Dynamisch toneelbestel is niet gebaat bij korten op subsidies

Staatssecretaris Van der Ploeg wil het toneelbestel publieksgerichter maken door op subsidies te korten. Volgens Jack Verduyn Lunel zijn er betere gereedschappen om theatermakers en toneelgezelschappen daartoe te bewegen....

IN zijn recente toespraak bij het Theater Instituut Nederland gaf staatssecretaris Rick van der Ploeg aan dat hij een publieksgerichter toneelbestel wil en een grotere doorstroming van theatermakers. Zo'n roep is de Federatie van Kunstenaarsverenigingen uit het hart gegrepen, te weinig theatermakers kunnen laten zien wat zij in hun mars hebben. Het Fonds voor de Podiumkunsten biedt de laatste jaren wat meer soelaas, maar het blijft onvoldoende.

Typerend voor het door economische dogma's bezwangerde gedachtengoed van Van der Ploeg is het misverstand dat deze situatie verbeterd zou kunnen worden door te korten op de subsidies van de (grotere) gezelschappen, als prikkel om hun repertoire en aanpak van stukken op de goegemeente te richten.

In de podiumkunst, in elk geval in dat segment dat mede met gemeenschapsgeld op de been wordt gehouden, is de artistieke waarde een basale eis. Dat dergelijke voorstellingen gemiddeld maar een halfvolle zaal trekken betekent nog niet dat het toneel zich in een heuse crisis bevindt.

De publieksaantallen zijn de afgelopen tien jaar op en neer gegaan. In het afgelopen seizoen kwamen er ongeveer evenveel mensen als tien jaar geleden. Nog langer geleden was het inderdaad beter gesteld, maar toen waren de alternatieven voor een avondje uit veel geringer.

Grosso modo is het zo dat het gesubsidieerde toneel zich wat betreft publieksbereik op een bescheiden niveau heeft bestendigd. Niet alleen qua publieksbereik, maar ook inhoudelijk, worden over dit onderwerp in de foyers trouwens behartigenswaardiger woorden gesproken dan door de staatssecretaris.

Meer aandacht voor de afname van kunst- en cultuurproducten is juist, maar niet ten koste van de aanbodzijde. De premisse dat het ten aanzien van de podiumkunst eenzijdig zou (moeten) gaan om bemoeienis van de rijksoverheid met het aanbodbeleid is pertinent onjuist. Het is een door rigide afspraken in de jaren tachtig gewekt waanidee.

Het accomodatiebeleid, essentieel aan de afnamekant, is toen tot het alleenrecht van gemeenten verklaard. Dat was nogal een portie om uit handen te geven, want het gaat over tenminste zoveel geld als er in Den Haag in de sector valt te besteden.

Stad en regio mogen gezamenlijk dan wel over een budget voor de podiumkunst beschikken om 'U' tegen te zeggen, voor iedere gemeente afzonderlijk is het krap aan. Veel theaters zijn noodlijdend, knopen de eindjes aan elkaar met de boeking van populaire cabaretacts uit het vrije circuit, en worden economisch afgeknepen in hun wens om stimulerend en avontuurlijk te programmeren.

Menig theaterdirecteur en club van toneelvrienden is daar inmiddels op afgeknapt. Gemeentebesturen bouwen wel een (nieuwe) zaal, vaak omdat hun financiële reservepositie dat toelaat in relatie met hun lust tot imagoversterking, maar hebben een onvoldoende kritisch oog voor de exploitatie. Drama's zijn daarvan vaak het gevolg; vrijwel lege zalen, met een frustrerende uitwerking op alle betrokkenen, van publiek tot bespeler, van directeur tot wethouder.

In het ondervangen van deze praktijk en de aanpak van reeds scheefgegroeide situaties op dit vlak zou de rijksoverheid wel degelijk een beleidsmatig corrigerende rol moeten spelen. Het aangewezen instrument daarvoor zijn de vierjaarlijkse cultuurconvenanten die met de lagere overheden worden gesloten. Alleen al vanwege de veelheid aan partijen kost zoiets duidelijk meer tijd en moeite dan het schermen met prikkelend bedoelde subsidiekortingen, maar het pakt het probleem wel aan.

Daarbij worden de negatieve effecten van een subsidiekorting vermeden. Want zoals het adviesbureau Berenschot in 1992 al vaststelde, kan tenminste één gevolg met zekerheid worden voorspeld, namelijk een verschraling van het aanbod, en dat is iets waar de 'consument' nooit voor applaudiseert.

Rick van der Ploeg heeft de naam een slimme, serieuze jongen te zijn die het hart op de goede plaats heeft, en als hij vruchten verwacht van een kruisbestuiving van de cultuursector met een pleidooi voor meer marketing, dan luisteren we naar hem.

Maar in plaats van het bijltje kan hij daarbij beter gebruik maken van andere gereedschappen en theatermakers en gezelschappen die uit eigener beweging al in de richting van een meer publieksgerichte benadering gaan, een steun in de rug geven. En die zijn er volop - dat zal ongetwijfeld blijken in de aanvragen voor de nieuwe Kunstenplanperiode. Interessant is hoe daar dan, in de geest van Van der Ploeg, mee zal worden omgegaan.

Weinig sectoren van de samenleving worden zo permanent kritisch beoordeeld door de (rijks)overheid en de publieke opinie als de kunst en cultuur. Kijk er de waslijst van commissies, adviesorganen en hun taakstelling maar op na, naast alle dagelijks verschijnende recensies.

Dat verduistert het gebrek aan werkelijke (beleidsmatige) evaluatie; nieuwe beoordelingen en plannen worden daar snel mee verward. Die weerspiegelen echter meestal de stemming van het moment, zonder echt antwoord te geven op de vraag of (door subsidie gehonoreerde) beleidsvoornemens ook echt zijn gerealiseerd.

Maar dat is bestuurlijk gesproken wel de enige zindelijke methode. Wie binnen het kader van het Kunstenplan geld vraagt en krijgt voor artistieke vernieuwing, dient precies dat waar te maken. Wie zich verplicht om nieuwe publieksgroepen aan te boren hoort daarop te worden afgerekend. Een dergelijke verzakelijking is welkom, al zal ook dat voor iedereen even wennen zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden