Durf corruptie bij politie ook repressief aan te pakken

De terugkerende signalen over corruptie bij de politie verdienen serieuze aandacht. De bestrijding daarvan laat veel te wensen over, meent Dick Pijl....

IN 1990 heb ik politiecorruptie in het Algemeen Politie Blad als een 'oplaaiende veenbrand' omschreven: ondergronds woekert het voort en af en toe is het zichtbaar. Dat zal zo blijven zolang we krampachtig en tweeslachtig blijven omgaan met de bestrijding van het fenomeen.

Omdat corrupt worden meestal een geleidelijk proces is, moet in de eerste plaats worden voorkomen dat mensen die een moeilijke taak hebben, geïnfecteerd raken door de mentaliteit van de criminele tegenpartij waarmee ze voortdurend worden geconfronteerd.

Mag je als politieman in je vrije tijd een kroeg bezoeken waar veelvuldig notoire criminelen komen, op vakantie gaan met je ex-collega die inmiddels particulier detective is of in ruil voor veel informatie een criminele informant een beetje politie-informatie teruggeven?

In de politiekorpsen zal het volstrekt duidelijk moeten zijn hoe de antwoorden op deze vragen luiden. Bij het tegengaan van corruptie is preventie het allerbelangrijkst.

Maar hoe het ook met die preventie uitpakt: individuele gevallen van corruptie voorkom je nooit. Je moet er dus voor zorgen dat ontsporingen goed onderzocht kunnen worden. Dan is goede informatie nodig, gedegen onderzoek, adequate wetgeving en de bereidheid om te willen 'doorpakken'. Daar ontbreekt echter het één en ander aan.

Informatie over politiecorruptie is moeilijk te krijgen. Geen van de betrokken partijen is immers gebaat bij het informeren van anderen. Corruptie gebeurt stiekem en heeft geen directe slachtoffers. Degenen die in de gelegenheid zijn om afwijkend gedrag waar te nemen, hebben niet meteen de behoefte dat als negatief te duiden (dit is een uitvloeisel van een gesloten cultuur van op elkaar aangewezen zijn), laat staan hun chef in te lichten.

De criminele inlichtingendiensten binnen de politiekorpsen zitten niet echt te wachten op corruptiesignalen uit het eigen nest en de huiver om de signalen slagvaardig op te pakken is groot. Misschien is er wel niets aan de hand en hoe moet je dan verder met die collega?

Landelijk is er nergens een bundeling van - zachte - informatie over politiecorruptie. Het is een teken aan de wand dat een journalist van Elsevier dit voorjaar met het nieuws kwam dat in 1996 86 agenten wegens corruptie waren ontslagen en enige honderden disciplinaire onderzoeken waren ingesteld.

De overheid zelf heeft geen overzicht, omdat dat soort gegevens centraal niet wordt bijgehouden. Datzelfde is het geval bij twijfelachtige politiemensen die met stille trom vertrekken, in plaats van strafrechtelijk aangepakt te worden. Na enige tijd kunnen ze weer in een ander korps aan het werk.

Sinds juli 1997 is het de korpsen verboden zelf onderzoek naar politiecorruptie te doen. Dat is voorbehouden aan de Rijksrecherche. Deze landelijke dienst met 57 politiemensen neemt ten opzichte van de korpsen een onafhankelijke positie in en doet onderzoek in opdracht van het hoogste orgaan van het Openbaar Ministerie, het college van procureurs-generaal.

Tegelijkertijd is een toename te bespeuren van het aantal en de omvang van Interne Onderzoeksbureaus bij de politiekorpsen. Er zijn dus twee instanties die zich met hetzelfde verschijnsel bezighouden, waarvan er één moet worden ingezet als het zich ernstig laat aanzien.

Daar zit natuurlijk de crux: want wanneer benoem je iets als 'ernstig', als (een vermoeden van) corruptie? De praktijk laat zien dat de neiging groot is gedrag dat zou kunnen duiden op corruptie zo lang mogelijk in de disciplinaire sfeer af te handelen. Dat biedt de mogelijkheid om de regie binnen het korps te houden en pottenkijkers buiten de deur te houden.

Bovendien is de kans op negatieve publiciteit kleiner. Als het Openbaar Ministerie of de Rijksrecherche geen informatie bereikt over misstanden binnen een korps, kan geen grondig extern onderzoek worden ingezet. Het is in dit verband opvallend dat er politiechefs zijn die uitdrukkelijk hun eigen criminele inlichtingendienst verboden hebben eigener beweging corruptie-informatie uit te wisselen met de Inlichtingendienst van de Rijksrecherche.

Maar als het er dan toch van komt dat de verplichte Rijksrecherche-inzet volgt, stuit je al gauw op de capaciteitsgrenzen van dit apparaat. Opmerkelijk is dat het aantal interne politie-onderzoekers inmiddels aanzienlijk groter is dan het aantal rijksrechercheurs, terwijl die er naast corruptie-onderzoek ook nog een aantal andere taken bij moeten doen.

Samenwerking is soms mogelijk, maar dan wel op een wijze dat gegarandeerd kan worden dat de regie van het onderzoek - al was het maar ter voorkoming van de schijn - niet bij het korps zelf berust.

Een voor de hand liggende oplossing is dus uitbreiding van de Rijksrecherche. Is het zo vreemd dat nu het landelijk rechercheteam LRT met 30 man wordt uitgebreid als gevolg van de beursfraudezaak, de Rijksrecherche voor een adequate aanpak van politiecorruptie om meer mensen vraagt?

Ook het wettelijk instrumentarium zal op een krachtige repressieve aanpak moeten zijn toegesneden. Zo is de maximale straf voor corruptie nu slechts 4 jaar. Dat houdt niet over. En degene die omkoopt komt er met een maximale strafmaat van 2 jaar vanaf. Voorlopige hechtenis is dan niet mogelijk en ook de andere strafvorderlijke maatregelen zijn beperkt.

Wil je corruptie bewijzen, dan moet je het verband aantonen tussen handelen in strijd met de politieplicht en het ontvangen van gunsten of giften. Als je een crimineel vertrouwelijke informatie hebt verstrekt en je brengt een half jaar later gezamenlijk je vakantie in diens zomerhuis door, heeft dat dan met elkaar te maken of mag je gewoon bevriend zijn met zo iemand?

Menig bestuurlijke corruptiezaak is op deze causaliteits-eis voor de rechter gesneuveld. Dit soort gevallen leidt vaker tot ontslag van de politieman uit de dienst wegens ongewenste criminele contacten dan tot een veroordeling wegens corruptie. Meestal wordt er niet eens volledig onderzoek gedaan.

De anti-corruptiewetgeving is niet meer toegesneden op deze tijd. Ik hoop dan ook dat het door minister Sorgdrager aangekondigde onderzoek van de strafmaxima uit het Wetboek van Strafrecht zich wat betreft de corruptiewetgeving niet beperkt tot de strafbedreiging.

Samenvattend: wil je echt werk maken van bestrijding van politie-corruptie, dan moet je informatie centraal laten verzamelen, erop toezien dat strafrechtelijk onderzoek wordt uitgevoerd daar waar dat mogelijk is en de wet voldoende mogelijkheden biedt.

Dick Pijl is directeur van de Rijksrecherche.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden