Een aangekondigde dood

De meeste Fransen mogen enthousiast zijn over het uitzetten van Sloveense beren in de Pyreneeën, een deel van de montagnards denkt daar anders over....

De eerste jaren van je leven banjerde je nog onbezorgd door de bossen van Slovenië. Met honderden andere bruine beren. Je leerde je territorium kennen, wist waar je je eten kon vinden en waar het goed overwinteren was. Tot het voorjaar van 2006, toen je die Franse jagers tegenkwam. Die schoten je bewusteloos.

Je ontwaakte in een vrachtwagen in de Pyreneeën. Onder het oog van de tv-camera’s en goedkeurend applaus van Nelly Ollin, de minister van Ecologie, werd je losgelaten. Franse berenliefhebbers hadden via een internetstemming bepaald dat je voortaan Franska zou heten. Maar niet iedereen bleek blij. Mensen zetten potten met honing in het bos, gevuld met glasscherven.

Nu zoek je al een paar maanden je weg in de onbekende bergen, die zich uitstrekken van de Atlantische Oceaan tot de Middellandse Zee, een gebied waar niet meer dan pakweg vijftien van je soortgenoten zich bevinden. Wat je niet weet, is dat steeds meer bergbewoners zich boos maken over je komst.

Eerst waren het maar enkele honderden, maar nadat vorige week de rechters van de deftige Conseil d’Etat in Parijs hadden bepaald dat je ‘herintroductie’ in de Pyreneeën juridisch in orde was, kwamen afgelopen zaterdag maar liefst vijfduizend montagnards, bergbewoners, op de been. Dat was in Bagnères-de-Bigorre, het dorpje in de buurt van de Col du Tourmalet waar je Franse bestaan begon. En waar mensen zo vriendelijk waren de honingpotten weg te halen, voordat het bloed door je bek sijpelde.

Dat je er afgelopen zaterdag niet bij was, was eigenlijk maar beter ook. Als beetje slimme beer zou je zo maar hebben kunnen begrijpen wat je te wachten staat.

De afgedaalde bergbewoners hadden behalve schapen en ezels ook twee speelgoedberen meegebracht. Terwijl ze een oorverdovend kabaal maakten met hun schaapsbellen, hun vuurwerk, hun trommels en hun toeters, lachten ze om die ene beer, die hoog boven iedereen uit aan de vork van een tractor bungelde, met een touw om zijn nek. Grijnzend wezen ze ook naar die andere, metershoge beer, die op zijn buik een schietschijf geplakt had gekregen.

Ruw volk liep er rond, met verweerde koppen, alpinopetjes, bergschoenen en witte T-shirts met daarop ‘non à l’ours’, ‘nee tegen de beer’. Hun gezichten deden onweerstaanbaar denken aan de middeleeuwse boeren op de schilderijen van Jeroen Bosch.

Hun voorouders schoten al heel wat van je soortgenoten dood. De cijfers zijn veelzeggend: honderdvijftig bruine beren aan het begin van de vorige eeuw, nu nog maar vijftien. Ook al is het sinds 1962 strafbaar om jouw bedreigde soort dood te schieten, jagers doen het nog steeds. Van de drie beren die er tien jaar geleden werden losgelaten, legden er al twee het loodje.

Ook de laatste autochtone beer, Cannelle, wandelend met haar berenjong, overleefde twee jaar geleden een ontmoeting met een jager niet. Dat leidde tot een golf van verontwaardiging. Ter compensatie heeft minister Ollin nu het oog op jou en nog vier beren laten vallen. ‘De verdediging van de biodiversiteit vraagt de solidariteit van de hele mensheid’, schrijft ze in haar beleidsnotitie. Haar tegenstanders noemde ze onlangs ‘imbecielen’ en ‘ezels’.

In de stromende regen in Bagnères-de-Bigorre namen de redenaars die woorden als geuzennamen over. Niets mooiers dan beledigingen, want die versterken de onderlinge solidariteit en de verbetenheid. Sloveense beren horen in Slovenië, hoorde je er roepen. En: ‘Wij hoeven geen lesje biodiversiteit van een technocrate uit Parijs’. Tot doodschieten riep niemand direct op, maar maak je geen illusies: iedereen wist wat er werd bedoeld met de respectbetuigingen aan ‘onze voorouders’ en ‘onze tradities’. Luid applaus was er, toen iemand riep: ‘Er gaat hier een oorlog uitbreken’.

Wat de gewone demonstranten tegen elkaar zeiden, dat kan je al helemaal niet geruststellen. Luister maar.

‘Ik had voor deze demonstratie een bord in gedachten met de tekst: “Vrijgelaten beer, gelynchte beer”. Maar mijn collega’s vonden dat te ophitserig. Zo bedoelde ik het niet. Voor mij is het een trieste constatering. Ik vind dat we nu al duidelijk moeten maken, wat de consequentie is van nog meer beren in dit gebied. Dan wordt het straks geen verrassing.’

Stéphane Lessieux is een 39-jarige, hippieachtige man met een paardenstaartje, een kinderzitje op zijn rug en een zachte oogopslag. Vader van drie jonge kinderen en een biologische boer die op de Groenen stemt. Ooit was hij sociaal werker in de voorsteden van Parijs, maar hij verkoos een leven dichtbij de natuur. Tegen de beer heeft hij niets, zo benadrukt hij. ‘Vroeger dacht ik ook heel idealistisch dat de mens en de beer samen moeten kunnen leven. Maar wat nu gebeurt, is veel te gevaarlijk. Ze lopen ’s nachts en in de vroege ochtend door onze dorpen. Ik durf met mijn kinderen niet meer de bergen in.’

Om duidelijk te maken dat hij er niet als enige zo overdenkt, roept hij Pascal Alard; een beer van een kerel die zijn gezicht vervaarlijk zwart heeft gemaakt. ‘Mijn dochter van veertien wil deze zomer in de bergen kamperen. Dat is dus echt uitgesloten’, zegt hij beslist. Alard blijkt de baas van de toeristische trekpleisters van de Ariège; de kale, woeste streek waar een groepje beren naar toe is getrokken.

‘Ik denk dat ze helemaal geen gunstig effect op het toerisme hebben. Ten eerste horen de mensen de verhalen van de schade in de dorpen. Daardoor worden ze bang, we krijgen nu al afzeggingen binnen. Bovendien is de kans miniem dat de mensen die naar “het land van de beer” gaan, zoals de Pyreneeën nu worden genoemd, ze ook echt zullen zien. Ze zullen dus teleurgesteld zijn en niet terugkomen. Het is een slecht toeristisch product’, meent hij.

Biologische boer Lessieux valt hem bij. Zijn idealisme liet hij vorig jaar zomer varen, nadat een beer in zijn kudde had huisgehouden. Van zijn 160 schapen overleefden er twintig die aanslag niet. ‘De beer is geen vegetariër, zoals wel wordt beweerd. Dat heb ik toen zelf gezien. Hij at hun uiers en hun ingewanden op.’ Vijftien van zijn schapen schrokken zo dat ze spoorloos in de bergen verdwenen. Natuurlijk, Lessieux is voor die verliezen schadeloos gesteld. ‘Maar dit werk is mijn passie. Als ik het aantekenblokje van een verslaggever kapotmaak en hem daarna geld geef, dan is dat toch ook niet bevredigend voor hem?’

Op de achtergrond speelt de malaise onder de schapenboeren – ze voelen zichzelf een bedreigde soort. Er zijn nog zo’n vijfduizend bedrijfjes in de Pyreneeën, eenderde minder dan twintig jaar geleden. Ruim de helft van de schapenboeren is ouder dan 55 jaar. Opvolgers ontbreken, want hun zonen hebben geen zin in een zwaar bestaan voor een minimumloon. De angst voor concurrentie uit Australië en Nieuw-Zeeland komt daar nog bij. Vlees uit die landen ligt in de schappen van de supermarkten in de Pyreneeën. Woedend zijn de boeren daarover, maar ze kunnen alleen maar toekijken. ‘Dan stuurt de regering ook nog die beren op ons af. Dat is voor ons de druppel die de emmer doet overlopen’, zegt een van hen.

Natuurlijk heb je ook gepassioneerde medestanders. Neem de bioloog Alain Reynes, die al vijftien jaar voor jullie voortbestaan in de Pyreneeën strijdt.

‘Beren leven hier al duizenden jaren. Ik vind dat ik hun instandhouding niet hoef te rechtvaardigen. Het zijn de mensen die voor hun verdwijning zijn, die wat uit te leggen hebben. Wat zeggen die straks tegen hun kinderen en kleinkinderen?’, zegt de 37-jarige directeur van de milieuorganisatie Pays de l’Ours. Hij hanteert ook nog een mondiaal argument. ‘Als wij als rijke Europese landen niet in staat zijn onze biodiversiteit te beschermen, wat moeten we dan tegen Afrikaanse landen zeggen, als het gaat om de bescherming van olifanten, tijgers en leeuwen?’

De bezwaren van de boeren veegt hij razendsnel van tafel. Voor mensen is de beer geen reëel gevaar: de kans op een ontmoeting is miniem en voorzover het toch gebeurt, vlucht de beer in de meeste gevallen weg of toont hij zich ongeïnteresseerd. Dodelijke ongevallen hebben zich in de Pyreneeën al honderdvijftig jaar niet meer voorgedaan.

Ook voor dieren is het leed te overzien: van de 600 duizend schapen gaan er jaarlijks 20 duizend dood door oorzaken als bliksem, ziektes en zwerfhonden. De beer maakt zo’n tweehonderd beesten per jaar dood, dus 1 procent, zo rekent Reynes voor. ‘Als boeren hun kuddes behoorlijk met honden zouden beschermen, zouden ze jaarlijks meer schapen redden dan de beer dood maakt.’ Waarom dat niet gebeurt? ‘Ze willen het allemaal blijven doen, zoals ze het altijd al deden. Ze doen alsof de bergen hun eigendom zijn. Maar ze zijn van iedereen.’

Hij ziet in de beer een toeristische attractie, ‘ook al komen mensen hem niet tegen. Hij staat symbool voor het behoud van wilde natuur. Dat trekt mensen.’ De directrice van het Office de Tourisme van Bagnères-de-Bigorre, Louise Barrois, beaamt dat. ‘De mensen vinden het geweldig. Op de honderd reacties die ik krijg, tonen hooguit drie mensen zich ongerust.’ Hoe kan dat, zoveel enthousiasme als de kans zo klein is een beer te zien? ‘Het is een raadsel. Misschien heeft het iets te maken met de mythische kant van de beer, die we op school en via verhalen hebben meegekregen’, oppert zij.

De werkelijkheid is intussen rauw, de emoties lopen steeds hoger op. Wie gewone mensen op straat in Bagnères-de-Bigorre op de kwestie aanspreekt, krijgt vaak nul op het rekest. ‘Het ligt gevoelig’, zo weren velen af. Wie wel wil praten, toont veelal begrip voor de schapenboeren. ‘Iedereen hier kent er wel een paar, ze hebben het zwaar’, zegt de bejaarde Marie Despan.

De ‘pro-beer’-burgemeester van Bagnères-de-Bigorre, Roland Castells, kreeg dreigbrieven, waarin hij voor ‘nazi’ werd uitgemaakt. Een collega ontving zelfs doodsbedreigingen. Op advies van zijn gendarmes hield Castells zich zaterdag afzijdig. De 58-jarige accountant (‘Ik ben helemaal geen Groene’) is geschrokken over de volkswoede. Hij relativeert die (‘het zijn vijfduizend demonstranten op twee miljoen inwoners van de Pyreneeën’), maar pleit inmiddels wel voor ‘een moratorium’: de regering heeft nu twee beren losgelaten, de andere drie moeten maar even wachten. Het kernprobleem is volgens hem dat ‘alle angsten die mensen over hun toekomst hebben op de beer worden geprojecteerd’.

Die kan er niets aan doen, verzuchten voor- en tegenstanders. Zij voegen daar veelal een sombere voorspelling aan toe. De meeste Fransen mogen dan enthousiast zijn over je komst, dat beschermt je niet tegen de kogels van enkele boeren.

Veel geluk. Dat zul je hard nodig hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden