Dutchbat maakte geen schijn van kans

Ter gelegenheid van de aanbieding van het rapport over Srebrenica aan de regering, hield directeur Hans Blom van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) een toespraak....

(. . .) DE oorlog in Bosnië brak uit in april 1992, niet omdat ze werd veroorzaakt door een voortijdige erkenning door de Europese Gemeenschap, zo als vaak is beweerd, maar omdat de partijen in de regio daar zelf op aanstuurden. (. . .) Het Westen deed voornamelijk pogingen te proberen het conflict te beperken en humanitaire hulp te verlenen. (. . ) Het werd de gijzelaar van de eigen aanpak en kwam terecht in een 'doormodderscenario'.

De door de VN nagestreefde onpartijdigheid maakte de vredestroepen gehaat bij alle partijen in het conflict. In die context werd de Franse generaal Morillon, toen hij in maart 1993 de Oost-Bosnische enclave Srebrenica bezocht, gegijzeld door de bevolking en kon hij pas weer vertrekken nadat hij de inwoners had toegezegd dat zij onder bescherming van de VN stonden. Korte tijd later werden niet alleen Srebrenica, maar nog vijf Moslim enclaves uitgeroepen tot zogeheten Safe Areas.

(. . .) Het excentrisch gelegen Srebrenica was de zwartepiet onder deze Safe Areas. Geen enkel land was bereid daar eind 1993 troepen te stationeren, nadat de Canadese regering te kennen had gegeven haar troepen te willen terugtrekken. Het Nederlandse kabinet, dat internationaal voorop had gelopen met de roep om daadkrachtiger interventie, meende niet anders te kunnen doen dan deze vacature te vullen.

Dit vooroplopen was het gevolg geweest van het grote belang dat het kabinet toekende aan een vermindering van het humanitaire leed in Bosnië. Als gevolg van zijn eerdere krachtige uitspraken was het Nederlandse kabinet tenslotte gedwongen die waar te maken met een militaire bijdrage in de vorm van gevechtstroepen. Alleen de Luchtmobiele Brigade kwam daarvoor in aanmerking. Dat was een constatering die al in augustus 1992 werd getrokken.

Het waren dan ook niet het parlement of de media die het kabinet dwongen een bataljon van de Luchtmobiele Brigade, dat eind 1993 inzetbaar zou zijn, beschikbaar te stellen. Het was het Nederlandse kabinet zelf dat daarop aanstuurde, de ministers Lubbers en Van den Broek en vanaf begin 1993 diens opvolger Kooijmans voorop. De aanvankelijk aarzelingen van minister Ter Beek van Defensie werden mede weggenomen door de dadendrang van een deel van de Koninklijke Landmacht, die in een tijd van bezuinigingen wilde demonstreren waartoe het paradepaardje van de Landmacht, de Luchtmobiele Brigade, in staat was. Voor kritische geluiden, die er ook waren bij de Landmacht, bestond vooral in de politiek weinig gehoor.

(. . .) In 1993 stelde het kabinet zonder voorwaarden vooraf, naast de ondersteunende troepen die al in VN-verband opereerden, ook een bataljon van de Luchtmobiele Brigade beschikbaar. Dit Dutchbat werd zodoende in de praktijk uitgezonden:

Op een missie met een onhelder mandaat.

Naar een gebied omschreven als een Safe Area zonder dat daar een duidelijke definitie van bestond.

Om vrede te handhaven waar geen vrede was.

Zonder diepgaand informatie in te winnen bij de Canadese voorgangers in de enclave.

Zonder adequaat te zijn opgeleid voor deze specifieke taak in die specifieke omstandigheden.

Nagenoeg verstoken van middelen voor inlichtingenvergaring (intelligence) om de politieke en militaire intenties van de strijdende partijen te peilen.

Onder ongefundeerd vertrouwen in de bereidheid van de hogere niveau's in de VN-leiding het luchtwapen in te zetten in geval van problemen.

Zonder duidelijke eigen exit-strategie.

(. . .) Natuurlijk kon niemand voorspellen hoe ernstig de moeilijkheden voor de VN-missie in 1995 zouden worden. Maar de brede kring van betrokkenen bij dit beleid en in het bijzonder de voorvechters daarvan, hebben wel een grote verantwoordelijkheid op zich geladen door de mogelijkheden van het uit de hand lopen van het gedrag van de strijdende partijen te veronachtzamen.

(. . .) In feite zat Dutchbat vanaf het begin klem tussen de strijdende partijen. (. . .) De afknijpstrategie van het Bosnisch-Servische leger (VRS) leidde tot zware onderbezetting, noodrantsoenen en beperkte bewegingsmogelijkheden. Commandant Karremans moest begin juni melden dat Dutchbat III niet langer als een volwaardig opererend bataljon kon worden beschouwd.

(. . .) Het krijgsplan voor de aanval (door de VRS, red) werd vastgesteld op 2 juli; deze begon op 6 juli. Het verloop was zo succesvol en er werd zo weinig tegenstand ondervonden dat de VRS op 9 juli besloot door te stoten en te zien of verovering van de hele enclave mogelijk was. Op 11 juli stond een triomferende generaal Mladic van de VRS in Srebrenica. (. . .) Een centrale vraag is waarom de VN-troepen niet met krachtige militaire middelen hebben geprobeerd de VRS te stoppen. Het antwoord kan in een aantal punten worden samengevat:

Actieve verdediging van de enclave was niet in overeenstemming met het mandaat en de door de VN aangehouden lijn.

De instructie was daarom ook juist niet met militaire middelen te reageren.

Alleen als de eigen veiligheid van de blauwhelmen in gevaar kwam mocht gericht worden geschoten; de VRS trok echter zorgvuldig om de opgeworpen blocking positions heen.

De militaire krachtverhoudingen maakten Dutchbat in een eventueel gevecht bij voorbaat kansloos.

Er bestonden bij het hoofdkwartier in Zagreb (Janvier en Akashi) grote aarzelingen het luchtwapen te hanteren; zeker massale air strikes waren feitelijk uitgesloten.

Bij de vraag naar de effectiviteit van eventueel militair verzet van Unprofor kan een, zij het speculatieve kanttekening worden gemaakt. In de gegeven omstandigheden ging het niet alleen om de strikt militaire krachtsverhoudingen. Op politiek-psychologisch niveau was niet ondenkbaar dat de VRS (Mladic) toch zou zijn teruggeschrokken voor een gevecht waarin aan Unprofor-kant slachtoffers hadden kunnen vallen. Dat het besluit door te zetten tot Srebrenica zelf was ingegeven door het uitblijven van tegenstand, wijst er op dat zulke overwegingen een rol speelden.

Op grond van die overweging hadden bijvoorbeeld Janvier en Akashi het initiatief kunnen nemen om in afwijking van de geldende beleidslijn wel actieve tegenstand te bieden. Dat gebeurde niet. Ook de leiding van Dutchbat besloot niet om eigenmachtig van de instructies af te wijken en toch tot actieve tegenstand over te gaan.

(. . .) Het dieptepunt van de gebeurtenissen beschreven in het rapport is de massamoord op duizenden Moslim-mannen. (. . .) Het is niet waarschijnlijk dat de massamoord in deze vorm en omvang lang tevoren is beraamd. De ontsnappingspoging kwam voor de VRS als een onaangename verrassing. Mladic had net de overwinning in Srebrenica geproclameerd en wilde zich op de verovering van het zuidelijke Zepa richten. Maar nu zag hij zich ook met een militair en logistiek probleem geconfronteerd ten noorden van Srebrenica.

De woede daarover bij de VRS raakte vermengd met oude haat- en wraakgevoelens en wil tot etnische zuivering. Tezamen leidden ze tot de beslissing de gevangenen massaal te executeren. De gebeurtenissen kunnen niet worden afgeschilderd als een uit de hand gelopen wraakactie. Weliswaar is er snel en improviserend opgetreden, maar schaal en verloop van de moordpartijen wijzen duidelijk op organisatie.

(. . .) Hoewel geen schriftelijke order is aangetroffen, leidt het geen twijfel dat de hoofdverantwoordelijkheid bij generaal Mladic lag en dat de militairen om hem heen in die verantwoordelijkheid delen. Karadzic gaf als verantwoordelijk opperbevelhebber formeel de opdracht tot de scheiding van Srebrenica en Zepa en later tot verovering van de hele enclave. (. . .) Voor een betrokkenheid van Servische autoriteiten in Belgrado zijn geen aanwijzingen gevonden.

Had deze massamoord voorkomen kunnen worden en was daarbij een rol weggelegd voor Dutchbat? Bij het zoeken van een antwoord op die vraag moet allereerst worden vastgesteld dat in die dagen noch bij de VN, noch bij de Bosnische regering en ook niet bij een groot deel van de media, werd geconcludeerd of verwacht, dat een massamoord op handen was. Het beeld dat is ontstaan als zouden duizenden mannen 'onder de ogen van Dutchbat' zijn omgebracht, is onjuist. Het gebeurde juist elders.

Wel hebben Dutchbatters, die door de VRS gegijzeld waren, zaken gezien die achteraf zijn uitgelegd als aanwijzingen voor een massamoord. Zij hebben hun waarnemingen op 15, 16 en 17 juli gemeld. Noch bij de VN noch in Den Haag is daaruit geconcludeerd dat dit aanwijzingen voor een massamoord waren. Generaal Couzy, die de gegijzelden in Zagreb opving, gaf geen ruchtbaarheid aan deze berichten. Op 17 juli wist hij NOVA er van te overtuigen de getuigenissen van deze Dutchbatters niet uit te zenden voordat het gehele bataljon in veiligheid was. Ook daarna heeft Couzy aan deze aanwijzingen geen bijzondere betekenis toegekend.

(. . .) Ook de dramatische gebeurtenissen, die zich in Potocari rond de compound van Dutchbat hebben afgespeeld, roepen vragen op. Commandant Karremans heeft tevergeefs geprobeerd om in onderhandelingen met Mladic het initiatief te houden bij de afvoer van de bevolking. Hij was echter geen partij voor Mladic en kreeg onvoldoende steun van de VN. Zo moest hij de eis accepteren dat de mannen gescreend zouden worden op oorlogsmisdadigers. Mladic brak zijn woord door zelf versneld de afvoer te starten. Vanaf dat moment liep Dutchbat achter de feiten aan.

In de ogen van de bataljonsleiding was er geen andere keuze dan meewerken; anders dreigde een humanitaire ramp van grote omvang als gevolg van de zeer slechte hygiënische omstandigheden en gebrek aan voedsel en water. Gewapend verzet was geen optie omdat vermoedelijk de VRS dan een bloedbad onder de vluchtelingen zou aanrichten. Sommige Dutchbatters, onder wie plaatsvervangend commandant Franken, vreesden wel voor het lot van de mannen (al ging dat niet zo ver dat hij op een massamoord rekende). Hij liet echter het in zijn ogen grotere belang van de duizenden vrouwen en kinderen zwaarder wegen dan het onzekere lot van de mannelijke minderheid. Vertraging van de afvoer moest worden voorkomen. Dat leidde tot pijnlijke, maar bewuste keuzes.

Zo heeft Dutchbat zich niet verzet tegen de scheiding van mannen en vrouwen. Er zijn echter geen aanwijzingen gevonden dat Dutchbat zelf bij die selectie een rol speelde. De screening van de mannen door de VRS is opgevat als een niet-ongebruikelijke handeling in het licht van de wetten en gewoonten van de oorlog. Pas in de loop van dat proces ontstond bij sommige Dutchbatters het vermoeden dat de afgescheiden mannen een erger lot dan krijgsgevangenschap wachtte.

(. ..) Is tekortschieten van de rapportage gedurende die eerste dagen nog verklaarbaar uit deze omstandigheden, het laat de vraag onbeantwoord waarom de bataljonsleiding ook na 13 juli, toen er meer rust was, geen gerichte poging heeft gedaan om na te gaan wat er allemaal door het bataljon was waargenomen. In deze verantwoordelijkheid delen de VN-functionarissen op hogere niveaus, die geen instructies lieten uitgaan, hoewel zij al snel ook de beschikking hadden over de informatie die de vluchtelingen in Tuzla naar voren brachten. Het illustreert de ondergeschikte rol die humanitaire rapportage speelde binnen Unprofor. Ook hier geldt echter dat het de vraag is of systematische verzameling en analyse van waarnemingen tijdig tot resultaten zou hebben geleid, die de massamoord, die zoals gezegd op 17 juli vrijwel was voltooid, hadden kunnen belemmeren.

De uitkomsten van de debriefing van de hoofdmacht van Dutchbat op 22 en 23 juli in Zagreb konden dat in ieder geval niet meer. Wel moet worden vastgesteld dat er daar weinig aandacht is geweest voor mensenrechtenschendingen en dat generaal Couzy de indruk heeft gewekt dat het allemaal wel was meegevallen. Zijn opstelling en die van Karremans met zijn door de Landmachtvoorlichting bedachte uitspraak over 'no good guys, no bad guys', droegen bij aan een omslag in de media van relatieve welwillendheid ten aanzien van Dutchbat tot een zeer kritische houding jegens zowel het bataljon als het ministerie van Defensie. Van een tragedie op de Balkan werd 'Srebrenica' in zekere zin een affaire in Nederland.

De belangrijkste kritiek op Dutchbat stond in het licht van een massamoord die het Nederlandse bataljon niet had weten te verhinderen. Dutchbatters konden zich in die beeldvorming niet herkennen, omdat hen een andere werkelijkheid voor ogen stond. De beelden bijvoorbeeld van hossende Dutchbatters in Zagreb werden ten onrechte uitgelegd als een teken van onverschilligheid over de massamoord. Die beeldvorming was niet juist. Niet alleen hadden de meesten op dat moment zelfs geen vermoeden van die ramp, ook de context van de beelden ontbrak. De hospartij van enkele tientallen Dutchbatters was de ontlading na een spontane herdenking van hun gesneuvelde collega's Raviv van Renssen en Jeffrey Broere.

(. . .) Minister Voorhoeve wilde een breed en alomvattend onderzoek, dat aan alle vraag naar informatie zou kunnen voldoen. De landmachttop had een beperktere kijk op welk type debriefing wenselijk was en hoe breed de informatiestroom naar het publiek diende te zijn. Hoewel de minister verantwoordelijk was en bleef, liet hij toch gebeuren dat de landmacht zijn stempel op de debriefing zette. De minister wilde de landmacht vervolgens weer niet publiekelijk desavoueren en dat maakte hem de gevangene van het debriefingsrapport. Het gevolg was dat de minister steeds achter de feiten en de nieuwe onthullingen aan bleef lopen.

(. . .) 'Srebrenica' werd als affaire in Nederland een centraal thema in het debat over Joegoslavië. In het voormalige Joegoslavië zelf was voor Srebrenica maar zelden zo'n centrale plaats weggelegd. Meestal was het een zijtoneel met een geringe prioriteit. Wel was de val van Srebrenica en vooral de massamoord een factor die bijdroeg aan de ommekeer in de oorlog in Bosnië in de zomer van 1995, die uitliep op de overeenkomst van Dayton, die op 21 november 1995 een einde aan de oorlog in Bosnië maakte. (...)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden