Duistere zaken in Midden-Amerika

Leverde Nederland zo’n kwart eeuw geleden heimelijk steun aan gewapende verzetsgroepen in het Chili van Pinochet en aan strijders tegen rechtse regimes in Midden-Amerika?...

Van onze verslaggever Theo Koelé

Het woord grijs heeft hier een dubbele betekenis: de contacten tussen Nederlandse hulpverleners en ambtenaren aan de ene kant, en de ontvangers van Nederlands geld anderzijds waren schimmig.

Min of meer op verzoek van de Nederlandse overheid steunden het Humanistisch Instituut voor Ontwikkelingssamenwerking en andere ontwikkelingenorganisaties ‘de burgerlijke poten van de verzetsbewegingen in Midden-Amerika’, aldus het jubileumboek. ‘Het onderscheid met de militaire tak van die bewegingen was moeilijk te maken’, reageert Jan-Willem Bertens, die in de jaren tachtig van de vorige eeuw ambassadeur was in Costa Rica, en tevens Guatemala, El Salvador, Honduras en Nicaragua ‘bestreek’.

Een andere oud-diplomaat, die anoniem wil blijven: ‘We konden niet bewijzen dat er geen wapens werden gekocht met het geld dat we beschikbaar stelden’.

Het begon allemaal met de PvdA’er Jan Pronk, minister voor Ontwikkelingssamenwerking in het kabinet-Den Uyl. Na de staatsgreep van generaal Pinochet, waarbij de gekozen linkse president Allende in 1973 werd vermoord, staakte Pronk de ontwikkelingsrelatie met Chili. Maar hij wilde zijn geld, via Hivos en andere Nederlandse ontwikkelingsorganisaties, wel kwijt aan mensenrechten- en vrouwengroepen.

De auteurs van het jubileumboek, Frans Bieckmann en Ellen Lammers, noemen het ‘mantelorganisaties die zich actief bezig hielden met de strijd tegen de dictatuur’.

De overheidsteun voor projecten die bij het Hivos als ‘vertrouwelijk’ of ‘geheim’ te boek stonden, werd later uitgebreid naar Midden-Amerika. Toenmalig Hivos-medewerkster Willy Pronk zegt in het jubileumboek: ‘Het waren nooit rechtstreeks subversieve dingen’. Maar veel activiteiten moesten geheim blijven, om de veiligheid van de ontvangers te waarborgen. ‘Veel mensen mochten niet worden geïdentificeerd. Banden met donoren konden niet worden bekendgemaakt. Betalingen moesten cash, niet via een bankrekening’.

Op het ministerie van Buitenlandse Zaken werd gesproken over ‘bijzondere projecten’, zegt voormalig topambtenaar Trix Ambags in het boek. ‘Het waren uitermate gevoelige programma’s. We konden dat niet aan de grote klok hangen. En ook zeker niet naar de Tweede Kamer toe. Je moest wel iets zeggen natuurlijk, maar veel werd verbloemd’.

Gevraagd om een toelichting zegt de diplomate in ruste: ‘De politieke leiding op het ministerie wilde precies weten wat er gebeurde. De Kamer kreeg een globaal beeld. Maar we konden niet veel details geven. Het geld ging immers naar mensen die in een benarde positie verkeerden, die slachtoffers waren van een repressief regime’.

Het beleid van Pronk om de particuliere ontwikkelingsorganisaties veel vrijheid te gunnen bij de besteding van hulpgeld in Chili en Midden-Amerika, werd voortgezet door zijn opvolgers van CDA- en VVD-huize. Jan-Willem Bertens wijst op de groeiende belangstelling voor het continent: ‘In 1979 leidde de val van dictator Somoza in Nicaragua tot grote euforie in Nederland. In de ogen van de Amerikanen was de nieuwe leider Ortega een communist, maar Nederland opende in Managua een Kantoor voor Wederopbouw, een nieuw diplomatiek fenomeen. Meer dan driehonderd ontwikkelingswerkers overspoelden het land’.

Bertens herinnert zich dat de publieke en politieke belangstelling voor Midden-Amerika in Nederland ‘enorme proporties aannam’ na de moord op een tv-ploeg van de IKON, in 1982 in El Salvador gepleegd door het Salvadoraanse leger. De ambassade in Costa Rica (‘vier man en een opgezette eekhoorn’) werd opgewaardeerd tot regionale ambassade. Als ambassadeur zag Bertens een stoet Nederlandse ministers aan zich voorbijtrekken.

Dat Hivos en andere hulporganisaties ook onder ministers van rechtsere signatuur volop de ruimte kregen in de regio, heeft volgens een andere oud-diplomaat mede te maken met de vele ‘linkse ambtenaren die Pronk als erfenis achterliet’. Onder hen de latere minister voor Ontwikkelingssamenwerking Eveline Herfkens (PvdA), die onder meer bestuurslid was geweest van het Strijdfonds Chili.

Chili was en is ook de passie van haar partijgenote Saskia Stuiveling, die begin jaren tachtig korte tijd Hivos-voorzitter was. Maar de manier waarop de huidige president van de Algemene Rekenkamer in het jubileumboek voorkomt, bevalt haar geenszins. Een inmiddels overleden collega-bestuurslid bij Hivos suggereert dat ze met Buitenlandse Zaken activiteiten in Midden-Amerika ‘regelde’, die voor medewerkers verborgen moesten blijven.

Stuiveling: ‘Met Midden-Amerika heb ik me niet beziggehouden. Ik ben bij Hivos gekomen om wat ik wist van Chili; ik was al jaren actief bij het Institute for the New Chile in Rotterdam. Alle politieke partijen in Nederland, alle hulporganisaties steunden uiteindelijk het verzet in en buiten Chili tegen de Pinochet-dictatuur. De hulp was gericht op politieke partijen, op vluchtelingen. We wisten naar wie het geld ging, maar konden vaak geen namen noemen omdat we niemand in gevaar wilden brengen. Er kwam geen geld terecht bij gewapende groepen.’

Ook oud-diplomate Ambags houdt het erop dat Nederland geen militaire steun heeft verleend via hulporganisaties. Maar als Buitenlandse Zaken hoorde dat Hivos ontheemden in de Petén (Guatemala) steunde, wist men op het ministerie dat ‘die guerrilleros weer eens wat te eten hadden’.

En, zo luidt een bekend militair gezegde, met een lege maag kun je niet vechten.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden