrabbers, met een vorm die voor het eerst echt op hoge bouwwerken was afgestemd. Tot dat moment werden wolkenkrabbers in feite ontworpen als opgerekte gewone gebouwen, volgens de mode van die tijd in neoclassicistische stijl.

Sullivan nam de natuur als uitgangspunt. Hij was gefascineerd door de verbanden die er bestaan. Elke functie heeft er een eigen vorm. En onder functie verstond hij niet alleen de simpele doelmatigheid, maar vooral de aard, het wezenlijke van het organisme dat in juist die ene vorm tot uitdrukking komt. Hij had er een diepere bedoeling mee. Hij was religieus en zag de natuur als uitdrukking van God, als manifestatie van het Almachtig Leven. Juist in het contact met de natuur, dacht hij, verrijkt de mens zijn innerlijk leven. Dat wilde hij nabootsen in zijn architectuur: eenzelfde verwantschap tussen functie en vorm zou mensen geestelijk verrijken. Pas dan was volgens hem voldaan aan zijn beroemde adagium.

Sullivan introduceerde het begrip organische architectuur, al gaven pas zijn jongere vakgenoten er wereldwijd bekendheid aan. Op de expositie wordt het werk van een aantal van hen getoond. De selectie is aanvechtbaar, maar illustreert wel de verscheidenheid. Frank Lloyd Wright bijvoorbeeld, die vooral de relatie tussen zijn gebouwen en de omringende natuur in veel van zijn ontwerpen centraal stelde. Antoni Gaudí die zijn gebouwen plastische vormen gaf en zijn constructies ontleende aan de natuur. In de catalogus wordt Gaudí geciteerd, in een toelichting op de Sagrada Familia, de nog altijd niet voltooide kathedraal in Barcelona. 'Wilt u weten waar ik mijn voorbeeld vandaan heb? Van een echte boom; hij draagt zijn takken en deze de twijgen en die weer de bladeren. En elk deel groeit harmonisch omdat de kunstenaar God hem geschapen heeft.' Ook de Belg Henry van de Velde komt aan bod, omdat hij het 'als zijn missie beschouwde om de menselijke leefwereld weer te doordringen van schoonheid en waarheid'.

Even hebben organische architecten zelfs aan de wieg gestaan van het modernisme. De Duitse architect Hugo Haring hield op het eerste CIAM-congres in 1928 een pleidooi voor een organische benadering, maar hij werd overstemd door Le Corbusier, die zich tot een van de grootste inspiratiebronnen van het vereenvoudigd functionalisme zou ontpoppen. Le Corbusier is overigens ook op de tentoontelling te zien, met de kapel Notre-Dame-du Haut die hij in de jaren vijftig in Ronchamp realiseerde. Volgens de toelichting 'oversteeg hij hiermee het door hemzelf geschapen geometrisch idioom en drong hij door in het gebied van de zuiver kunstzinnige, organische uitdrukkingsvormen'.

Rudolf Steiner (1861-1925), grondlegger van de antroposofie, neemt op de tentoonstelling een bijzondere plaats in. Als geen ander gaf hij de organische architectuur een diepgaand kader. Hij was geen architect maar arts, met brede filosofische en wetenschappelijke interesses. Hij dacht, als velen in het begin van de twintigste eeuw, dat een nieuw cultuurtijdperk op doorbreken stond. Het bewustzijn van de mens zou een nieuwe, hogere fase bereiken. Volgens Steiner waren alle kunstuitingen, met name architectuur, middelen bij uitstek om die ontwikkeling te begeleiden.

Steiner vergeleek de gebouwen die hij wilde maken met een notendop die samen met de noot een geheel vormt. Zo zouden gebouwen passen bij de zich ontwikkelende mensheid. Hij ontwierp zelf een aantal gebouwen. En het aardige is, wat ook op de tentoonstelling is te zien, dat deze onderling heel sterk verschillen. Er is geen beter bewijs voor de stelling dat het inderdaad niet ging om het vinden van een stijl, maar om het zoeken naar vormen die bij een functie pasten, zoals het eerste Goetheanum dat in 1913 in het Zwitserse Dornach als centrum van de Antroposofische beweging werd opgericht.

Het gebouw bestond uit twee koepels die elkaar gedeeltelijk doordrongen. Het geheel was afgestemd op wat zich er binnen zou gebeuren, vooral de opvoeringen van mysteriespelen. Ernaast ontwierp Steiner een stookgebouw: een plastische betonnen vorm die uitbeeldde hoe hier rook vanuit een kachel werd omhooggestuwd. Een transformatiehuisje, iets verderop, werd een hoekig geval, 'net zo abstract en koud als elektriciteit'.

Het eerste Goetheanum brandde in 1923 af. Steiner ontwierp een nieuw complex (tussen 1924 en 1957 gebouwd) dat de verandering van inzichten tekent die zich bij hem voltrok. In plaats van het lieflijke koepelgebouw staat er nu een veel groter bouwwerk dat vooral is afgestemd op zijn plaats in het landschap.

Bijna de helft van de expositie in de Beurs van Berlage bestaat uit gebouwen die onlangs zijn gerealiseerd, als werk van nog levende architecten. Zij werden gevraagd zelf een toelichting op hun ontwerp te geven, en om schetsen en maquettes te tonen. Het levert veel mooie plaatjes op, maar ook ruw materiaal dat inzicht geeft hoe zo'n bouwwerk ontstaat.

De ene architect munt uit door de manier waarop hij zijn gebouwen in harmonie brengt met de omgeving. Een ander valt op door het bijzondere kleurgebruik. Bij een derde staat het ontwerpproces centraal dat wordt meebepaald door toekomstige gebruikers en vaak ook door degenen die het maken: bouwvakkers, schilders, soms ook kunstenaars. Wat hen voornamelijk onderscheidt van de doorsnee-architect is het streven naar een integrale aanpak waarin al die aspecten met elkaar zijn verweven.

Het Belgische bureau Sfragis verwoordt zijn werkwijze zo: 'Architectuur laat zich niet maken op een tekentafel of met een computer. Het beeld van een bouwwerk ontstaat door een gesprek. Wat in de geest leeft, zoekt een huis op aarde.' Het Noorse bureau Hus verklaart de dubbelgekromde hyperbolisch-paraboloïde vormen van zijn kleuterschool als: 'Luister naar de Noorse taal, naar de krachtige wind, kijk naar het bergachtige landschap en vraag je af welke bouwwijze daarbij past.' De Zweed Erik Asmussen, met fraaie variaties van dezelfde simpele vormen, zegt: 'Kunst moet met alle zintuigen worden ervaren, waarom ook niet met gevoel voor humor?'

Nog altijd staat voor deze architecten, net als bij Sullivan, de beleving en niet de schoonheid centraal. Wie de tentoonstelling bezoekt, wordt dan ook niet alleen als toeschouwer behandeld. Zo staat in de kelder een kettingmodel opgesteld waarmee de bezoeker het verband tussen krachten en vormen kan onderzoeken, op precies de manier waarop Gaudí dat deed. Er is een ruimte waar men, onder begeleiding, zelf kan ontwerpen, materiaal voor tekenen en modelbouw ligt klaar.

Er staat een aantal stoelen klaar, ontworpen door Steiner zelf. Een rechte om in te mediteren; een ander voor een sanatorium, gevormd vanwege zijn heilzaam effect. Ze staan er niet alleen om naar te kijken maar om er daadwerkelijk op te gaan zitten, om de aard van de vorm en de functie te ervaren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden