Edelsteen in het luchtledige

De presentatie van Damien Hirsts schitterschedel – in een aparte, verduisterde ruimte in het Rijksmuseum – was exemplarisch voor het beeldende kunstjaar 2008....

2008 zou achteraf wel eens een cruciaal jaar kunnen zijn geweest voor de beeldende kunsten in Nederland. Cruciaal omdat een aantal factoren bij elkaar kwam, wat redelijk uniek is te noemen: de zoveelste notie dat er een einde komt aan de vanzelfsprekende subsidiëring van de Nederlandse kunstwereld; het ontstaan van haarscheurtjes in de sponsoring door bedrijven en particulieren dankzij de economische crisis; een wisseling van museumdirecteuren en de definitieve acceptatie van het museum als tentoonstellingsfabriek.

Om met het laatste te beginnen. Wat links en rechts al gaande was, wordt nu over een grotere linie bestendigd: het tentoonstellingsbeleid in Nederland onttrekt zich aan enige herkenbare, historische onderbouwing. Niet voor niets neemt directeur Wim van Krimpen per 1 januari aanstaande goedlachs afscheid van het Gemeentemuseum in Den Haag. Hij verkeert immers in de wetenschap dat zijn Kunsthal-model als een inktvlek over Nederland is uitgevloeid.

De Nederlandse musea zijn over de volle breedte overgegaan tot het organiseren van exposities die een flinterdunne relatie hebben met hun collectie en die vooral zijn bedacht om de aandacht van het publiek te trekken. Veel van wat de musea dit jaar hebben laten zien is niet voortgekomen uit een programmatische opzet, maar moest fungeren als blikvanger. Met als schijnbaar belangrijkste voorwaarde dat de gekozen kunstenaars en onderwerpen attractief zijn, het publiek onderdompelen in een warm bad van herkenning, van een aangename verwarring, van exotisme. Overigens zonder dat duidelijk wordt wat het verschil is tussen de musea in Rotterdam, Groningen, Amsterdam of Den Haag. Om een greep uit het aanbod van 2008 te doen: Vroege Hollanders, Yayoi Kusama en Charley Toorop in Museum Boijmans van Beuningen; Andy Warhol, 60 Years Magnum Photos en de keuze van Okwui Enwezor voor feelgoodfotografie uit Afrika in het Stedelijk Museum; Ai Weiwei, de prerafaëliet J.W. Waterhouse en Russische Sprookjes in Groningen; Sandro Chia, Lucian Freud en de gebroeders Oyens in het Gemeentemuseum. Een aanbod dat volstrekt inwisselbaar is. En in elke stad tentoongesteld kon worden.

Reden alleen al om het beleid van het Van Abbemuseum in Eindhoven, wat je ook op de afzonderlijke exposities kunt afdingen, het voordeel van de twijfel te geven. Tentoonstellingen als Be[com]ing Dutch en Heartland en dragen in elk geval een duidelijk signatuur. De eerste (gefinancierd door de Mondriaan Stichting) beoogde de multiculturele verscheidenheid van Nederland in beeld te brengen, de andere het vergeten gebied tussen het Oosten en Westen van de Verenigde Staten. Het Van Abbe mag dan af en toe op een links georiënteerd buurthuis lijken, directeur Charles Esche geeft wel blijk van enige consistentie, die je bij zijn collegae node mist. Veel van het elders getoonde hing dit jaar als los zand aan elkaar.

Het meest in het oog springend daarbij waren de plannen voor het nieuw op te zetten Nationaal Historisch Museum in Arnhem en de mediagenieke presentatie van Damien Hirsts For the Love of God, de met 8601 diamanten ingelegde schedel, in het Rijksmuseum. Wie de tentoonstelling in Amsterdam heeft bezocht, zal nooit precies beseffen wat hij in feite heeft gezien. Was dit nou het werk dat het onderscheid tussen leven en dood zou slechten, dé bezinning over de betrekkelijkheid van het aardse bestaan? Of was het een fetisj van het hedendaagse kunstenaarschap: het bewijs dat de kunstenaar een mediator is geworden, een scenarist, de baas van een perfect geoliede pr-machinerie? Losgerukt uit de tijd zweefde de schedel als een stralende edelsteen in het luchtledige van mogelijke artistieke motieven, vermeende historische verbanden, bestaande publieke sentimenten, toekomstige museale strategieën en bewezen economische wetmatigheden.

Onduidelijk bleef waarom dit dure kleinood van 65 miljoen euro nu juist in het Rijksmuseum tentoongesteld moest worden. Doel was natuurlijk om van Hirst een eigentijds kunstenaar te maken met historische banden; en van het museum een plaats waar oude door nieuwe kunst werd geactualiseerd. Maar de vitrine met schedel leek in het spotlicht nog het meest op een uitgestald Swarovski kristal. En de tentoonstelling die Hirst zelf uit de collectie van het Rijks ter aanvulling van zijn doodshoofd had samengesteld, met 17de-eeuwse vanitas-schilderijen, was een halfslachtige poging om zijn hedendaagse kunstwerk van historische referenties te voorzien.

Toch is de schedel het ultieme voorbeeld van de wijze waarop een museum tegenwoordig met een enkel kunstwerk om kan springen. De skull was feitelijk niet meer dan een gelegenheidswerk, gepresenteerd ter meerdere eer en glorie van Hirst en het museum zelf. Voor het Rijks was het belangrijk dat het museum tijdens de verbouwingsperikelen (lees: grote consternatie over de aanbesteding) niet vergeten werd, en het publiek zou blijven komen. Voor Hirst was de presentatie op een andere manier interessant: de schedel waarvoor nog geen koper zich had aangediend, zou in de toekomst aantrekkelijker worden, omdat het eens in een museum was geëxposeerd. Hoe de historische link tussen Neêrlands belangrijkste bolwerk van de Gouden Eeuw en de schedel precies lag was daarbij van ondergeschikt belang.

Vergelijkbaar zijn de plannen rond het Nationaal Historisch Museum. Het idee om daarvoor de canon van de geschiedenis te gebruiken, zoals opgesteld door de Commissie Van Oostrum, werd onlangs losgelaten. In plaats van de vijftig voorgestelde, thematische ‘vensters’ van Frits van Oostrum, stelden de twee directeuren Valentijn Byvanck en Erik Schilp vijf eigen thema’s centraal, zoals ‘ik en wij’, ‘lichaam en geest’ en ‘rijk en arm’. Thema’s die in willekeurig welk land ter wereld van toepassing kunnen zijn, en die een gebrek tonen aan historische samenhang en een ‘chronologisch raamwerk’, zoals oud-museumdirecteur Henk van Os onlangs in NRC Handelsblad constateerde.

Toch zal de kritiek van Van Os niet meer dan een achterhoedegevecht zijn. De koers die Wim Pijbes (Rijksmuseum), Byvanck en Schilp, en zoveel andere directeuren voor ogen hebben, betekent het einde van het historisch besef, van de chronologie en daardoor van de genealogie van kunst. Van ondergeschikt belang is hoe een kunstwerk in de geschiedenis is ontstaan, onder welke omstandigheden, met welke artistieke intenties en in welke maatschappelijke context.

Wat voor het tentoonstellingsbeleid geldt, geldt ook voor het museumbedrijf zelf: de historiciteit van het personeelsbestand is verdwenen. Afgaande op de directeursbenoemingen van het afgelopen jaar kent de personele bezetting geen genealogische structuur meer. Wie in het museum wordt opgeleid en onder bepaalde directeuren heeft gewerkt, zal niet langer na verloop van een aantal dienstjaren automatisch op de bovenste trede geraken.

[Zie verder pagina K08]

Een hoog blingblingniveau

Een hoog blingblingniveau
[Vervolg van pagina K07]

Een hoog blingblingniveau
Iedereen die in Nederland directeur wil worden van een prestigieus museum doet er beter aan níet alvast in dat (of verwant) museum te gaan werken. Conservatoren van het Stedelijk, Boijmans, Bonnefanten, Gemeentemuseum en Groninger Museum die al jaren worden beschouwd als kandidaten voor een directeurspost, worden gepasseerd door relatieve nieuwkomers en jongere buitenstaanders met een zeer gemêleerde achtergrond. De recent benoemde directeur van het Mauritshuis, Emilie Gordenker, was inkoper van een warenhuis; Erik Schilp poseerde voor Levi’s; Wim Weijland van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden bestierde jarenlang de afdeling Kunst en Cultuur van de AVRO.

Een hoog blingblingniveau
Een kunsthistoricus als museumdirecteur is een gepasseerd idee. Ideeën moeten van buiten komen, uit een onverwachte hoek; niet uit geschiedenisboeken of bestaande kunsttheorieën. Gedegen kunsthistorische kennis is niet langer een must; gebrek eraan zelfs geen bezwaar. Belangrijker is hoe een museum aantrekkelijker wordt gemaakt voor een breed publiek. Daarbij mag elk middel gebruikt worden, zelfs als die ten koste gaat van het tentoongestelde werk. Wim Pijbes bewees het begin dit jaar nog met een enkel op het effect samengestelde tentoonstelling over de 17de-eeuwse schilderkunst. De lawaaierige show, getiteld Thuis in de Gouden Eeuw, waarbij schilderijen tegen fotobehang en onder luidsprekers hingen, was geen reden hem alsnog terug te fluiten als (toen nog beoogd) directeur van het Rijksmuseum. Het is net als bij voetbalcoaches: slechte prestaties uit het verleden zijn geen beletsel voor de toekomst.

Een hoog blingblingniveau
Ook anders dan voorheen liet 2008 een drastische kentering zien in de kunstfinanciering. Zeker, begin dit jaar werd voor de zoveelste keer geagendeerd dat de ‘kunstsector moet verzakelijken’, zoals de Commissie Cultuurprofijt liet weten. De onzekerheid dat alleen ‘vadertje staat’ de productie en het tentoonstellen van kunst zou bekostigen is op zich niet nieuw. Kunstenaars en kunstinstellingen moeten hun eigen broek ophouden, is het devies. Met als bijkomend advies dat de kunstwereld meer zijn toevlucht moeten nemen tot andere financiers, buiten de overheid.

Een hoog blingblingniveau
Maar door de economische crisis blijken ook die andere financiers een te kwetsbare basis te vormen om de kunstwereld te ondersteunen. Aanvankelijk waren de geluiden optimistisch. Op veilingen werd begin dit jaar nog veel verhandeld. Galeries ontwikkelden hun eigen Kunstkoopregeling. De kunst- en antiekbeurzen Tefaf en Art Amsterdam maakten zich geen zorgen. Banken en bedrijven konden altijd nog, hoewel soms moeizaam, worden overgehaald exposities te steunen.

Een hoog blingblingniveau
Dat gaat de laatste maanden moeizamer. Op PAN Amsterdam, de eigentijdse kunst- en antiekbeurs, speelden verzamelaars op safe: ze kochten minder experimentele kunst en minder werk uit de hoogste prijsklasse. De veiling van de Stuyvesantcollectie in Amsterdam, New York, Milaan en Parijs werd tot volgend jaar uitgesteld. Het VSB-fonds, de grootste particuliere geldschieter, kondigde aan om donaties aan de kunst te halveren. De steun van particuliere instellingen blijkt even onstabiel te zijn als die van de overheid.

Een hoog blingblingniveau
Die financiële onzekerheid kan wel eens een doorslaggevend zijn in de ontwikkeling van nieuw museumbeleid. Tel de afnemende subsidiegelden op bij de museale afhankelijkheid van bezoekersaantallen en incidentele sponsoring. Tel de nieuwe generatie museumdirecteuren op bij de hang naar achronologische tentoonstellingen. Dan rolt er een verwachting uit dat musea zich in de toekomst meer gaan richten op een ad hoc expositieprogramma, op presentaties van een hoog blingblingniveau, ter verpozing van het publiek – en niet onbelangrijk: ten koste van de historische verankering van de kunst. Hoe onomkeerbaar zal deze ontwikkeling zijn?

Een hoog blingblingniveau
Niet vaak zijn in een jaar zoveel verschillende factoren bij elkaar gekomen. 2008 is een bijzonder jaar geweest. En mogelijk een memorabel omslagpunt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden