ECHT IS NEP NEP IS ECHT IN MARRAKECH

DE HOFHUIZEN VAN MARRAKECH ZIJN VOOR DE MARRAKCHI HOPELOOS OUDERWETS GEWORDEN. BUITENLANDERS WILLEN WEL ZO'N 'PALEISJE MET AUTHENTIEKE SFEER' IN DE MEDINA....

Het plein heeft zich goed verborgen gehouden, maar tegen middernacht valt er ineens een sluier onzin af. Dan is het aan de bewoners van de stad die zich in cirkels om sissende gaslampen groeperen; bij elke gaslamp staat een muzikant, een acrobaat of iemand die een verhaal vertelt en hoe beter de act, hoe groter de kring daaromheen. Djemaa el Fna, zo heet het plein, heeft wat dat betreft onder reizigers een reputatie. Maar het zijn niet de slangencharmeurs die dit deel van Marrakech bijzonder maken, niet de gnaoua-muzikanten in hun witte gewaden, de wonderdokters, de praatjesmakers, de waarzeggers - zeg maar alles wat in de toeristenboekjes staat.

Bijzonder is dat ene meisje in een strakke spijkerbroek.

Ze staat zich hier in de nachtkou te vergapen aan vier Berber jon gens die hun folkband Esséfiani noemen en pas spelen willen als er genoeg munten op het asfalt liggen. Het meisje gooit dirhams op de grond. Ze staat vooraan in de halqa, zoals de kring met mensen al sinds eeuwen heet. Ze klapt in haar handen. Ze omhelst vriendinnen - een ervan heeft haar moeder meegenomen die een kaftan draagt. 'Blijf toch hier in het mooie Marokko', zingen de Berberjongens, 'ga niet weg naar Europa.' Het meisje met de spijkerbroek, en haar vriendinnen, en de oude moeder, zingen mee.

'Dit plein is een school', zegt tussendoor Mohammed Boutaftaf, die kamanja speelt (zeg maar viool). 'Vergeet alles wat je hier overdag ziet - vergeet het! Dit is het plein, wij zijn het plein. Hier, drink!' Hij geeft een plastic beker door, halfvol met 'Marokkaanse whisky', en zo verkleint de stad zich tot een groepje mensen in de nacht op een plein.

Stortregens in Marrakech, voor het eerst dit jaar. Water wordt doorgaans door de Marokkanen met plezier begroet. Niet hier, want binnen een uur is het plein leeggevaagd en blijven alleen de slangenbezweerders over die wanhopig blazen op houten instrumenten om de laatsten der toeristen over te halen voor een foto. Hoe harder de regen, hoe harder het agressieve gefluit.

Djemaâ el Fna, het epicentrum van de stad, is negen eeuwen terug zomaar ontstaan op een kruispunt van toegangswegen tot de medina, net buiten de souks waar van oudsher handel wordt gedreven. Zon der plein, schreef de Amerikaanse schrijver en musicalmaker Paul Bow les, zou Marrakech 'just another Moroccan city' zijn. Hij is niet de enige; op Djemaâ el Fna, zo wordt gezegd en geschreven, kan de reiziger zich nog laven aan oorspronkelijke oosterse cultuur.

Maar in de regen van vandaag weken olie en modder los tot een bruine smurrie die het plein glibberig maakt. En ook zonder regen is Djemaâ el Fna op zo'n gewone middag weinig meer dan een vormeloze plak asfalt, omheind door bankkantoren en restaurants met als lichtpunt de stralende minaret van de Koutoubia-moskee.

Er lopen maffe clowns rond die zich voordoen als authentieke muzikanten, en klepperen met castagnetten. Mannen met apen. Hon derd duizenden foto's moeten er gemaakt zijn van die clowns en van die apen. 5 Euro voor een foto, hé hé monsieur! Monsieur! Mon sieur!

Die slangenbezweerders zijn natuurlijk nep. De mannen met apen op hun nek idem. Vlakbij de moskee is tegenwoordig het vakantieparadijs Club Med gevestigd, en zo probeert iedereen hier geld te verdienen aan een mooi verleden.

Wat is echt en wat is nep in Marrakech? Waar is de stad zichzelf en waar is ze een droombeeld, een oriëntaals pretpark voor de verwende westerling? Dit plein wil zo graag voldoen aan de teksten in de reisbrochures dat het zichzelf voor de gek houdt - en het is niet de enige plek op aarde. De sadhu-priesters in Kathmandu met zonnebrillen op, de indianen met hun drijvende huizen op het Titi caca meer, de toeristensaami in Lapland of de klederdrachtvrouwen in Volendam - zo graag wil de reiziger authentieke sfeer dat hij graag gelooft in sprookjes.

Of niet?

Dit plein, zegt Bert Flint achter een kom harira-soep in het nog aardig authentieke Café de France, moderne Marokkanen verachten het. 'Als er geld voor was, hadden ze het geheel in marmer laten vatten.' Maar er is geen geld dus is geprobeerd het tot parkeerterrein te degraderen, omgeven door flatgebouwen, heel Europees. Dat is uiteindelijk voorkomen door een comité onder leiding van de Spaan se schrijver Juan Goytisolo. Mede daardoor is Djemaâ el Fna nu door de Unesco verklaard tot sociaal werelderfgoed; de slangenbezweerders, verhalenvertellers, acrobaten en praatjesmakers incluis.

Marokkanen-op-niveau begrijpen daar weinig van, zegt Flint, 'want de burgerij schaamt zich nog steeds voor het plein. Die ziet het als volks, als het domein van dieven en kreupelen.' Het afvoerputje van de stad. Op Djemaâ el Fna leven oude rituelen, die ook uit islamitisch oogpunt weinig eerbaar zijn. 's Avonds gaan er plastic bekers alcohol rond. 'Dit is het plein van de wanorde, waarop de autoriteiten greep probeerden te krijgen. Ik was altijd bang dat het zou verdwijnen. Maar gek genoeg: door het toerisme en door ingrijpen van met name buitenlanders is het gebleven. Godzij dank.'

Bert Flint, 82 inmiddels, geboren als boerenzoon in Winschoten, woont meer dan zijn halve leven in de medina van Marrakech. Als student Spaans raakte Flint onder de indruk van de Andalusische cultuur en besloot er middenin te gaan wonen, in Marokko dus (sinds 1957) aangezien die cultuur daar nog gewoon bestaat. Dat leven is hem aan te zien: met zijn grijze wollen muts strak over het hoofd getrokken, met zijn behendig ontwijken van brommers in de smalle straten is Flint een Marrakchi pur sang geworden. Hij bewoont een jaloersmakend huis in de Rue de la Bahia en heeft dat ingericht als museum: Musée Tiskwin, met als thema de volkscultuur van Marok ko en de rest van West-Afrika.

Zijn huis is ongerestaureerd authentiek, een paleisje met een patio dat uitgebreid werd gefotografeerd voor de designbijbel Moroccan Interiors van Lisa Lovatt-Smith. Dat is mooi, zegt Bert Flint, maar een Marokkaan zou er niet meer in willen wonen. 'De Marokkanen gaan over naar een hele nieuwe levensstijl waar andere huizen bijpassen.'

De hofhuizen van Marrakech, de riyaads, zijn goedbeschouwd mooie maar naar binnengekeerde bouwsels, bedoeld voor een intiem leven in een groter familieverband. De patio's moeten vrouwen beschermen tegen de buitenwereld. Daar worden geen mannen geduld. Maar dat is geschiedenis - de hofhuizen van Marrakech zijn voor de Marrakchi hopeloos ouderwets geworden en degenen die het betalen kunnen, vertrekken liever uit de medina. Ze zoeken een moderner leven in de villes nouvelles, de buitenwijken.

Dat kunnen tegenwoordig steeds meer medinabewoners betalen, ook de armen, want hun huizen blijken, hoe vervallen ook, gewild bij buitenlanders. Op zoek naar betaalbare paleisjes in een authentieke sfeer, een paar uur vliegen van het grijze Europese thuis, is Marrakech een haven

geworden voor rijke zakenlieden, designers, popsterren en kunstenaars die er rust vinden, inspiratie, warmte of goedkoop personeel.

Eerst had Bert Flint alleen Marokkaanse buren. Nu woont er naast hem een Zweedse vrouw met een dansschool, daarnaast een halve Algerijn. En verderop, in het helemaal verbouwde Maison Orange, een zakenman uit Marseille.

Iedereen een riyaad.

Van buitenaf gezien heeft dat de oude stad nauwelijks veranderd; de medina (een doolhof van 25 duizend huizen op 650 hectare) is negen eeuwen oud en weet het aanzien van een middeleeuwse nederzetting te behouden. Muren van gebakken aarde die de stad bruinrood of vaalroze kleuren. Lage deuren van hout of ijz er, met kronkelende straten, met paard-en-wagens, met kaftans, rijkaards en bedelaars. Afgezien van de souks, de half overdekte markten van Marrakech die borrelen van leven, regeert in de medina de rust.

Een vrouw met plastic tassen waggelt door de verder verlaten Derb Moulay Abdelkader. Ze klopt aan bij nummer 87 en roept om oud brood. 'Oud brood!' Dagelijks tafereel, zegt Herwig Bartels, die zeven jaar geleden deze riyaad kocht en later vier erbij. Hij wijst naar zijn buren. Daar woont Quentin Wilbaux, de Belgische architect die zo veel oude huizen hielp renoveren. Daar woont de Duitse schilder/schrijver Hans Werner Geerdts, auteur van de roman Vive Marrakech. Daar woont Marie-Jo la Fontaine, gevierd video- en fotokunstenares. Iets verder Frans Ankoné, Nederlands designer bij voorheen het stijlblad Avenue, nu artistiek directeur van het Milanese modehuis Romeo Gigli.

'Deze oude stad was ten dode opgeschreven', zegt Bartels, tot voor kort Duits ambassadeur in Marokko. 'Maar nu herleeft ze op een manier die niemand had verwacht.'

Na een diplomatiek dienst in de oriënt (Caïro, Beiroet, Damascus en Amman) koos Bartels Marrakech als permanente residentie. Hij verzamelt er antiek en treedt op als gastheer voor reizigers die in zijn huis overnachten. In een van de twaalf suites, met gebruik van bibliotheek en jacuzzi.

Riyaad el Cadi opent zich in weelde: vijf geschakelde hofhuizen met fundamenten uit de dertiende eeuw, geheel hersteld naar de architectuurwetten van de medina. Hij kocht ze in verloederde staat en bracht de huizen samen met Wilbaux tot het origineel terug. Geen cement! Geen beton! Een vloer van eenvoudige tegels, kunst aan de muur, ook moderne, maar onopvallend. En altijd verse, oranjerode rozenblaadjes in de fonteinen.

Voortdurende restauratie blijkt nodig; de stortregens slaan het kalk van de muren. Een schilder is permanent in dienst. 'We moeten voorzichtig zijn met de medina', zegt Bartels, 'het is een oude stad in wankel evenwicht. Maar niet iedereen denkt er zo over. Voor veel buitenlanders is het easy money: koop een huisje, decoreer het met toeristentroep uit de souk en laat de gasten er flink voor betalen.'

De eerste, pionierende Europeanen begaven zich begin jaren zeventig in de medina. Die hadden nog hart voor de stad, zegt de aldaar geboren architect Abdellatif Aït Ben Abdallah, die samen met Wil baux duizenden riyaads in kaart bracht en nu een eigen bedrijf heeft in de exploitatie ervan. Maar inmiddels trekt Marrakech vooral koopjesjagers die lak hebben aan de authentieke Marokkaanse cultuur. Geholpen door corrupte ambtenaren breken ze de originele muren van gebakken aarde af, zetten er gewapend beton voor in de plaats en bouwen clandestien een zwembad op het dak (voor gewone mensen verboden).

Wie geld heeft, is geen gewoon mens in Marrakech.

De situatie begint aardig uit de hand te lopen; het Franse weekblad Le nouvel observateur schreef afgelopen zomer over la bataille de la médina - de slag om de oude stad. Over snode rijkaards die wereld erfgoed koloniseren. Zo zoemt in Marrakech het verhaal van Halima Mouak die een bescheiden hofhuis bewoont naast dat van een rijke mevrouw uit Milaan. De rijke mevrouw uit Milaan heeft haar zinnen gezet op het huis van Halima, maar Halima wil niet verkopen. Waar op de rijke mevrouw uit Milaan haar bezit met zo veel grof geweld laat verbouwen dat het huis van Halima scheuren gaat vertonen, Halima in woede ontbrandt, daarbij politieagenten beledigt en dat moet bekopen met drie maanden cel in Rabat.

Ziet u, zegt men in Marrakech: de overheid hier hecht zo veel belang aan het geld van de nieuwe kolonisten dat de echte medinabewoners het onderspit delven.

Flint: 'De komst van de Europeanen heeft veel Marokkanen van de armoede gered, maar het moet niet te ver gaan.'

Bartels: 'Waar blijft de medina Marokkaans, en waar beginnen de Arabische fantasieën van een rijke westerling? Te vaak worden hier gestileerde droomwerelden gecreëerd, die niks meer met de stad te maken hebben. Met alle tierelantijnen die je maar bedenken kunt, heavy heavy heavy. Een Duitser bouwde zelfs het Alhambra na! Dat moet je niet willen.'

Inmiddels proberen architecten als Aït Ben Abdallah, Wilbaux en Ahmed el Ouarzazi buitenlandse kopers te doordringen van de authentieke Marokkaanse schoonheid. Negen eeuwen lang, zegt El Ouarzazi, heeft de oude stad haar uiterlijk gehouden, 'de plattegronden van de huizen zijn al die tijd nooit veranderd'. Er is nooit ge sloopt; 'je moet de medina zien als de menselijke huid: de vorm blijft gelijk maar de lichaamscellen worden telkens vernieuwd'.

Maar toen kwam het gewapend beton, dat goedkoop is en eenvoudig te hanteren 'maar het is star en te repareren valt het niet'.

Tegen gewapend beton is het moeilijk vechten.

Samen met Wilbaux probeert El Ouarzazi de oude huizen van de medina te redden met het bedrijf Medina Marrakech, dat oude ri yaads herstelt voor buitenlandse klanten, en ze vervolgens aan toeristen verhuurt. Hij probeert zijn klanten duidelijk te maken dat een authentiek hofhuis simpel oogt, met rustige kleuren, en vooral niet wordt volgesmeerd met tadelakt, de dure, gladde, speksteenachtige muurbedekking die 'zo vreselijk in de mode is'. 'Tadelakt is lles nu, iedereen praat erover. Van oudsher wordt het alleen in badkamers gebruikt, maar de Europese architecten smeren het overal op: muren, plafonds, lles. Het is duur, het is hip, zonder tadelakt hoor je er kennelijk niet meer bij in die kringen. Dat vind ik choquerend.'

Maar goed, hij begrijpt ook wel dat het echte beeld van de medina niet overeenstemt met de verwachtingen van de gewone westerling. Die leest in de toeristengidsen dat Marrakech een orgie van kleuren biedt, en wil dat zien. Die leest dat Djemaâ el Fna een middeleeuws feest van slangenbezweerders en verhalenvertellers is, en zal niet zonder foto's van die slangen thuiskomen. De Palestijns-Amerikaanse wetenschapper Edward Saïd heeft die neiging oriëntalisme genoemd: het westen vormt zich een eigen voorstelling van het oosten, en laat dat niet meer los. Aan dat beeld zal ook Marrakech moeten voldoen.

Het huis van Michel Guerin is van het type 1001-nacht. Guerin is gewezen zakenman uit Marseille (badkamers en keukens), draagt slippers en shorts en wil niet op de foto, maar heeft wel een idee en wenkt bediende Hassan die normaliter gewoon spijkerbroeken draagt.

'Hassan!'

'Ja?'

'Trek snel je lila jurk aan en zet een tulband op, dan maken we een foto. En neem die mooie ceintuur van je mee!' De villa heet Maison Orange en is sinds kort gereed. De muren werden dieporanje, felblauw, grasgroen of zuurstokroze geschilderd en op het dak is een zwembad gebouwd (te bereiken met de lift). Ook Guerin verhuurt suites aan toeristen en heeft zich, zegt hij, bij de verbouwing nergens specifiek door laten inspireren. Dit huis is zijn fantasie, 'c'est mon imagination', meer niet.

'Pas op! De muren!' De muren zijn van tadelakt, van boven tot onder. Dat geeft snel krassen. En tegen het plafond van de chambre bleue zijn koranverzen geschilderd, 'ik weet niet wat ze betekenen, maar het staat wel mooi.'

Hij ziet het vrolijk in: dit is een goed leven. Marrakech is nog geen drie uur vliegen van Marseille, 'dan sta je in één klap met beide benen in het oosten' en die sfeer bevalt hem goed. 'De kwaliteit van het personeel is uitstekend. In Frankrijk kan ik me geen chauffeur, tuinman of assistent veroorloven. Hier doe je iemand plezier door ze een baan aan te bieden. Ik betaal ze twee keer zoveel, hè, dan blijven ze betrouwbaar.'

Wie geeft Michel Guerin ongelijk?

Ach.

'In Amsterdam bouwen we toch ook geen zeventiende-eeuwse grachtenpanden meer? Maar als het ergens anders is, moet alles daar hetzelfde blijven.'

Frans Ankoné draagt laarzen onder zijn blauwpaarsgestreepte pantalon, en doorkruist daarmee de doorweekte souks. Hij woont, na een designersbestaan in New York, nu beurtelings in Milaan, Amsterdam en Marrakech en komt hier elke maand voor rust & inspiratie. Kocht zijn riyaad vijf jaar geleden. Kent de stad sinds begin jaren zeventig en zag haar veranderen. 'Er ligt nu asfalt op het plein. De souks zijn deels bestraat. Club Med is hier gekomen - nou ja, zo vreselijk ziet het er toch ook niet uit?'

Bekijk de andere kant eens, zegt hij. Zie je hoe levendig de souks nu zijn? Achter elk deurtje is wel een vakman bezig. Als al die buitenlanders hier niet waren geweest, was dat allemaal uitgestorven. 'De magie van al die handwerkslieden! Dat er zo veel kan! Tassen, zilver, stoffen, ze borduren de mooiste dingen voor je. Door het toerisme is het voor jonge Marokkanen weer aantrekkelijk zo'n vak te leren, gelukkig maar. En voor ons Europeanen blijft het een geweldige bron van inspiratie.'

Want de Marokkanen zelf houden meer van modern. Daarom is het zo druk bij de winkels met plastic spullen: plastic schoenen, plastic lampen, plastic bloemen. 'Plastic is de vooruitgang hier', zegt Ankoné, 'zoals dat bij ons in de jaren vijftig was. Ze begrijpen niet altijd waarom ik zo hecht aan dat ambachtswerk.'

Wat weer duidelijk maakt waarom in Café de France nog steeds tl-balken hangen, terwijl het toeristenrestaurant aan de overkant allang is overgegaan op oriëntaalse sfeerverlichting. Er is geen couscous of tajine te krijgen. Bert Flint ziet het aan en zegt: 'Ik zou er niet gaan eten, maar het is toch leuk gedaan met die kleuren, en die Marokkaanse lampen op het dakterras?'

Zojuist heeft Flint zijn dagelijkse gang naar Djemaâ el Fna gemaakt zoals hij dat al vijfenveertig jaar doet. Het plein is veranderd natuurlijk, zegt hij, de televisie heeft veel stukgemaakt. De echte verhalenvertellers zijn verdwenen, die bonden hun publiek met zelfverzonnen feuilletons maar dat publiek kijkt nu naar soapseries. Toch: 'Let eens op de halqa's, de cirkels om de muzikanten en acrobaten heen, dat zijn alleen Marokkanen. Dan kun je toch niet zeggen dat het voor de toeristen is?'

Echt is nep en nep is echt in Marrakech en aan een wankel tafeltje in Café de France houdt een echtpaar op leeftijd de klok in de gaten. Hij in jellaba, zij in kaftan, wachtend op de soep die pas gegeten mag als de zon is verdwenen, vanwege ramadan.

De soep komt. Het is dikke harira.

Ze pellen er een hardgekookt ei bij. Kijken elkaar dan tevreden aan en maken straks nog een rondje over het plein, waar ze naast een meisje in een strakke spijkerbroek zullen belanden en mee zullen zingen met Berberband Esséfiani.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.