Economen

Rick van der Ploeg, lid van de Tweede Kamer voor de PvdA, en Eduard Bomhoff, hoogleraar aan de Universiteit Nijenrode, delen opmerkelijk weinig voorkeuren in hun economen-Top-10....

Rick van der Ploeg

1. Aristoteles. De 'Nicomachean Ethics' bevat de eerste economische analyse van grensnut en substitutie tussen verschillende consumptiegoederen.

2. David Ricardo. Portugees-Nederlandse koopman die, na het vergaren van zijn fortuin, zich richtte op politieke economie. Grondlegger van internationale vrijhandel. Het prinicipe 'schoenmaker houd je bij je leest' verklaart dat wij voordeel hebben van handel met landen die geen enkel produkt efficiënter kunnen produceren dan wij. Omgekeerd is handel met lage-lonenlanden voordelig voor ons. Ricardo analyseerde als eerste de stelling dat verlaging van de belastingen door uitgifte van staatsschuld geen stimulans voor de economie is. Burgers sparen namelijk omdat ze zich realiseren dat de belastingen in de toekomst omhoog moeten om aan rente en aflossing te voldoen. De huidige nadruk op het financieringstekort is volgens deze visie moeilijk te begrijpen.

3. John Maynard Keynes (Cambridge, Verenigd Koninkrijk). Peetvader van de kunsten, met name ballet, theater en de Bloomsbury groep. Daarnaast een uitstekend en effectief polemist. Grondlegger van Bretton Woods. Legde uit dat reparatiebetalingen aan Duitsland ook in het belang van geallieerden was. Volgens Keynes moet de overheid met een monetaire en/of budgettaire expansie de economie opkrikken en conjuncturele werkloosheid bestrijden in plaats van te wachten tot lonen voldoende gedaald zijn: 'Op lange termijn zijn we allemaal dood'.

4. Friedrich von Hayek. Het is een wonder dat het aanbod van duizenden verschillende produkten zo verschrikkelijk goed aansluit bij de vraag van miljoenen burgers. De markt werkt zo goed omdat prijzen zeer efficiënte signalen zijn van schaarste en overvloed. Centrale besturing werkt niet omdat de benodigde informatie simpelweg niet te verzamelen en te verwerken is - zie de miserabele ervaringen met commando-economie in de voormalige Sovjet-Unie.

5. Joan Robinson (Cambridge, VK). Fantastische linkse econome op leeftijd in hippie-jurken en met een vlijmscherpe tong. Altijd de uitgangspunten, niet de conclusies ter discussie stellen. Volledige mededinging en dus een goede marktwerking zijn een illusie. Omdat grotere bedrijven tegen lagere kosten kunnen produceren, wordt de economie gekenmerkt door monopolistische mededinging. Elke producent differentieert zijn produkt van dat van de concurrent om zo een niche in de markt te kunnen bevechten.

6. John Kenneth Galbraith (Harvard, Cambridge, Verenigde Staten). Literair talent. Zeer invloedrijk, maar niet onder vakgenoten. Niet eigenaars maar technocratische elite van multinationals maken de dienst uit. Bewogen pleidooi tegen de cultuur van de tevreden meerderheid. Naast de markt is er altijd een stevige rol voor de overheid.

7. Gary Becker (Chicago). Rationale onderbouwing van waarom mensen sex bedrijven, kinderen krijgen, misdaad plegen, enz. Invloedrijke toepassingen van economie op niet-economische onderwerpen.

8. Richard Stone (Cambridge, VK). Grondlegger van het Systeem van Nationale Rekeningen voor de Verenigde Naties. Dit maakt empirische toetsing van veel economische hypotheses mogelijk. Pionierswerk op het gebied van de verklaring van het gedrag van consumenten. Mede-begeleider van mijn eigen proefschrift.

9. George Akerlof (Berkeley). Combineert economie en sociologie. Gebrekkige informatie is een belangrijke reden waarom markten falen. Tweedehandsauto's met verborgen gebreken ('citroenen') verdrijven auto's zonder gebreken, omdat de klant niet zeker weet of hij met een goede of slechte auto te maken heeft. Dezelfde analyse verklaart waarom de privatisering van de sociale zekerheid geplaagd wordt door risicoselectie, zodat mensen 'met een vlekje' geconfronteerd worden met onbetaalbare premies.

10. Paul Krugman (Stanford). Meest briljante econoom van mijn generatie. Combineert polemische gaven met oorspronkelijke analyses over economisch beleid, internationale handel, technologische ontwikkeling en wisselkoersen.

Eduard Bomhoff

Bovenaan mijn lijst staat de Oostenrijks-Engelse econoom Friedrich von Hayek, vanwege zijn The Constitution of Liberty (University of Chicago Press, 1960). Hayek waarschuwt tegen de arrogantie van intellectuelen die te weinig respect hebben voor eeuwenlang gegroeide maatschappelijke conventies (het gezin, het incestverbod et cetera) en menen even een betere wereld te kunnen ontwerpen. Later leidde dat bij Hayek tot overdreven conservatisme, maar dit boek uit 1960 adviseert om bijvoorbeeld liever voorzichtig te experimenteren in de sociale zekerheid dan om een nationale blauwdruk in te voeren zonder enig mechanisme voor latere feedback. Als oud-minister Veldkamp Hayek had gelezen, was de WAO wel ingevoerd, maar hadden de Bedrijfsverenigingen en het GAK zich nooit 25 jaar lang zo kunnen verschansen.

Ook de andere economen voor wie ik eerbiedig mijn hoed afneem hebben zich wel eens vergist, maar ze waren onafhankelijk en hielpen mij om met andere ogen naar de werkelijkheid te kijken. Karl Brunner, Milton Friedman, Allan Meltzer en Anna Schwartz gaven ons de correcte diagnose van de grote depressie in de jaren dertig - de ergste economische ramp van de Twintigse Eeuw. In tegenstelling tot artistieke journalisten als John Kenneth Galbraith, toonden zij overtuigend aan dat tientallen miljoenen mensen onnodig werkloos werden omdat de Amerikaanse Centrale bank veel te restrictief was in de geldvoorziening, en andere landen - waaronder Nederland - ten onrechte zolang vasthielden aan de Gouden Standaard. Hun werk zou ook voldoende tegengif moeten zijn tegen de vaak gehoorde misvatting dat monetaristen zo conservatief zijn!

Van deze vijf top-economen heb ik geleerd dat de economische wereld zo onzeker is dat economisch beleid maar beter niet moet berusten op grote, delicate rekenmodellen zoals die van het Centraal Planburau, maar in plaats daarvan altijd rekening moet houden met onvoorziene schokken. De wiskundig-theoretische onderbouwing van die kritiek op de grote-modellentraditie, die helaas in Nederland nog steeds in de mode blijft, komt oorspronkelijk van Robert Lucas en Robbert J. Barro, twee nog heel actieve Amerikaanse economen van wie ik ook veel heb geleerd.

Nummer 8 op mijn lijst zou zijn de Indiase econoom Amartya Sen. Die is vóór serieuze hulp aan arme mensen in ontwikkelingslanden, maar schreef al heel lang geleden over de gevaren die dreigden wanneer ontwikkelingshulp òf terechtkomt bij dure adviseurs in rijke landen, òf bij bureaucraten (en nog erger) in de ontvangende landen.

Sen vroeg zich af waarom het rijke Westen een hongersnood in de Derde Wereld niet eenvoudigweg bestrijdt door geld uit te delen aan de slachtoffers, want waarom zouden dure westerse specialisten beter weten dan locale transporteurs hoe voedsel het snelst ter plaatse kan arriveren?

Nog twee plaatsen zijn over, en die geef ik graag aan landgenoten. Hooggeplaatste collega's in SER of Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid ontvangen ongetwijfeld al zo veel hulde, dat ik nu eens speciaal wil denken aan de paar Nederlandse hoogleraren die in bescheiden onafhankelijkheid ook proberen nuttig te zijn. Dan zijn plaatsen 9 en 10 op mijn lijst voor mijn promotor Piet Korteweg, in zijn Erasmus-periode Nederlands belangrijkste onafhankelijke criticus van het financiële beleid, en voor de Amsterdammer H.W. de Jong, eenzaam en onafhankelijk in zijn analyses van de kartels tussen Nederlandse ondernemers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden