Een 6- voor Meertens

Het Meertens-instituut mag blijven. De commissie heeft haar morele oordeel over zijn naamgever geveld – tegen heug en meug, maar toch....

Terwijl de nieuwe canon met veel geraas over het land trok, verscheen in betrekkelijke stilte het rapport van drie historici over het oorlogsgedrag van P.J. Meertens. Spannender dan die canon met zijn vijftig historische evergreens en omslachtige pogingen om vooral niets te willen opleggen. En tegelijk zie je ook deze drie hoogleraren worstelen. Wie zijn zij om uit te maken of Meertens met een voldoende uit de oorlog was gekomen?

De volkskundige P.J. Meertens (1899-1985) kennen we als zijn alter ego meneer Beerta, beroemd geworden door de schrijver J.J. Voskuil. Meertens had het Amsterdamse ‘bureau voor dialectologie, naamkunde en volkskunde’ groot gemaakt, dat om die reden werd omgedoopt tot het Meertens Instituut. Vóór de Tweede Wereldoorlog leidde de Nederlandse volkskunde een slaperig bestaan. Maar in Hitler-Duitsland werd een grote rol toegekend aan de Kulturraumforschung als wetenschappelijk fundament voor Groot-Duitsland. Vanaf het begin van de bezetting was duidelijk dat ook de Nederlandse volkskunde haar vleugels kon gaan uitslaan. Interessant voor ambitieuze, wankelmoedige mensen als Meertens. En zoveel jaren na dato gevaarlijke materie: de onderzoekscommissie van de historici Von der Dunk, Houwink ten Cate en De Haan schrijven in hun nawoord dat zich ‘een nieuwe morele zuiveringsgolf’ lijkt te ontwikkelen, na decennia waarin ‘goed’ en ‘fout’ definitief vervangen leken door ‘grijs verleden’.

Toen vorig jaar de vraag opspeelde of de oorlogsdichter Jan Campert zuiver op de graat was geweest, schreef de historicus Hans Derks een brief. Hij suggereerde dat Meertens fout was geweest, en dat daarom zijn naam niet langer op de gevel van Het Bureau thuishoorde. De drie historici kauwden lang op de kwestie, en nu ligt er een goed geschreven en tamelijk uitputtend rapport. Tamelijk, omdat er grote gaten zitten in de Meertens-archivalia.

Toen de oorlog begon, werkte Piet Meertens bij de Volkskundecommissie. Zijn directe baas was Jan de Vries, die grote sympathie koesterde voor ‘de nieuwe orde’, en zich in 1943 aanmeldde voor de Germaanse SS. De Vries deed zijn best om, aangemoedigd door de Duitsers, een Rijksinstituut voor Nederlandsche Taal en Volkskultuur op te richten. Meertens kreeg salarisverhoging, en onderhield allerlei contacten met hooggeplaatste Duitsers, waarna de bevestiging volgde dat het nieuwe bureau ‘ausschliesslich unter Leitung von Herrn Meertens’ zou komen. En toen was de oorlog afgelopen.

Hoe scheef was de schaats van Meertens? De commissie vindt dat hij niet ‘fout’ was – hij was geen lid geweest van de NSB en had niemand verraden. Wel menen de drie historici dat Meertens zich ‘minder loffelijk heeft gedragen dan daarna wel is voorgesteld’. Al bij al hoeft het P.J. Meertens Instituut niet op zoek naar een nieuwe naam. Naamsveranderingen zijn immers vaak de neerslag van ‘de waan van de dag, om tegemoet te komen aan vigerende politieke of morele opvattingen’.

En daarmee zijn we terug bij de intrigerende verwijzing naar een ‘nieuwe morele zuiveringsgolf’. De commissie noemt Jan Campert en Debye, de wetenschapper wiens naam wél recentelijk van een universiteitsgevel is geschroefd. Ze had ook de vertegenwoordigers van die nieuwe golf kunnen noemen: bijvoorbeeld Tomas Ross, Paul Verhoeven, Nanda van der Zee of Conny Braam, – schrijvers of filmers, liefhebberende historici of professionals die buiten de wereld staan van de gevestigde hoogleraren – net als Hans Derks, die de Meertens-affaire oprakelde.

De commissie had het er zichtbaar moeilijk mee. Historici willen niet meer oordelen. De nieuwe directeur van het Niod, Marjan Schwegman, liet weten dat ze de geschiedschrijving van WO II nog verder wil nuanceren. Nog meer grijs, maar het volk wil anders. Zo kwam een innerlijk strijdig vonnis tot stand – Meertens had zich niet voorbeeldig gedragen, maar het instituut kan zijn naam blijven dragen omdat morele oordelen niet moeten worden teruggeprojecteerd.

Lijdt die canon van Frits van Oostrom niet aan een euvel dat daar op lijkt? Ook de druk om vast te leggen wat de essentie van de Nederlandse geschiedenis is, kwam van buiten. Historici hadden er geen behoefte aan. Van Oostrom was als de dood om de canon te zien als spiegel van onze nationale identiteit. Nu wij een multiculturele samenleving zijn, is oordelen uitsluiten. Die canon is een voorstel, in godsnaam geen voorschrift. Van Oostrom moest al zijn literaire vaardigheden uit de kast halen om die stelling overeind te houden. De canon is ‘een venster’, een ‘blikvanger’, bestaat uit ‘stapstenen in de delta van de cultuurgeschiedenis’.

Allemaal goed en wel, maar je kunt die vijftig canonieke hoogtepunten zo in de klas naast de wandplaten van Isings hangen. Er is nauwelijks verschil. In Isings’ tijd waren er wel oordelen, grootse daden en morele afgronden. En er was een Nederlandse identiteit. Het verschil is dat er nu omheen wordt gedraaid. Het ziet ernaar uit dat de geschiedenis bezig is een oude bedding terug te vinden – voorbeeld en waarschuwing. Huizinga schreef het al: geschiedenis is de manier waarop een cultuur zich rekenschap geeft van het verleden. Rekenschap, een mooi woord. En een betere definitie dan die afgekloven discussie zonder eind.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden