Dutchbat zag wel degelijk genocide beginnen

Het verhoor gisteren van drie Dutchbatters voor het Joegoslavië-Tribunaal heeft het beeld verscherpt dat eerder deze week al ontstond door de getuigenissen van majoor Franken en kapitein Rutten: de Nederlandse blauwhelmen vermoedden en zagen in juli 1995 veel meer van de naderende genocide in Srebrenica dan tot nu steeds was...

Ex-soldaat A. Stoelinga schilderde gisteren in een gruwelijk relaas hoe hij op 15 juli 1995 een container op een truck zag waar de lijken uit puilden. Een moment eerder had hij een 'sterke geur geroken', waardoor 'iedereen' wist dat er iets akeligs zou volgen.

De getuigenis van Stoelinga in het proces tegen generaal Krstic bevestigt de wending die de Srebrenica-zaak deze week kreeg door de uitspraken van majoor Franken, de plaatsvervanger van Dutchbat-commandant Karremans. Franken doorbrak dinsdag onder ede het beeld dat Karremans en generaal Couzy altijd hebben geschetst, namelijk dat Dutchbat niet kon vermoeden dat er in de Moslim-enclave een massamoord ophanden was. 'We waren bang dat de Serviërs zouden beginnen hen (Moslimmannen, red.) te doden', verklaarde Franken. Kapitein Rutten onderstreepte dat: 'Je kon de dood ruiken.'

Stoelinga had, vermoedde hij, ook de geur van lijken geroken. Vanuit een busje zag hij zeven of acht opgezwollen lichamen uit de container steken; mannen met ontbloot bovenlijf. Even later stuitte het busje op een bulldozer en een shovel die op het punt leken te staan een lijk op te ruimen.

Langs de weg lagen om de meter hoopjes kleding en schoenen. Omdat die netjes en systematisch zo'n 300 meter achter elkaar lagen en hij geen wapens zag, kreeg Stoelinga niet de indruk dat de mannen waren omgekomen in een vuurgevecht. 'Ik geloof dat ze zijn geëxecuteerd.'

De verklaringen van Stoelinga en andere Dutchbatters deze week in Rechtskamer 3 vulden enkele lege plekken in de puzzel van het Srebrenica-drama. De verhalen van Nederlandse blauwhelmen, van deze week en van eerdere debriefings, kregen een kader door de getuigenissen van Srebrenica-overlevenden en door de uitkomsten van vijf jaar onderzoek van het Tribunaal.

Ook kapitein V. Egbers, die voor Stoelinga werd gehoord, vertelde zijn verhaal in detail, alsof er na al die jaren een last van zijn schouders viel. Op 13 juli 1995 zag hij zijn naarste vermoedens bevestigd worden. De dag ervoor had hij een voetbalveld vol zien staan met een paar honderd Moslimmannen: 'Opgelijnd met de handen in de nek.' Maar een dag later trof hij een leeg veld aan. Het enige wat restte was 'veel bepakking die brandde langs de weg'. Egbers 'weet zeker' dat de brandende spullen van de mannen op het voetbalveld afkomstig waren.

Nog gedetailleerder was de getuigenis van M. van der Zwan, de achtste Dutchbatter die werd gehoord in de Krstic-zaak. De korporaal bracht het eind van zijn gevangenschap door in een schoolgebouw in Bratunac bij een militaire eenheid met Duitse herders. Een Serviër, een hondentrainer, vertelde Van der Zwan over twee Moslims, een oude man en een meisje, die wegrenden voor naderende Serviërs. Een Duitse herder viel de oude man aan. Deze werd gekeeld met een mes door een Serviër met de bijnaam de 'Slachter' ('maar misschien was dat wel zijn beroep'). Vervolgens deed de Slachter 'iets seksueels' met het Moslimmeisje en 'sneed haar open van tussen de benen tot aan haar keel'.

Volgens Van der Zwan raakte de hondentrainer zwaar geëmotioneerd bij het vertellen van het verhaal en liep hij huilend weg. De korporaal zag een collega-soldaat die 'niet meer kon verkroppen wat hij had meegemaakt'. Ze rookten samen nog een sigaret.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.