Echt bam!

Hij wordt zelfs bezongen in de de 'Dreigroschenoper' van Bertolt Brecht, de oerwet voor elke theatervoorstelling: 'En men ziet die in het licht, die in het donker ziet men niet.' Maar tussen licht en donker zit een scala van mogelijkheden waarmee de onzichtbare hand van de belichter het oog van...

Reinier Tweebeeke (48).

Belichtte meer dan honderd theatervoorstellingen, waaronder grote musicals.

NAAST cabaret, opera en toneel heb ik voor de meeste Van denEnde-musicals het licht ontworpen. Dat zijn ontwerpen met duizend lampen en zeshonderd lichtwisselingen. Als je met zoveel licht werkt, wordt het steeds ingewikkelder nog controle te houden. Wat is de functie van één bepaald spotje nog in het geheel? Soms weet je dat zelf niet meer. Dan moet ik mezelf tegenhouden.

Een lichtontwerp dat bestaat uit één peertje van 75 watt, dat precies alles belicht wat ik wil zien, en dat op het juiste moment aangaat en op het juiste moment weer uit - dat kan net zoveel kwaliteit hebben als zo'n gigantisch lichtontwerp voor een musical. Dus op een gegeven moment heb ik geleerd lampen weg te halen. Maar dat is heel geleidelijk gegaan. Via Orkater, Baal, De Appel.

Rond 1988 kocht ik voor het eerst een computer. Toen heb ik mezelf aangeleerd op zo'n apparaat een lichtplan te maken. Dat is een grafische weergave van een bepaald lichtplafond met specifieke lampen. Om mij er verder in te verdiepen heb ik vier maanden in New York op een soort ontwerpersschool gezeten. In Amerika werd dat lichtontwerpen als zelfstandig onderdeel van een productie al veel langer beoefend. Je ziet het daar al op affiches uit de jaren dertig staan: lichtontwerp.

Dat vak is niet alleen maar technisch. Het is ook de lichtdramaturgie: waar hang je een lamp, wanneer doe je hem aan, wanneer doe je hem weer uit. Wat voor kleuren gebruik je, en waarom. Een goede lichtontwerper is een inventieve gesprekspartner in de ontwikkeling van een visueel idee.

In 1970 begon ik als technicus bij Toneelgroep Wederzijds. Via het arbeidsbureau, voor een dag in de week. Kort daarop bezorgde datzelfde bureau mij een baantje bij de allerlaatste Snip en Snap-revue. Een potpourri van hun leukste acts, waar ze maar geen genoeg van konden krijgen; ze bleven maar door het land crossen. In drie maanden tijd zag ik alle theaters van Nederland en leerde hoe je zo'n voorstelling elke keer weer anders op moet bouwen. Met één doekje of met tien doekjes, het ging altijd door.

Door bemiddeling van een vriend kwam ik bij Hauser Orkater. Ze hadden net hun tweede productie gemaakt, Famous Artists. Die was erg slecht ontvangen, dus daar werd tijdens de voorstellingenreeks nog lang aan doorgewerkt. Ik ben toen heel eigenwijs dat lichtplan gaan aanpakken en heb er nieuwe dingen voor verzonnen.

We werkten als collectief - jaren zeventig. Wat in de praktijk neerkwam op een kakofonie van idioten die allemaal maar wat riepen en waarin de sterksten het voortouw namen. Die zaten bijvoorbeeld nooit naast mij in de zaal tijdens een voorstelling. Die speelden. Toch dachten ze beter te weten dan ik hoe het licht was gegaan op een avond.

Ik heb me bij Orkater prettig kunnen ontwikkelen, maar als ik daar was blijven werken, was ik toch meer een technisch uitvoerder geworden en dat wilde ik niet. Ik wilde ontwerpen. En dat ben ik ook gaan doen. Voor heel veel voorstellingen. Zoals Het Jachtgezelschap van Toneelgroep Amsterdam.

Dat had een geweldig effect, vond ik. In die voorstelling moest het bij aanvang vroeg in de avond zijn. Een uur of vier. Dan stond er gewoon goed licht aan, maar dat lieten we in een half uur bijna pikkedonker worden. Je hoorde eigenlijk alleen nog maar stemmen. Bizar. Totdat Sigrid Koetse zei: ''Kan dat licht nou eindelijk eens aan.''

Dat stond gewoon in de tekst. Die chagrijnige Thomas Bernhard natuurlijk. En bam!, toen werd het dus ook echt bam! - ging er zoveel licht aan dat de mensen zo helemaal naar achteren schoten. Dat is wel een aardig voorbeeld van lichtdramaturgie. Maar uiteindelijk kom je met een toneelstuk toch altijd terecht bij het moment dat een regisseur zegt: ''Ja hoor eens, ik wil de acteur nu wel gewoon zien.''

De komst van de bewegende, computergestuurde lampen heeft een grote invloed op mijn werk gehad. Die kun je richten, via de computer. Je kunt ze van kleur laten veranderen. Je kunt er effecten mee maken. Geweldige mogelijkheden. Maar ze zijn duur, dus dat betekent in de praktijk dat je ze alleen maar bij die grote muziekproducties kunt gebruiken.

Ik heb bij Van den Ende geen bestaande producties belicht die hij rechtstreeks uit het buitenland kocht, zoals The Phantom. Die was al klaar. Alleen de producties die hier geheel of gedeeltelijk opnieuw gemaakt werden. Westside Story, My Fair Lady, Evita, Oliver, Anatevka en 42ndstreet. Hoewel, 42ndstreet was duidelijk een twijfelgeval tussen die twee categorieën.

Er was een Amerikaan ingehuurd om een nieuwe versie te maken, maar die bleek meer en meer terug te vallen op de Amerikaanse productie. Ik hoorde hem dat ook tegen de choreograaf zeggen: How did we do that? Dan wil je toch proberen iets nieuws te doen. Nou ja, dat is dan een heel gevecht. Helemaal niet zo leuk ook. Op sommige punten heb ik dat verloren. In de overgangen. De lichtregie. Het aantal lichtovergangen in een nummer.

Het leuke is wel dat je daar dingen uitvindt, die je dan op andere momenten, op een kleinere schaal weer kunt gebruiken. Die Amerikaan zei: ''Ik moet de voeten zien.'' Uit een blaadje heb ik toen een kostbaar apparaat nagemaakt, een beamer, waardoor het licht heel strak op de vloer gesteld kon worden. Ik zag toen al dat dat heel erg spectaculair was. Maar ja, daar wou die Amerikaan niet aan natuurlijk. Dat was veel te exorbitant, veel te pregnant. Toen heb ik een goedkope versie laten maken voor het dansgezelschap Conny Janssen Danst. Die hebben nu, zonder het te weten, een peperduur effect uit 42ndstreet.

Als ik het specifieke van mijn lichtontwerpen zou moeten benoemen, dan is het het kleurgebruik. Ik ben nooit bang geweest veel kleur te gebruiken. Met kleur kun je decors, gemoedstoestanden enorm beïnvloeden. Maar ik gebruik ook wel gasontbrandingslampen. Die zijn geweldig fel en ontkleuren alles een beetje. Ook mooi, alleen kun je dat licht niet dimmen. Het is aan of uit. Dat is een beperking. Je kunt het niet in vijf seconden mooi wegfaden, waardoor een acteur op je netvlies blijft hangen.

Dat zijn van die oude lichtregie-trucs. Nou ja, geen trucs, mogelijkheden, je focust. Dat is het eigenlijk, dat lichtontwerpen. Het doet wat een camera voor film doet. Je bepaalt er de focus mee.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden