'Economische groei moet niet de enige maatstaf zijn'

Martha Nussbaum is een filosoof voor gewone mensen. Ze komt op voor de achtergestelde groepen. Welvaart is iets anders dan menselijke ontwikkeling, leerde ze van reizen in haar favoriete land India. 'Dat is een laboratorium voor mijn filosofische opvattingen.'

De 65-jarige filosoof Martha Nussbaum ziet er afgetraind uit, een power girl in een oogverblindend kort paars jurkje. Nussbaum is een fitnessfanaat, die in conditie blijft om een moordend werkschema vol te houden. Ze schrijft bijna elk jaar een boek, ze trekt de wereld rond om haar boodschap te verkondigen, met een enorme gedrevenheid. 'Ik ben blij dat ik in een land woon waar je niet verplicht met pensioen hoeft', zegt ze.


Bloedserieus beitelt ze haar zinnen, zonder een spoor van twijfel. Een feministische liberal, hoogleraar recht en ethiek aan de Universiteit van Chicago, de stad van Barack Obama, voor wie ze ook campagne voerde. Ze is even in Amsterdam voor de promotie van haar nieuwe boek Mogelijkheden scheppen, een pleidooi voor een andere benadering van ontwikkelingshulp.


Nussbaum wordt gezien als een van de grootste levende filosofen van de Verenigde Staten. Ze heeft veel geschreven over de filosofie van emoties. Anders dan sommige rationele filosofen geloven, zijn emoties geen willekeurige gevoelens die ons stuurloos en afhankelijk maken, aldus Nussbaum. Emoties weerspiegelen wat we belangrijk vinden.


Mogelijkheden scheppen past in een andere, meer activistische lijn in haar werk. Nussbaum heeft een hekel aan filosofie die alleen begrijpelijk is voor een selecte kring van intellectuelen, naar eigen zeggen als reactie op een elitaire opvoeding als kind van een welgestelde advocaat aan de Amerikaanse Oostkust. Ze wil relevant zijn, vooral voor achtergestelde groepen als vrouwen, armen en homo's. Al in de jaren tachtig werkte ze met de Indiase econoom en latere Nobelprijswinnaar Amartya Sen aan een andere manier om naar ontwikkeling te kijken. Hun 'vermogensbenadering' was minder gericht op economische groei, en meer op de ontwikkeling van de vermogens - capabilities - van individuele burgers. Mogelijkheden scheppen is een verdere uitwerking van deze aanpak.


Vaak komt economische groei helemaal niet ten goede aan gewone burgers in arme landen, maar aan buitenlandse investeerders en de lokale elite, aldus Nussbaum. Belangrijker dan een eenzijdige economische ontwikkeling is de 'menselijke ontwikkeling'. Hebben individuen een behoorlijke levensverwachting? Kunnen ze naar school? Hebben ze vrijheid van godsdienst en meningsuiting? Kunnen ze zich beschermen tegen (seksueel en huiselijk) geweld? In haar boek formuleert Nussbaum tien van zulke vermogens, die ook gemeten kunnen worden, waardoor de menselijke ontwikkeling van een land in kaart gebracht kan worden.


'Vaak is gedacht: als er economische groei is, sijpelt die naar beneden door. Dan komen de andere dingen die we belangrijk vinden vanzelf. Maar dat is niet zo. Kijk naar landen als China en Singapore: economische groei leidt niet automatisch tot vrijheid van godsdienst en meningsuiting.' Zelf gaat ze elk jaar naar India, een interessant land voor vergelijkend onderzoek, omdat deelstaten hun eigen beleid kunnen voeren. 'In sommige deelstaten groeit de economie zonder dat het onderwijs en de gezondheidszorg verbetert, in andere deelstaten zijn onderwijs en zorg verbeterd zonder dat de economie groeit.'


Hoewel het economische denken nog altijd dominant is, heeft het werk van Nussbaum en Sen een grote invloed. Zo werden hun ideeën deels overgenomen in de Human Development Index van de Verenigde Naties, een index die niet alleen naar inkomen kijkt, maar ook naar levensverwachting en onderwijs. Ook hieruit blijkt dat welvaart iets anders is dan menselijke ontwikkeling. De Verenigde Staten zijn het rijkste land ter wereld, maar staan pas op de twaalfde plaats op de ranglijst van menselijke ontwikkeling.


Het is duidelijk dat economische groei niet vanzelf naar beneden sijpelt. Anderzijds is het moeilijk voorstelbaar dat arme landen zich kunnen ontwikkelen zonder economische groei, zeker op wat langere termijn.

'Ik heb ook niets tegen economische groei. Waartegen ik protesteer is dat economische groei de enige maatstaf is.'


Is het bevorderen van de vermogens van individuele burgers niet veel lastiger dan het bevorderen van economische groei?

'Het is in elk geval moeilijker te meten. Mensen meten nu eenmaal graag dingen die gemakkelijk te meten zijn, zoals het bruto nationaal product.'


De economie kun je stimuleren met macro-economische maatregelen. Als je de vermogens van individuen wilt vergroten, moet je veel sterker in hun privéleven ingrijpen. Als je de positie van vrouwen wilt verbeteren, moet je vaak strijden tegen lokale tradities en paternalistische religies.

'Je richt je op de burgers zelf, en hun strijd voor een beter leven. In veel landen is de regering corrupt. Dan kun je beter geld geven aan non-gouvernementele organisaties (ngo's) die fatsoenlijke projecten uitvoeren. Er zijn goede activisten die ook echt vooruitgang boeken. In India, het land dat ik zelf het beste ken, heb je bijvoorbeeld de Self-Employed Women's Association (SEWA). Ze hebben een programma voor microkredieten aan vrouwen, ze geven onderwijs, ze bieden kinderopvang, ze stimuleren de politieke bewustwording van vrouwen.'


Mogelijkheden scheppen begint met het verhaal van Vasanti, een vrouw van begin dertig uit de Indiase deelstaat Gujarat. Haar man was verslaafd aan drank en gokken. Toen het huishoudgeld op was, liet hij zich steriliseren om de bonus op te strijken die de regering van Gujarat hiervoor uitkeerde, in het kader van een programma om de bevolkingsgroei te beteugelen. Hierdoor kwam Vasanti nog meer alleen te staan, omdat ze geen kinderen had om haar te helpen. Toen haar man haar steeds vaker mishandelde, keerde ze terug naar haar familie, berooid, zonder werk en huisvesting.


De Self-Employed Women's Association gaf haar een microkrediet, waarmee ze een bedrijfje in naaiwerk kon opzetten. Ze kreeg scholing, werd politiek bewust en begon een actie tegen huiselijk geweld. De bijdrage van Vasanti aan het bruto nationaal product van India is uiterst bescheiden. In menselijk opzicht heeft ze echter een enorme ontwikkeling doorgemaakt.


De vermogensbenadering draait echter niet om het subjectieve welzijn van vrouwen als Vasanti. Geluk is een dubieuze maatstaf, vindt Nussbaum. Ze ziet er ook niets in het bruto nationaal product te vervangen door een bruto nationaal geluk, zoals sommige denkers voorstellen. In arme landen leren veel mensen leven met hun tweede rangsstatus door zichzelf wijs te maken dat ze het helemaal nog niet zo gek hebben getroffen. Het heeft weinig zin te streven naar zaken die onbereikbaar lijken of waarvan iemand zich niet eens bewust is. Vasanti was helemaal niet ontevreden over haar ongeletterdheid of haar uitsluiting van politieke participatie, totdat ze de activisten van de SEWA tegenkwam.


India is een belangrijke inspiratiebron voor Martha Nussbaum. Toen ze over vrouwen en ontwikkeling schreef, merkte ze dat feministische onderzoekers vaak te hooi en te gras voorbeelden uit China, Iran en andere derdewereldlanden gebruikten, zonder diepgaande kennis van die landen. Daarom wilde ze ten minste één niet-westerse samenleving goed leren kennen. Ze raakte gefascineerd door India, mede vanwege haar samenwerking met Amartya Sen.


'India is een laboratorium voor mijn filosofische opvattingen', zegt ze. 'Ik zie er de kwesties waarvoor mensen vechten. India verschaft me een waardevol tegenwicht voor de exclusieve nadruk op de westerse samenleving, maar ook een tegenwicht voor de simplistische stereotiepen over de derde wereld. Ik heb er een hekel aan als mensen zeggen: o, die primitieve mensen, geen wonder dat ze zo veel problemen hebben. Worden vrouwen in India zo vaak mishandeld? Wel, zeg ik dan, uit onderzoek is gebleken dat 18 procent van de Amerikaanse vrouwen ooit is verkracht, meestal door een bekende.'


Natuurlijk zijn Amerikaanse vrouwen beter af dan Indiase. Maar Nussbaum verzet zich tegen een zwart-witbeeld: ook Amerika heeft zijn problemen, terwijl India op talloze punten spectaculaire vooruitgang boekt.


'India heeft zo veel vruchtbare ideeën, heeft zo veel dingen goed gedaan. Als filosoof heb ik twee grote helden, John Stuart Mill en Jawaharlal Nehru, de eerste premier van India. Nehru was strikt genomen geen filosoof, maar wel een denker over politiek en democratie. Hij had een diepzinnige visie op menselijke wezens, een gevoel voor hoe je je moet gedragen als leider, als je een natie wilt leiden uit een enorme armoede en ongelijkheid. Door Nehru's integriteit en onbaatzuchtigheid leidde hij de natie op een manier waardoor gewone burgers het vertrouwen kregen dat de India voor iedereen was. Je kunt die erfenis tot op de dag van vandaag zien. Ik bracht ooit een bezoek aan Sonia Gandhi. In de antichambre zag je mensen van alle sociale klassen op simpele rieten stoelen op een kale vloer.'


De familie Gandhi heeft zichzelf toch ook behoorlijk bevoordeeld.

'Dat klopt, dat is niet goed. Het is begonnen met Nehru's dochter, Indira Gandhi, die haar eigen zoons meer vertrouwde dan anderen. Maar Nehru zelf was een groot leider die India vanuit een toestand van onderhorigheid naar zelfvertrouwen en democratie leidde. Dat is ook de bron van het verschil tussen India en Pakistan. India is een bloeiende democratie, hoeveel problemen het ook heeft, Pakistan is een verschrikkelijke chaos. Volgens mij komt dat door de persoonlijkheid van de leiders.'


Volgens veel mensen zit het verschil eerder in het feit dat Pakistan een moslimstaat is.

'Er wonen meer moslims in India dan in Pakistan. Het verschil zit in Mohammed Jinnah, de stichter van Pakistan. Hij interesseerde zich totaal niet voor de armen. In Richard Attenborough's film Gandhi zit een veelzeggend en correct portret van Jinnah. Als Gandhi zijn eerste grote toespraak houdt over de armen in India, zit Jinnah er diep verveeld bij, in zijn elegante Harris tweedjasje en zijn onberispelijke kapsel. Hij gaf het voorbeeld: de rijken zorgen voor zichzelf en geven niets om de armen.


'Dat verschil was heel vroeg zichtbaar. Als mijn Indiase vrienden iets zien dat ze pronkzuchtig of overdreven luxueus vinden, zeggen ze: dat is typisch iets dat je in Pakistan zou zien. Toen ze me thuis bezochten, zeiden ze dat zelfs van mijn meubels. Toen ik zei dat ik ze van mijn grootmoeder had gekregen, vonden ze het goed. Ik hoefde ze ook weer niet in stukken te zagen.


'Vanaf het begin was het onderwijs in Pakistan vreselijk. Wat gebeurt er dan: conservatieve geestelijken gingen koranscholen stichten. Vaak waren dat de enige plaatsen waar je onderwijs kon krijgen. Daardoor is een deel van de bevolking geradicaliseerd. Maar dat zegt niets over 'de' islam, alleen over een bepaalde sekte binnen de islam. Kijk naar Bangladesh, dat oorspronkelijk bij Pakistan hoorde. Dat land is heel arm, maar de regering heeft een veel progressievere koers gevolgd op het gebied van armoedebestrijding en onderwijs.'


Maar in de Indiase samenleving is toch ook heel veel ongelijkheid?

'Natuurlijk, maar veel minder dan vroeger. Nu kan 60 procent van de mensen lezen en schrijven, ten tijde van de onafhankelijkheid in 1948 was dat maar 20 procent. Het onderwijs had overigens beter aangepakt kunnen worden. De corruptie in staatsscholen is een groot probleem. Daarom sturen ambitieuze mensen hun kinderen naar privéscholen, zelfs mensen die tamelijk arm zijn. Maar ook de goedkoopste privéscholen doen het beter dan de staatsscholen, waar de vakbonden zo sterk zijn dat leraren nauwelijks iets uitvoeren.'


In Mogelijkheden scheppen ligt de nadruk op armere landen, maar de vermogensbenadering is even goed van toepassing op het rijke Westen. In feite zijn 'alle landen ontwikkelingslanden', aldus Nussbaum. Ook in het Westen valt nog veel te verbeteren. Sommige mensen zijn onvoldoende in staat om volwaardig aan de samenleving deel te nemen, bijvoorbeeld door een lichamelijke en geestelijke handicap. In dat geval moet de overheid zich inspannen om hun vermogens op peil te brengen.


'Uiteindelijk moet iedereen op de hele wereld boven een bepaalde drempel uitkomen. De Verenigde Staten kennen veel huiselijk geweld. Gelijke toegang tot de gezondheidszorg, daar scoren de VS als een van de slechtste landen. De levensverwachting in Harlem in New York is even hoog als die in de Indiase deelstaat Kerala.'


Is er ook een grens aan het bevorderen van vermogens? De staat is geen geluksmachine, zei de Nederlandse premier Rutte.

'Nee, geluk is afhankelijk van je eigen ideeën over geluk. Die zijn voor iedereen verschillend. De overheid moet alleen zorgen voor de basisvoorwaarden. Die moet je mensen geven, verder moeten mensen het zelf doen.'


Hoe ver moet de overheid daarin gaan?

'Tamelijk ver. Als je de ongelijkheid in het onderwijs wilt corrigeren, moet je heel jong beginnen, nog voor de kleuterschool. Mijn collega James Heckman, Nobelprijswinnaar economie, heeft dat aangetoond. Het hoeft niet eens zo duur te zijn. Als je de criminaliteit daardoor kunt terugdringen, bespaar je enorm op de sociale kosten van de misdaad en de kosten voor het gevangeniswezen.'


Maar is dat echt aangetoond? Ik ken ook veel onderzoek waaruit blijkt dat voorschoolse educatie helemaal niet zo effectief is.

'Het is aangetoond, natuurlijk voor kleine groepen. Je kunt geen experimenten doen met de hele bevolking. Maar je moet geen oppervlakkige projecten doen, je moet echt tot die gezinnen en hun omgeving doordringen, op heel jonge leeftijd. Daarbij moet je niet alleen de cognitieve vaardigheden aanpakken, maar ook de emotionele, zoals aandacht, toewijding en doorzettingsvermogen.'


Maar worden mensen niet afhankelijk van de verzorgingsstaat, als je zo diep in hun leven doordringt?

'We zijn het er toch over eens dat mensen niet behoren te vechten voor een behoorlijke startpositie in het leven? De meeste mensen zien dat ook en bereiden hun kinderen voor op de samenleving, als liefhebbende ouders. Maar als het om andermans kinderen gaat, die een veel slechtere uitgangspositie hebben, wordt er opeens gezegd: ze worden afhankelijk van welfare. Ik geloof daar niet in.'


CV

1947 geboren in New York


1969 bachelor in theaterwetenschap en klassieke talen


1972 master in de filosofie aan Harvard


1975 gepromoveerd aan Harvard, getrouwd met Alan Nussbaum, bekeerd tot jodendom, daarna docent aan Harvard, Brown en Oxford


1986-1993 onderzoeksadviseur bij World Institute of Development Economics Research, werkte samen met econoom Amartya Sen


1987 gescheiden van Alan Nussbaum


1995 hoogleraar recht en ethiek in Chicago


Mogelijkheden scheppen. Een nieuwe benadering van de menselijke ontwikkeling. Uitgeverij Ambo. 22,50 euro.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden