Dwars op de backbeat

Hij zag het publiek vol onbegrip kijken als het hondje van His Master's Voice - 'Wat is dát in godsnaam' - en besloot het roer om te gooien....

GREG OSBY combineerde ooit jazz met hiphop, maar die tijden zijn voorbij - op het eerste gezicht althans. Vorige maand trad zijn Greg Osby 4 op in Chicago, en om duidelijk te maken dat deze groep straight jazz speelt, verschenen de bandleden in maatpakken op het podium. Minstens de helft van het repertoire bestond uit standards, met de nadruk op funky/bluesy klassiekers als Horace Silvers Song for my Father en Lee Morgans The Sidewinder.

Een heimelijke hiphop-echo was de handige manier waarop de band in de ononderbroken sets het ene stuk in het andere liet overlopen. Osby geeft zijn bandleden geen lijst met te spelen composities; hij hoeft maar een hint te geven van het volgende stuk, of de anderen vallen hem als één man bij. Het effect is indrukwekkend, zeker als hij zó terloops aan een standard refereert - Three Little Words bijvoorbeeld, of Easy Living - dat een doorgewinterde jazzfan wel een minuut nodig heeft om het thema te herkennen.

In zekere zin mengt Osby nog steeds jazz met hiphop, en wel in de typische manier waarop hij de beklemtoonde accenten in de maat verschuift - alsof hij zijn gewicht steeds van de ene voet op de andere verplaatst. In de ene zin leunt hij met zijn volle gewicht op de beklemtoonde tel, net als een rapper het zou doen, om in de volgende als een jazzmuzikant swingend mee te veren op de backbeat.

Het resultaat is een flexibele, glibberige timing, die op een truukje zou lijken, als Osby haar niet verbond met een vloeiende frasering en een sensueel timbre; zijn geluid op de altsax hoort tot de aanlokkelijkste die je op dit moment in de jazz kunt vinden.

Tot zijn fans horen de pianist Andrew Hill, die de altist in de jaren negentig voor uiteenlopende (plaat)projecten vroeg, en de gitarist Jim Hall. Beide veteranen zijn te horen op Osby's jongste cd The Invisible Hand. De waardering is wederzijds. Tot Osby's helden hoort ook de tenorist Von Freeman, bekend om zijn sensuele toon en glibberige timing, met wie hij tien jaar geleden in de studio stond. Osby: 'Freeman is het grootste voorbeeld voor mijn spel, in heden of verleden. Woorden schieten te kort om uit te leggen wat hij voor mij betekent.'

Toch heeft Osby hier en daar de reputatie van een gevaarlijke nieuwlichter. Het is een aantijging die teruggaat op zijn lidmaatschap van het geruchtmakende M-BASE collectief, een jaar of tien geleden. M-BASE werd afgedaan als een gimmick, maar bleek een uitstekende publiciteitsmachine voor gelijkgestemde geesten als Osby, altist Steve Coleman en pianiste Geri Allen. Osby had ook de hebbelijkheid af te geven op niet bij name genoemde collega's die de jazz zeiden te verdedigen, maar haar tegelijk het recht ontzegden zich verder te ontwikkelen. En nog steeds krijgt hij commentaar op een oud stuk in Down Beat, waarin hij Eric Dolphy afkatte (omdat die naar zijn smaak teveel vertrouwde op favoriete licks).

Osby speelt nu jazz-standards, om dezelfde reden dat Thelonious Monk in de jaren vijftig stukken van Ellington op zijn repertoire nam: om luisteraars te winnen die tot dusver geen wijs werden uit zijn muziek. Osby: 'Ik speel al haast twintig jaar voor mensen die me net zo aankijken als dat hondje van His Master's Voice: ''Wat is dát in godsnaam.'' Ik ben gaan nadenken: hoe komt het dat ik nog niet de helft van de mensen bereik die ik met mijn muziek wil raken? Mijn conclusie was, dat het niet fair en ook niet realistisch is leken te bedelven onder alle kunstjes en vondsten die je hebt verzameld.'

Dat hij deels is overgestapt naar souljazz uit de jaren vijftig en zestig, is volgens Osby geen raadsel. 'Veel van de vertegenwoordigers van die stijl waren bijzonder geavanceerd op theoretisch en technisch gebied. Ze speelden muziek waar je makkelijk met je voet op kon meewippen, maar dat was maar een rookgordijn. Het stelde hun in staat een publiek te bereiken dat zich door een meer cerebrale aanpak had laten afschrikken.

'Ik groeide in St. Louis op met die muziek in mijn oren. En door haar nu zelf te spelen, heb ik ontdekt dat er een waardige manier is om een publiek te bereiken, zonder je kunst neer te halen of je als een clown te gedragen. Dat laatste is voor mij altijd een belangrijk punt geweest.'

Samen met zijn pianist Jason Moran nam Osby vorig jaar enkele souljazz-stukken op met de band New Directions, een all star-gezelschap van het label Blue Note. Maar zijn eigen groep tilt het materiaal naar een hoger plan. Bij het optreden in Chicago voelde de band elke stemmingswisseling van de leider direct aan; de ritmesectie schakelde dan van een losse swing haast ongemerkt over op een strakkere begeleiding.

De veelgeprezen Moran bleek precies op zijn plaats: soms scheerde hij dwars door de beat, net als Osby, soms volgde hij de lijnen van de alt, in een discreet unisono. Moran speelt niet eens zoveel anders dan veel van zijn collega's, maar op de een of andere manier klinkt alles bij hem net wat dieper en beter gedefinieerd. Zijn schaduwrijke geluid geeft de band een donkere bodem waar Osby's heldere alt prettig tegen afsteekt.

Misschien kunnen Moran en Osby het zo goed vinden omdat de leider vroeger als studiemateriaal solo's van de meest uiteenlopende pianisten analyseerde. Op die manier hoopte hij te voorkomen dat hij zou eindigen als de zoveelste kloon van een saxofoonidool. 'Eigenlijk imiteer ik een tweehandige techniek op een instrument dat maar één melodielijn speelt. Daarom breek ik sommige zinnen in verschillende registers in tweeën, of begin ik in het ene octaaf en eindig ik in het andere. Goedbeschouwd ben ik een gefrustreerde pianist.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden