Duisternis en vlokkerigheid

DE KERKVADER Hiëronymus is de patroonheilige van de vertalers. De grote Franse vertaler Valéry Larbaud, die veel tradities kende, publiceerde dan ook een boek met de titel Sur l'invocation de St.-Jérôme....

De Vulgaat, zoals de vertaling is gaan heten, heeft een ontzagwekkende invloed gehad: in de literatuur, de theologie, de beeldende kunst. De jongste uitgave, waaraan vanaf 1909 door een pauselijke commissie was gewerkt, was maar net voltooid of de volkstaal verdrong de Vulgaat van haar belangrijkste plaats van handeling: het kerkgebouw.

Erasmus zag Hiëronymus als zijn voorbeeld, als theoloog, geleerde en vertaler. Als patroon lijkt hij nu vergeten. Misschien zou het toch geen kwaad hebben gekund als Ton Naaijkens hem nu en dan had aangeroepen of als een strenge meester (hij was zeer streng) in de verte had gezien. Wellicht dat de helderheid van de kerkvader over de eeuwen heen alsnog licht had gebracht in het Nederlands van Naaijkens. Hij doceert in Utrecht Duitse letterkunde en vertaalwetenschap, en als bijzonder hoogleraar in Nijmegen theorie en praktijk van het vertalen. Onder de titel De slag om Shelley verzamelde hij een aantal essays over vertalen. De stukken over de praktijk zijn verreweg het boeiendst, dat dient onmiddellijk te worden gezegd.

Wetenschap kan niet zonder theorie. De vertaalwetenschap vond onderdak bij de literatuurtheorie. En naar Naaijkens teksten laten zien, heeft ze daarvan het overigens steeds minder vigerende geheimschrift overgenomen. Er zou veel voor te zeggen zijn Naaijkens' theoretische teksten te vertalen. In het Nederlands. Misschien zou dan ook blijken dat nogal wat fragmenten problematiseringen zijn van in wezen eenvoudige, om niet te zeggen vanzelfsprekende zaken. Wellicht zou dan ook deze passage helder worden:

'Neem je het uitgangspunt dat een tekst altijd anders begrepen kan worden, eenvoudigweg omdat de drie factoren die het lezen bepalen - tijd, plaats en lezer - telkens anders zijn, dan geldt voor een vertaling dat zij de weerslag is van een bepaalde interpretatie.' Dat is helder als het gat van de open deur. De alinea gaat zo door: 'Zelfs bij het geciteerde gedicht [van Celan] en de daaruit afgezonderde vertaaleenheden ''Tülle'' en ''blakende Span'', waarbij de problemen van het lezen in dit verband enkel nog gelegen waren in het taxeren van de definitorische instructie en de literair-semiotische consequenties buiten de argumentatie werden gehouden, wordt dat onmiddellijk duidelijk.'

De laatste woorden dreigen heel geestig te worden. De geciteerde passage kan ook kenmerkend zijn voor wat ik maar noem de 'vlucht in het jargon', die een schrijver van het moeizame werken aan helderheid ontslaat, althans voor de gewone lezer (en voor hem zijn de genoemde verhandelingen toch bedoeld). Soms kan een duistere of niet zo goede schrijver zichzelf een slechte dienst bewijzen door een andere geleerde te citeren. In het boek staat een stuk met de titel 'W. Bronzwaers vertaalpoëtica'. Het is de tekst van een toespraak, gehouden op een bijeenkomst ter nagedachtenis van de ruim drie jaar geleden overleden Nijmeegse hoogleraar Algemene literatuurwetenschap en begenadigd publicist. Bronzwaer was in zijn schrijven altijd een wonder van helderheid, zoals ook de citaten in Naaijkens tekst (en ook de elders in het boek opgenomen uitspraken) laten zien. Die helderheid straft de omringende teksten terstond af: die beginnen wat te schemeren, worden wat vlokkerig ook.

De boosheid van het duister heerst vooral in het eerste deel van het boek, dat 'Vertalersreflectie' heet. In de twee volgende delen, 'Vertaalkritiek' en 'Vertaalgeschiedenis', dwingen de teksten de auteur tot concreetheid, al wil hij nog weleens aan het bespiegelen slaan en dan beslaat de tekst meteen. Uit het tweede deel lijken mij de stukken over Bernlef als vertaler en dat over Barnouws en Van Altena's vertaling van Chaucers Canterbury Tales (met een heel goede verdediging van de vertaling van Barnouw) de beste. In alle stukken worden kritische uitspraken over vertalingen bijeengebracht en vaak ontzenuwd. Helaas mist het stuk over de nieuwe bijbelvertaling structuur; een verzameling opinies levert nog geen essay op.

Het derde deel, 'Vertaalgeschiedenis', is het beste van het boek. Die geschiedenis (die nooit los te zien is van de literatuurgeschiedenis) is nog weinig beoefend. Nijhoff krijgt hier als vertaler en crtiticus van vertalingen alle hem toekomende eer, zijn belangrijke plaats ook in de vertaalgeschiedenis. Hij blijkt hier een 'tussenfiguur', wat hij ook als dichter was.

Een heel stuk literatuurgeschiedenis krijgt gestalte in het titelessay. De slag wordt geleverd tussen Kloos en Verwey. Kloos meende zich Shelleys ontdekker voor Nederland. Hij monopoliseerde de dichter. Wie zich met Shelley inliet, laat staan hem vertaalde (behalve als het, hoe slecht ook, met instemming van Kloos was gebeurd), schond het alleenrecht. Verwey heeft dat met zijn vertalingen en met zijn instemming met de vertalingen van Alexander van Gutteling gedaan. En er werd ongericht maar hevig geschoten vanuit Kloos' Haagse huis naar de duintop in Noordwijk waarop Verwey zetelde. Vele vertaalopvattingen - bijvoorbeeld dat alleen dichters dichters kunnen vertalen - komen langs. 'De slag om Shelley' is een mooi stuk literatuurgeschiedenis.

In de afdelling 'Vertaalgeschiedenis' staat ook een stuk dat 'de slag der classici' zou kunnen heten. Het speelt in 1912 en in 1958. En het gaat uiteraard om origineel en vertaling . De verdediging van het lezen van de oorspronkelijke tekst alleen, komt altijd van de niet zo talrijke grote kenners. Maar die kennen de winst- en verliesrekening het best. Ik moest denken aan een uithaal van Carry van Bruggen in haar Hedendaags fetischisme: ze hekelt de snobs die liever een boek in het slecht verstane origineel dan in een vertaling lezen en ontmaskert het bijgeloof van de uniekheid van het origineel. De door Naaijkens geciteerde uitspraak van Ter Braak over vertalingen, gaat hier naar de geest en ook enigszins naar de letter op terug.

Het valt te betreuren dat wetenschappers altijd wetenschappelijk willen zijn. Soms niet. Naaijkens noemt 'de achttiende-eeuwse Engelse Homerus-vertaler Matthew Arnold'. Arnold leefde in de negentiende eeuw, heeft nooit Homeros vertaald, wel lezingen over hem gegeven. Wie wordt hier bedoeld? Pope, achttiende-eeuwse vertaler van de Ilias? Chapman, de grote Homeros-vertaler uit de zeventiende eeuw?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden