Duitse prins in onbetaalbaar kasteel

Voor de meeste inwoners van de gemeente Salem (Baden-Württemberg) staat één ding vast: in dit glooiende deel van Duitsland, aan de oevers van de Bodensee, is de monarchie niet afgeschaft....

Van onze correspondent Sander van Walsum

‘In andere Duitse vorstendommen hebben de hertogen en de prinsen zich uit de voeten gemaakt’, zegt een oud-leraar Latijn die zich sinds zijn ‘emeritaat’ op de studie van de regionale geschiedenis toelegt. ‘Maar prins Max van Baden, de laatste rijkskanselier van het keizerrijk, wandelde hier rustig in zijn kasteeltuin toen in Berlijn de revolutie woedde.’

‘De bevolking leefde al ruim een eeuw met de markgraven van Baden’, zegt de oud-docent. ‘De familie had de schone kunsten bevorderd en de nijverheid ondersteund. Ze droeg bij aan het hoge aanzien van de streek onder wijnliefhebbers. Voor de mensen was het vanzelfsprekend dat het Haus Baden hier zijn domicilie behield.’

Dat domicilie bestaat uit een witgepleisterd slot dat het middelpunt vormt van een 29 gebouwen tellend complex. De daken hebben een gezamenlijk oppervlak van ruim 35.000 vierkante meter. Met het schoonhouden van de 2.373 ramen is een legertje glazenwassers jaarlijks 1.780 uur in de weer.

Ironisch genoeg ondervindt de familie Van Baden nu vooral de nadelen van de ruimhartige regeling die de ‘vrije volksstaat’ Württemberg na de Eerste Wereldoorlog met het voormalige vorstenhuis heeft getroffen.

In de meeste deelstaten van de Weimar Republiek vielen de familiehuizen toe aan de staat – ofschoon de eigenaren er in de regel mochten blijven wonen. De landerijen bleven doorgaans in het bezit van de vroegere heersers. De koninklijke familie Van Baden behield echter ook het gros van zijn burchten, paleizen en kastelen.

Onder die last dreigt ze nu te bezwijken. De familie verhuurt een deel van Slot Salem aan een gelijknamige elitekostschool en ze exploiteert een aantal hotels, musea en een uitgestrekte wijngaard. Maar die inkomsten dekken slechts een deel van de kosten voor het onderhoud van het complex.

Om het complex in toonbare staat te houden, is jaarlijks minstens 1,5 miljoen euro nodig, zegt Bernhard prins van Baden, de 37-jarige zoon van Maximilian markgraaf van Baden, de chef van het huis Baden. De prins zegt de laatste jaren ongeveer 30 miljoen euro in Salem te hebben geïnvesteerd. ‘Zelfs een solide onderneming kan zich een dergelijk mecenaat op den duur niet veroorloven.’

Om Salem voor verval te behoeden heeft de familie al drie kastelen moeten verkopen – tegen prijzen die volgens deskundigen geen recht doen aan hun cultuurhistorische betekenis. Vorig jaar lanceerde de regering van Baden-Württemberg, aangevoerd door de christen-democraat Günther Oettinger, een plan om oude handschriften uit de deelstaatcollectie te verkopen. De opbrengst zou aan het onderhoud van Slot Salem worden besteed.

Maar omdat de handschriften nog deel bleken uit te maken van het kunstbezit van de familie Van Baden, riep Oettinger een commissie van deskundigen in het leven die de eigendomsverhoudingen tussen de deelstaat en het Huis Baden moet vaststellen.

De regering wacht de eindrapportage van deze commissie af alvorens afspraken te maken met de vroegere koninklijke familie over mogelijkheden het Slot Salem gezamenlijk te beheren. Gretig is Baden-Württemberg overigens niet: de deelstaat bezit al 54 kastelen.

Bernhard prins van Baden heeft meer haast. Onlangs deelde hij op gezag van een aantal deskundigen mee dat zijn familie aanspraak kan maken op 87 procent van de kunstvoorwerpen uit de deelstaatcollecties. Hij sprak de als dreigement opgevatte hoop uit dat deze claim niet door de rechter hoeft te worden bekrachtigd. Dan moet de regering wel snel een gebaar naar de familie maken. Zodra de banken de Van Badens niet langer uitstel van betaling gunnen, wordt het complex te koop aangeboden.

De prins deed zijn uitspraken in de wetenschap dat een meerderheid van het deelstaatparlement tegen verkoop van Salem is – en al helemaal tegen versnippering van het bezit onder meerdere koopjesjagers. Dat is ook de grootste vrees van de bewoners van Salem: dat mensen met veel geld maar weinig stijl bezit nemen van het complex.

Hoe gegrond die angst is, blijkt uit het lot van het in Beieren gelegen Slot Neidstein. Vorig jaar werd het 900 vierkante meter grote en 28 kamers tellende kasteel verkocht aan de Amerikaanse acteur Nicolas Cage – naar verluidt voor twee miljoen euro. De inventaris is via veilinghuizen over de hele wereld verspreid. Een redacteur van de Frankfurter Allgemeine Zeitung trof op diverse internetveilingen boeken en manuscripten uit de Neidstein-bibliotheek aan.

Slechts in uitzonderlijke gevallen is de exploitatie van kastelen mogelijk. Alleen bij Sanssouci in Potsdam – het zomerverblijf van de Duitse keizers en de koningen van Pruisen – en Slot Neuschwanstein – het sprookjeskasteel van de Beierse koning Lodewijk II – kunnen de kosten van het onderhoud door de entreegelden worden gedekt. Maar dit zijn de uitzonderingen op de regel van stijlvolle armoede en geleidelijke erosie van vorstelijk bezit.

Eigenlijk zijn de vorstenhuizen waarvan het bezit door de DDR is onteigend of door de naoorlogse grenscorrecties verloren is gegaan, beter af. Neem Georg Friedrich Prinz von Preussen, de 31-jarige chef van het Huis Hohenzollern. Hij houdt zich bezig met de culturele en geestelijke nalatenschap van de verdwenen staat Pruisen. ‘Daarvoor heb ik geen kasteel nodig’, zegt hij opgewekt.

Een leger glazenwassers is jaarlijks 1780 uur bezig met de 2373 ramen

08BUvorsten_ph01

Bibliotheek van het Slot Salem

Foto HH

Bij de inwerkingtreding van de Grondwet van de Weimar Republiek op 11 augustus 1919 verloor de adel zijn privileges. In de meeste Länder (deelstaten) werd de tot dan toe gevoerde titel bestanddeel van de familienaam.

Anders dan in Oostenrijk werd de Duitse adel na de Eerste Wereldoorlog niet meteen onteigend. De eerste naoorlogse regering zag van confiscaties af uit vrees dat de Geallieerden – die Duitsland herstelbetalingen hadden opgelegd – de opbrengst zouden opeisen.

Op deelstaatniveau werden regelingen met de vroegere vorstenhuizen getroffen. Soms vielen deze sterk in het voordeel uit van de vroegere heersers. Als reactie op de genereuze bedeling van de vroegere vorsten nam de communistische partij KPD het initiatief voor een referendum over de wenselijkheid van onteigening. De meerderheid van de kiezers bleek de wrok van de KPD tegen de ‘gekroonde rovers’ niet te delen.

Na deze uitslag troffen de vorstenhuizen die dat nog niet hadden gedaan een regeling met hun deelstaat. Daarbij vielen de Lastobjekte (gebouwen en tuinen) vaak toe aan de staat en behielden de families hun Renditeobjekte (bossen en landbouwgrond).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden