Een aanhoudend heden CLAUDIO MAGRIS EN DE TRIESTINITEIT 'Er zit veel zee in, veel regen'

Een man verlaat het café, trekt door het stadspark en sterft als hij bij de kerk aankomt. 'Microcosmi', zegt Claudio Magris, 'is een poging een mensenleven te beschrijven als een reis.' Een tocht langs plaatsen die symbolisch zijn én bestaand....

ALLES BEGINT altijd in het café - en veel eindigt er, of het eindigt er bijna.

Maar wie zich in Triëst wil voegen naar die historische wetmatigheid, staat nog voor een lastig probleem. Het keuzeprobleem, het eeuwige keuzeprobleem, want wat moet je in een stad die weliswaar Italiaans is, maar waarin zich het leven zozeer heeft geschoeid op Weense leest, dat iedere wandelaar er vroeger of later wel in een café móet aankomen, zoveel zijn er.

Dat café is er bij uitstek een Kaffeehaus, een gelegenheid als een negentiende-eeuwse salon, een zaal vol kekke stoeltjes en bankjes, waarin men terecht kan om er te denken, te lezen, te praten, te schrijven en te schaken - en ten slotte om er misschien ook nog wat koffie te drinken. Een triëstiner, bijvoorbeeld, een espressokopje met cappuccino, één deel koffie, drie delen schuim, een beetje bitterheid onder een wollig dek van zoete room. Het wordt altijd op een dienblaadje aangeleverd, samen met een nobel glaasje water en een schaaltje slagroom - voor alle zekerheid: het teugje bitterheid dat het leven biedt, mocht de gast eens te machtig worden.

Kiezen, maar waar en voor welk en voor wat? Zal het de mondaine elegantie worden van Tommaseo, aan de boulevard bij de haven, oog in oog met die verbijsterende blauwe vlakte die daar, aan de voet van het Karstgebergte, begint en aan de oostzijde wordt omzoomd door de Istrische kust en westelijk door het begin van een lagune die net achter de horizon haar kroon zal vinden in Venetië? Of in het Caffè degli Specchi, aan het plein dat veelbetekenend en met nadruk de Piazza della Unità d'Italia heet, het café waar de verweerde spiegels het aantal bontmantels dat de broze dametjes dragen tot oneindige machten verheft? Of het Caffè Tergestea, aan de Piazza della Borsa, die de Romeinse naam van Triëst, de 'markt van het oosten', vereeuwigt?

De luisterrijke Kaffeehäuser van Triëst kennen het veelledige dilemma en hebben de handen ineengeslagen: ze presenteren zich vriendelijk met een folder die zich aanbiedt onder de verleidelijke titel 'de cafés van Mitteleuropa'. Want als Triëst al voor een gezicht kiest, is het het gezicht van de geschiedenis en van een mythe bovendien. Mitteleuropa: legio is de hoeveelheid congressen die er de afgelopen decennia rond dat thema is belegd.

Claudio Magris - type Parijse intellectueel en nog altijd een enigszins jongensachtige man, al loopt hij inmiddels dan tegen de zestig en is hij meervoudig respectabel als hoogleraar germanistiek, oud-parlementslid en veelvuldig bekroond auteur - heeft zijn keuze bepaald, tientallen jaren geleden al. Hij resideert vrijwel iedere middag in het Antico Caffè San Marco, aan de Via Battisti. Hij heeft er zijn eigen tafeltje aan de zijkant, de versleten schooltas naast zich, boeken en papieren om zich heen. Hij schrijft er en hij mijmert er, hij leest er en hij denkt er en hij ontvangt er zijn visite; hij doet er, kortom, al die dingen die, wanneer je ze in Nederland openbaarlijk zou doen, zouden leiden tot bespotting en beschimping - totdat de leiding je zou verzoeken op te krassen, omdat je het café een slechte naam bezorgt met al dat lezen en schrijven.

'Thuis is veel te veel telefoon', bromt Magris. 'Allerlei onaangename types die je nauwelijks kent en die je de hele dag van je werk proberen te houden. Iedereen belt maar op, tegenwoordig, niemand schrijft meer eerst eens een behoorlijke brief. Ze versnipperen je dag, je leven. Hier kun je je tenminste concentreren en er is net voldoende aangename afleiding, door de figuren die de hele tijd binnenkomen of vertrekken.'

Microcosmi, zijn verleden jaar verschenen en meteen met de eerbiedwaardige Premio Strega bekroonde boek, begint er, in dat glorieuze Caffè San Marco. Het gezichtspunt op de eerste bladzijden van dat boek, dat net in een nagenoeg onberispelijke en het hoogste respect afdwingende vertaling van Anton Haakman in het Nederlands uitkwam, is vermoedelijk dat van Magris' vaste stek. 'In café San Marco beklijven eretekenen en faam wat langer; ook die van degenen die alleen recht hebben op voortleven in de herinnering vanwege het feit dat ze vele jaren hebben doorgebracht aan de marmeren tafeltjes met gietijzeren poten die uitlopen op een voetstuk rustend op leeuwenpoten.'

Magris beschrijft San Marco als 'een Ark van Noach waar niemand voorrang heeft of uitgesloten is', en zijn Microcosmi laat zich lezen als het verhaal van Noach wiens ark gestrand is op het hooggebergte en die, als de aarde weer drooggevallen is, zijn schip verlaat om te kijken wat er van de wereld die hij gekend heeft, geworden is. De verteller van Microcosmi, een erudiete en sensibele man, die in menig opzicht doet denken aan de immens belezen dichtersnatuur die Magris zelf is, vertrekt na het inleidende hoofdstuk uit het café en gaat op reis naar de plaatsen die een belangrijke rol spelen in zijn herinnering - de straten van Triëst, de lagune van Grado, iets zuidwestelijk van de stad, de bergdorpen van het noorden en even later zelfs Zuid-Tirol, Piemonte in het westen van Italië, Istrië en de eilanden in het oosten.

Hij dwaalt door de wereld die een wereld van geschiedenissen is, de zijne en die van anderen. In het voorlaatste hoofdstuk is hij teruggekeerd in de Giardino Pubblico aan het eind van de Via Battista, dat plantsoen met die even vreemde als bevreemdende verzameling borstbeelden op nog geen vijf minuten gaans van San Marco.

'Het boek is een poging een mensenleven te beschrijven als een reis', zegt Magris. 'Die reis voltrekt zich aan de hand van reële en symbolische plekken die zich op zijn passage door het leven hebben bevonden, plaatsen die tegelijkertijd symbolisch zijn en werkelijk. Ik heb geprobeerd het hele boek lang niets over deze man te zeggen - hoe hij eruitziet, wat hij doet of denkt, wie hij is. Een man verlaat het café, trekt door het stadspark en sterft als hij bij de kerk aankomt.

'We leren zijn geschiedenis kennen uit de sporen die hij trok, als waren het sporen door het zand. We zien wat hij ziet of gezien heeft, de landschappen, de gezichten, we horen de geschiedenissen die hij heeft gehoord.'

Het moet te maken hebben met Magris' haast obsessieve belangstelling voor wat mensen vormt, voor datgene waaraan ze hun identiteit ontlenen - die vraag die de bevolking van Triëst de afgelopen anderhalve eeuw steeds heeft beziggehouden, heen en weer geslingerd als ze werd tussen de mogendheden, tussen het oosten en het westen, tussen het noorden en het zuiden, tussen de Donaumonarchie, Italië en Joegoslavië.

O P DE stadsplattegrond die de toeristendienst van Triëst verstrekt, staat een kaartuitsnede van Europa waarin Triëst in het midden van een cirkel is geplaatst. Op de periferie van die cirkel liggen zowel Rome als Wenen, terwijl München en Ljubljana zich erbinnen bevinden.

'Ik geloof dat onze identiteit niet alleen bestaat uit wat onszelf is overkomen', zegt Magris, 'maar ook uit wat anderen, die onze wegen hebben gekruist, ons hebben verteld en uit datgene wat zij weer aan geschiedenissen hebben meegekregen. Het onderscheid tussen onze eigen geschiedenis en wat we van anderen hebben meegekregen, is vaak lastig te maken.'

Zo ontdekt de lezer van Microcosmi vrij onverhoeds ineens geen reisbeschrijving in handen te hebben, maar een reeks 'momentbeschrijvingen' uit een mensenleven. Hij mag zich gaan identificeren met de auteur die een verteller blijkt en gaandeweg een personage wordt. Hij toont hem wat hij gezien heeft, wat hij heeft liefgehad en wat verafschuwd.

'Het is een mozaïek van het leven', zegt Magris. 'Natuurlijk hebben al die kleine geschiedenissen hun voorbeeld in de werkelijkheid, maar ik heb er een fantastische montage van gemaakt.'

Triëst, ach Triëst: James Joyce versleet er zijn lever en Italo Svevo, in een levenslange poging op te houden met roken, zijn longen. De dichter Umberto Saba sleet er zijn dagen in zijn boekwinkel, de schrijver Scipio Slataper brak er zijn hersens op geschiedfilosofische kwesties. Als een metropool een magneet is, raken de magnetische velden van Wenen en Rome elkaar hier. Ze vechten om voorrang, ze trekken de bewoners van de stad beurtelings naar de dromerige ordentelijkheid van de Donaumonarchie en de poëtische chaos van Rome. En als een cultuur een golf is die over de aarde rolt en zich opwerpt of terugtrekt zoals vloed en eb dat doen, dan ligt Triëst op het doodtij van de Slavische, de Habsburgse, de Venetiaanse en de Lombardische cultuur.

Samen met Angelo Ara heeft Claudio Magris dat verschijnsel al eens aan een onderzoek onderworpen, in een boek dat vijftien jaar geleden verscheen, Trieste - Un identità di frontiera, en dat hem zijn reputatie als groot erudiet en elegant stilist heeft bezorgd. De 'triëstiniteit' heeft hij het genoemd, dat van alle kanten overspoeld worden door verschillende culturele en etnische identiteiten, dat heen en weer geslingerd worden tussen reële machten en mentale mogelijkheden. Het is alsof Triëst - waarvan de bijzondere atmosfeer door de schrijvers van het modernisme die zoveel psychoanalyse in hun vingers hadden, vereeuwigd is - al jaren voordat dat begrip was uitgevonden, postmoderne mogelijkheden kende: een identiteit kon je er kiezen.

'Ik heb het idee dat wij als de slakken zijn', zegt Magris. 'We dragen ons hele hebben en houden mee op onze rug, de hele last van onze geschiedenis. Nee, het gaat me daarbij niet om gevoelens van nostalgie, maar om ontroering: alles wat geleefd heeft dwingt die ontroering af. Het eist onze trouw op. Wat wij hebben liefgehad verdwijnt niet; oude liefdes blijven bij ons als een litteken.'

Een Narbe noemt hij het, een Duits woord, ja, een bij uitstek Weens begrip, achtergebleven in zijn klaterende Italiaans.

'E R IS OOK geen verleden voor de hoofdfiguur van mijn boek', zegt Magris, 'maar een aanhoudend, voortdurend heden. Verzonken liefdesgeschiedenissen duiken weer op als hij de plaatsen van zijn leven aandoet, en ze vereeuwigen zich weer in het heden. Als hij in een dorpje van een oude tante hoort van de oudooms die nog als grenadiers onder Napoleon naar Rusland zijn getrokken, dan zijn ze er weer, die grenadiers. In de kleine geschiedenissen verwerkelijkt zich de grote.'

De oude dichter Biagio Marin - waarom bevalt die naam mij toch zo? - die in Grado is neergestreken, aan de rand van de lagune, schrijft een taal waarin het dialect van Venetië nog doorklinkt - met dezelfde eigenschappen van een palimpsest die de verteller van Magris' boek hoofdstukken later in Istrië zal aantreffen. Losinj is Lussino, Rovinj Rovigno, Viznján Visigna: door de huidige kaart van het gebied heen schemert een vorige, en al hebben de oude helden op eilanden tussen de Istrische en de Dalmatische kust dan geen strikte opvattingen over het redentismo, de beweging uit de tijd van D'Annunzio die probeerde de vroegere oostelijke gebieden van de Venetiaanse republiek weer bij Italië terug te krijgen, ze spreken een taal vol woorden die Magris ook spreekt, vertrouwd als hij is met het dialect van zijn stad en zijn streek. Hij is er zelfs een pleitbezorger van geworden: de tweetalige editie van Marins poëzie is mede door hem bezorgd.

Het komt allemaal samen in het schitterende beeld van het eilandje San Giuliano, in de lagune van Grado: daar ligt een eiland onder water, daar kan je door de lens van het water de vloer van een oude beschaving zien.

Of in het heilloze lot van het stadje Gorizia, vijftig kilometer benoorden Triëst - het stadje dat het decor is van een van Magris' eerdere boeken, de novelle Een andere zee. Gorizia is Gorica is Görz, geheel en al afhankelijk van de kant van waaraf je het benadert. Toen de oorlog voorbij was, bleek alle streven van D'Annunzio en zijn geestverwanten, een oorlog eerder, tevergeefs geweest: Tito voegde het bij Joegoslavië en pas na enig aandringen van Italië verzonnen de geallieerden een oplossing met het raffinement van het oorspronkelijke Salomonsoordeel. Er ging een prikkeldraadversperring met slagbomen doorheen, als liep de geschiedenis er vooruit op wat pas vijftien jaar later in Berlijn zou gebeuren. Gorizia was voortaan weer Italiaans, en aan gene zijde van het hek heette het Nova Gorica.

Aan het plein, in het hart van het stadje, is een café. Piazza della Vittoria heet het plein, en het is na het Amsterdamse Museumplein het treurigste dat ik ooit zag. Bierhaus Vittoria heet het café, en de briefjes die melden dat de sleutel van het toilet aan de bar kan worden opgevraagd spreken de lezer toe in het Sloveens, het Kroatisch en het Italiaans. Bierhaus Vittoria, maar wiens victorie, en tot welke prijs? In een stadje, op een plein, in een café, ja, zelfs in een handgeschreven mededeling op een wc-deur balt zich een eeuw samen, een bewegelijke en besluiteloze geschiedenis.

Microcosmi is een liefdesboek. Het verklaart de liefde aan de traagheid, aan het oog voor het detail waarin zich een leven, een kosmos weerspiegelt. Het is het boek van een flaneur, de wandelaar die de ijskoude bora van Triëst even trotseert om zich van het ene café naar het andere te begeven.

Het maakt de tijd tot een eenheid - 'als de jaarringen in een boomstam', zegt Magris: alle jaren samen vormen toch een stem.

'Wie alles wil bekijken, wie zich ook van de kleine dingen rekenschap wil geven, heeft veel tijd nodig. Daarom spoelt er ook zoveel water door dit boek, water dat vertraagt en toedekt.

'Mij is een zekere hydrofilie verweten', zegt Magris lachend. 'Er zit veel zee in, veel rivieren, veel regen. Maar ook het vuile, stilstaande water in het zand, dat de kinderen gebruiken als ze kastelen bouwen. Het is een zinnelijk boek, want ondanks alle verhalen, de komische, de tragische en de kosmische, staan wij dicht bij de aarde wanneer wij de geschiedenis op deze manier benaderen.

'En daar worden we ook deemoedig van - umile, in het Italiaans, wat weer van humus komt, dat is de humus van de tijd waarop het broze leven gedijt.'

Op die aarde gaat de flaneur zijns weegs, door schoorvoetend over zoveel verleden te lopen; hij vestigt er een eenheid in de tijd, en door vanuit Triëst zijn cirkel door het land, door de bergen en langs de zee te trekken, ontstaat er evenzeer een eenheid van plaats. Als we niet uitkijken, ontstaat er toch een identiteit en zwicht Magris alsnog voor dat begrip dat als een motregen boven de geschiedenis van de jaren negentig hangt - creëert hij zijn eigen mythe van de triëstiniteit, terwijl hij de flirt met 'Mitteleuropa' and all that, een vrijage waaraan zijn eigen Donau-boek van tien jaar geleden bovendien veel voedsel heeft verstrekt, zo verfoeit.

'Ja, dat kan', geeft Magris toe, 'maar het is geen gefixeerde identiteit. Ze is er eenvoudig, ze ontstaat uit iemands eigen verhalen, uit geschiedenissen die zich aaneenrijgen als parels aan een snoer. Niemand bewerkstelligt haar of forceert haar met een idee. Er is geen wil, er is geen plan: het gebeurt.'

Een liefdesboek, vol liefde voor een streek en haar geschiedenis. Maar ook een intiem boek, waarin de intieme persoonlijke liefde slechts voor de goede verstaander terug te lezen valt. Magris droeg zijn boek op aan Marisa, dat is: Marisa Maldieri, zijn vrouw, die twee jaar geleden stierf - ze is er op iedere bladzijde van aanwezig, zwijgend, ongenoemd.

En ze komt erin voor - in het hart van het boek dat zelf eindigt wanneer de wandelaar, nadat hij de sombere rij borstbeelden van de grote schrijvers van Triëst in de Giardino Pubblico heeft afgewerkt, ineenzijgt op de trappen van de kerk van het Heilig Hart, op roepafstand van het Caffè San Marco. Ze komt erin voor als de auteur van weer een ander verhaal dat in het hoofd van de verteller wordt losgewoeld, als een mozaïekvloer van een oude kerk, op de bodem van de zee. 'Verde Acqua', heet dat verhaal, groen als het water, 'La Radura' het verhaal waarmee het samen in een band onlangs door Einaudi werd heruitgegegeven - 'la radura', de open plek, zoals er zoveel te vinden zijn in de bossen van het hoogland van de Karst, achter Triëst, in Istrië.

Magris schrijft over die open plekken in het hoofdstuk in Microcosmi dat over de Nevoso gaat, de hoge berg in de bossen van de Karst. Een sluier van stof of van mist of een bosrand vormt er de grens waaruit schimmen opduiken, de grens tussen leven en dood. Een open plek in een bos op een berg wordt een orfeïsche onderwereld, de schrijver een muzikant, de pen een lier, de geschiedenis een ritueel.

Marisa Madieri was in Fiume geboren, een stad die sedert de Tweede Wereldoorlog Rijeka heet. Fiume is zo ongeveer de laatste plek op het schiereiland van Istrië - deels Kroatisch, deels Sloveens, tegenwoordig - waar het teken van San Marco nog her en der in de gevels en het stratenplan is terug te vinden, het teken van Venetië. Ze spoelde aan in Triëst, in die eerste naoorlogse jaren, toen Tito de Italiaanse minderheid van Istrië verzocht op te krassen of deed opsluiten in kampen waarvan de lugubere geschiedenis pas nu mondjesmaat aan het licht komt. De boekhandels van Triëst liggen vol bundels met herinneringen aan die tijd, opgeluisterd met foto's die het daglicht zomin verdragen kunnen als het oog de aanblik ervan.

'Nostalgie', noemt Magris dat soort boeken: voor de herontdekking van een Istrische identiteit, laat staan redentismo is geen grond. Er zijn slechts geschiedenissen, kleine kosmosjes - en er zijn schrijvers die er langs flaneren, al was het maar om ze in leven te houden.

Michaël Zeeman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden