Eco bepleit Esperanto op z'n Europees

EVENALS SEKSUELE lust en sterfelijkheid is de verwording van een aardse eenheidstaal tot talloze streektalen beschouwd als een teken van corruptie na de zondeval....

Daar begint Umberto Eco's boek over de eeuwenlange worstelingen om zo'n vermeende eenheidstaal weer te herstellen of opnieuw te creëren. Het is het zesde deel in de reeks 'Europese contouren' onder redactie van Jacques Le Goff. En ook dit deel munt in ieder geval uit door de rake keuze van het onderwerp en de wel zeer bijpassende auteur.

Het Europese talenprobleem wordt steeds nijpender in het licht van de nagestreefde eenwording. Die levert vooralsnog alleen maar meer talen op, gevoed door een even explosief als fragmentariserend nationalisme. Hoe kan die eenheid ooit gestalte krijgen zolang er geen uitzicht is op een door alle deelstaten erkende hulptaal? Eco aarzelt niet om deze vraag te stellen, en evenmin om aan het slot van zijn boek oplossingen daarvoor aan te dragen. Maar hij raakt bovenal op dreef bij de behandeling van de talrijke kunstmatige taalsystemen die vanaf de middeleeuwen zijn ontworpen.

Het is jammer dat hij er niet in slaagt zijn opwinding over al die zo vaak raaskallende wijsgeren met hun utopische taalbouwsels in te tomen. Eco probeert met hen mee te denken, maar vergeet daarbij de lezer, die pas mag meedoen wanneer de auteur weer overschakelt op de cultuurhistorie. De opperste geïntrigeerdheid door wetenschapstheorieën die ook zijn romans teistert, dient eerder zijn eigen vermaak. En dat vermaak probeert hij ook zijn lezers op te dringen blijkens de slotwoorden van de inleiding: 'Ik hoop dat de lezer me dankbaar zal zijn voor de opofferingen die ik me getroost heb om hem of haar te vermaken.' Maar dat is eerder een wensdroom.

Door zijn aanvechtingen om te peuren in bizarre uitvindingen, valt ook dit boek uiteen in vrijwel ontoegankelijke bladzijden, afgewisseld met een inspirerend cultuurhistorisch betoog over de noodzaken achter het streven naar eenheidstalen of internationale hulptalen. Nu heeft Eco wel een excuus. Al die dikwijls dwaze taalbouwsels uit voorgaande eeuwen hebben toch de voorwaarden geschapen voor de huidige experimenten met computertaal en kunstmatige intelligentie. Zonder al die mislukkingen zou men daar nu eenvoudig nog niet aan toe zijn.

Van meet af aan zijn er ook meer neutrale of zelfs positieve waarderingen van de aardse meertaligheid. Reeds Lucretius komt in de eerste eeuw voor Christus met een heel plausibele verklaring aandragen. Mensen reageren op hun omgeving met denkbeelden, die zij omzetten in klanken om met anderen te kunnen communiceren. Zulke reacties op de omgeving verschillen echter per stam, streek en klimaat, vandaar de ontwikkeling van al die verschillende taalfamilies. En waren er ook in de Bijbel geen passages die zo'n natuurlijke genese suggereerden? Er staat daar immers eveneens dat de zonen van Noach zich met hun nageslacht over de aarde verspreidden en dat daardoor even zovele talen ontstonden.

Maar vooral vanaf de achttiende eeuw wordt de taalverscheidenheid hardnekkig verdedigd en toegejuicht. De eigen taal is de exponent van een warm te koesteren nationale identiteit, die beschermt tegen kwade invloeden en de eigen zeden en gewoonten zuiver houdt. Met het schetsen van dit gevaarlijke nationalisme, dat in deze tijd zulke rabiate vormen aanneemt, raakt Eco het zwerend hart van die zo vurig gewenste Europese eenwording. Hoe harder die gaat, hoe meer talen erbij komen.

Dat maakt de invoering van een internationale hulptaal steeds noodzakelijker. Volgens Eco kan daarvoor geen bestaande taal gebruikt worden, want dat is onaanvaardbaar voor andere taalgroepen die zich generaties lang achtergesteld zouden voelen. Van de bestaande kunsttalen kent alleen het Esperanto een zeker succes. Zoals alle hulptalen is ook deze taal geboren uit het streven naar eendracht onder alle volkeren.

Het begon in 1887 met de publikatie in het Russisch van een boek getiteld Internationale taal, geschreven door de Litouwse jood Lejzer Zamenhof, die zich bediende van het pseudoniem Doktor Esperanto (Dokter Hoopvol). Hij groeide op in een smeltkroes van rassen en talen, steeds opgeschrikt door golven nationalisme en antisemitisme. Kon men elkaar maar over en weer verstaan, dan zou de verbroedering niet uitblijven! Het filantropische en spirituele van de beweging hebben te zamen met de hoge kwaliteit van de kunsttaal een brede aanhang opgeleverd, onder wie beroemdheden als Tolstoj, de taalkundige Otto Jespersen en de filosoof Bertrand Russell.

Volgens Eco moet er, hoe dan ook, een Europese hulptaal komen. Zijn boek eindigt met een merkwaardig optimisme over de mogelijkheden daartoe. Lijkt het eerder zo dat het Engels op natuurlijke wijze de hulptaal van Europa (en de hele wereld) aan het worden is, dan wijst Eco liever op internationale organisaties als de VN of het Europees Parlement die een kunstmatige hulptaal zouden moeten opleggen.

Door stelselmatige mediapropaganda op elk niveau zou succes gegarandeerd zijn. De belangrijkste stap naar de Europese eenwording is dan gezet, terwijl een blijvende buffer is opgeworpen tegen het agressieve nationalisme. Wie zou zich niet van harte achter dit nieuwe geloof willen scharen? Maar in het licht van al die malle wetenschapstheorieën die Eco zo uitvoerig uit de doeken doet, ontkomt de lezer er niet aan te denken dat de meester nu ook zelf een duit in het zakje wil doen.

Meent hij nu echt dat Europa kan worden genezen door het opleggen van een kunstmatige internationale hulptaal?

Herman Pleij

Umberto Eco: Europa en de volmaakte taal.

Serie 'Europese contouren', onder redactie van Jacques Le Goff.

Agon; ¿ 49,90.

ISBN 90 5157 187 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden