Duistere diepten vol kollende krachten Marten Toonder rondt zijn autobiografie af

MARTEN TOONDER woont al meer dan dertig jaar in Ierland. In het laatste deel van zijn autobiografie vertelt hij hoe hij er verzeild raakte....

Hij trok er onmiddellijk met zijn vrouw Phiny heen en herinnert zich een rit door een bar en verlaten landschap, waar aan het eind van een afdaling opeens een dal vol bloemen lag; rodondendrons in volle bloei, een uitzinnige kleurenpracht onder een blauwe hemel. Maar in de achteruitkijkspiegel van de auto zag hij iets anders, een duister beeld dat hij niet thuis kon brengen. 'Boven het ruige landschap dat we net verlaten hadden, hing een loodgrijze lucht die snel omhoog klom. Er hingen spits toelopende slurven uit, die op naderende stortbuien duidden. Het was een noodlotzwanger beeld, en we waren beiden sprakeloos. Een grotere tegenstelling met het kleurendal was dan ook niet te bedenken.'

Het begon te regenen. 'We gingen in de auto zitten en keken zwijgend naar het paradijselijke dal dat snel kleur verloor, terwijl de zon verdween achter een dreigende wolk waaruit regen kletterde. Maar in de verte bleef hij schijnen, en een minuut of vijf later trok de bui al weer op, met achterlating van wat flarden. Die wierpen schaduwen over het kleurendal, zodat een stukje vermiljoen soms veranderde in onbestemd groezel en dan weer opvlamde. Dit is het leven, dacht ik. Maar ik uitte het niet omdat het klonk als klets.'

'Dat was Hitler', zei ik in plaats daarvan, en Phiny keek me nadenkend aan, zonder iets te zeggen. Het was duidelijk dat dit gebeuren grote indruk op haar gemaakt had en dat ze bezig was om het te verwerken. Een sterker bewijs van licht en donker of goed en kwaad was niet te geven. In woorden klinkt het als dorre theorie; maar zoals wij dat toen hebben meegemaakt, zagen we de tegenstelling ontstaan. Het was het begin van mijn eigen overtuiging dat de hele natuur God zelf is.'

Toonder begon zijn levensbeschrijving met het deel Vroeger was de aarde plat (1912-1939), gevolgd door Het geluid van bloemen (1939-1945). Het eerste deel was opgedragen aan zijn vrouw Phiny Dick, het tweede aan zijn broer Jan Gerhard, het derde aan niemand. Kennelijk zijn er geen getrouwen van vroeger meer, met wie hij zijn herinneringen deelde. Zijn broer was al eerder overleden, zijn vrouw stierf in 1990. Je zou kunnen zeggen, gezien een ander citaat, dat dit slotdeel opgedragen is aan het wezen van zijn gedachten en levensovertuiging. ('Ik heb Tom Poes altijd als een onvervreemdbaar voortbrengsel van mezelf beschouwd, en als ik Heer Bommel tekende, was dat een deel van mij.') Het laatste deel draagt ook zo'n op het eerste gezicht onbegrijpelijke Bommeltitel Onder het kollende meer Doo en beslaat de jaren 1945-1965.

De lezer zal er weer een aantal mooie Toonder-woorden in aantreffen - opgediept uit een vergeten deel van de taal, ontsproten aan zijn fantasie of mogelijkerwijs gevist uit een diepliggende Groninger oorsprong -, zoals zorgsels, kollen, hoetel, verdoft, slibber (mooi begrip voor een NSB'er) en een woord waarvan ik de betekenis alleen maar kan gissen, eelse. In 1986 verscheen het laatste Bommelverhaal, Het einde van eindeloos, waarin de rusteloze globetrotter voor wie geld nooit een rol speelde in het huwelijk trad met zijn beminnelijke buurvrouw Doddeltje. Sindsdien zette Toonder zich aan het schrijven van zijn autobiografie, die met dit derde deel wordt afgesloten.

In de beschrijving van de onheilstijding boven dat lieflijke dal zit eigenlijk alles besloten waar het in het latere leven van Toonder om draait. De titel Onder het kollende meer Doo slaat op een al even onheilspellende ervaring met een onbegrijpelijk natuurverschijnsel in Lough Doo, het zwarte meer in Ierland (kollen betekent heksen of toveren, maar ook met de slagersbijl doodslaan). De jaren tussen 1945 en 1965 die het boek behandelt zou je in een ander verband het tijdperk van de Wederopbouw noemen en natuurlijk handelt het ook over de wederopbouw van Toonders in de oorlog doordraaiende studio, die zwalkte tussen aanpassing aan de wensen van de bezetter (waar hij aan toegaf om zoveel mogelijk mensen in dienst te houden om hen voor de Arbeitseinsatz, of erger, te behoeden) en daadwerkelijk verzet plegen met illegaal drukwerk, het vervalsen van documenten en het verschaffen van onderdak aan onderduikers en verzetsgroepen.

Die oorlog is bepalend geweest in het leven van Marten Toonder en Phiny Dick. Het boek is ervan doordrenkt. Het handelt eigenlijk meer over de oorlog, in terugblikken en vooruitkijken naar de gevolgen ervan, dan over de periode die volgde. Hun levens werden erdoor getekend. Het boek beschrijft in wezen het drieluik waaruit Toonders latere leven bestaat. Het behandelt de manier waarop hij die oorlog verwerkt, zijn passie voor Ierland en de bovennatuurlijke ervaringen die hij er opdoet; en het is - net als de voorafgaande delen - in hoge mate een gepassioneerd 'portrait of a marriage'. Hij zoekt en vindt, zoveel jaar later, alsnog inzicht in toen soms onbegrepen gedachten van zijn vrouw waaraan, ook weer, die oorlog ten grondslag lag.

Het boek begint er al mee dat hij op een bank in de tuin was gaan zitten denken, omdat het die dag een halve eeuw geleden was dat er een eind aan de oorlog kwam. Hij beschrijft, met nog alle weerzin van toen, hoe hij en zijn broer Jan Gerhard na de oorlog door het Militaire Gezag en de Ereraad werden geschoffeerd. En hoe vrienden uit het verzet de nieuwe wereld waar ze voor gevochten hadden in een restauratie van de sleetsheid van vroeger zagen veranderen en een staatsgreep voorbereidden. Er zit een mooie passage in over een rit in de oude DKW van een verzetsvriend. Het ding rammelde zo erg dat ze bang waren dat er een wiel af zou lopen. De chauffeur stopte en deed om hen gerust te stellen de achterklep open. Het gerammel kwam uit de koffer, die gevuld was met geweren, stenguns, lichte mortieren, pistolen en de bijbehorende ammunitie. 'Je moet niet denken dat de oorlog voorbij is', zei de vriend. 'We beginnen pas.'

De oorlog keert voortdurend terug in Toonders gedachten, in terugblikken op vrienden en medewerkers en vooral in de ontwikkeling van zijn vrouw Phiny. Hijzelf verdrong zijn ervaringen en vluchtte in dromen weg of, en dat blijkt uit zijn strips, verwerkte ze in de belevenissen van zijn alter ego. 'Bij Phiny werkte dat anders, omdat ze niet zoveel aan het onbewuste had overgelaten.' Ze was, schrijft hij, 'als een meer dat onder een stille oppervlakte een duistere diepte vol kollende krachten verborgen heeft gehouden'.

Zijn vrouw werd neerslachtig. Ze groeiden uit elkaar. 'Ze besefte dat wel, en het maakte haar erg ongelukkig omdat ze niet langer wist hoe ze me bereiken kon.' Het zit hem nog dwars dat ze toen zo weinig met elkaar gepraat hebben. 'Voor haar was het ergste dat miljoenen mensen slecht geworden waren. Slecht door kwaad te doen, en slecht door niets te doen om dat kwaad te bestrijden. Slecht door passiviteit is ook slecht, zei ze met grote overtuiging. Het egoïsme in een mens is even erg als kwaad doen.'

Zij kreeg belangstelling voor oosterse religies en filosofieën, bestudeerde Krishnamurti, de I Tjing, Jung, en trad toe tot de Arcane School, een beweging die zich 'de Wereld Goede Wil' noemde. Die studie eindigde in iets dat op boeddhisme leek. De kennismaking met Jung bracht bij hem ook iets teweeg, de verbazing van de ontdekking dat een groot deel van zijn verhalen autobiografisch is. 'En dat is meer een bekentenis', zegt hij, 'dan lawaai in een klein straatje.'

Hij verwoordt de persoonlijke filosofieën die daaruit voortkwamen en het verschil tussen de hare en de zijne. 'Het is soms moeilijk om De Weg, de Tao van Lao Tse, te verenigen met Het Pad van de Goede Wil, en om de rol van de Vrije Wil op die Weg of dat Pad onder woorden te brengen.' En: 'Het is die tegenstelling tussen goed en kwaad, die in werkelijkheid niet bestaat omdat de zachte grijstonen waar het zwart van het kwaad in uitloopt, overgaan in het grijs dat uiteindelijk overgaat in het wit van het goede. Zo'n School is lichtgrijs - maar de Padvinderij is dat ook, als iemand begrijpt wat ik bedoel. En het Pad tot God is daar waar die twee grijzen onzichtbaar in elkaar overlopen. Een begrenzing is het niet; het is de Weg van het Midden - de Tao.'

Bij de geur van een turfvuur in de haard, die zoveel melancholie oproept, verhaalt hij over hun kinderen en geadopteerde kinderen. Over zijn vader, schipper naast God die de oorlog varend op zee en in Engeland doorbracht, later commissaris van zijn studio werd en daar zijn bevindingen in logboeken steevast eindigde met 'Pomp lens'. Zijn Tom Puss Tales was het eerste Nederlandse boek dat na de oorlog in het Engels werd vertaald en het eerste boek dat de Bezige Bij na de oorlog uitgaf. 'Daar is ernstig over geklaagd; en zelfs Bert Schierbeek, die later een vriend van de familie werd, kon niet genoeg uitdrukkingen verzinnen om zijn walging duidelijk te maken. Terwijl hij toch', voegt Toonder er met noordelijke verbazing aan toe, 'een Groninger is.'

Zijn mijmeringen drijven hem terug naar wat in de Toonder Studio gebeurde. Hij herwaardeert zijn medewerkers uit die dagen en verhaalt over de vrijwel permanent zorgelijke positie van de onderneming. Hij moet een merkwaardige ondernemer zijn geweest. Er is niet goed uit zijn levensbeschrijving op te maken of hij, wat dat betreft, uit naïviteit handelde - een kunstenaar en dromer die toevallig in zaken terecht was gekomen -, of uit onvermogen. In ieder geval keert steeds terug dat hij zich zulke problemen niet bewust was, of ze ontvluchtte om dan thuis aan een Bommelverhaal te gaan werken. 'Zoals gewoonlijk vergat ik alles toen ik eenmaal begonnen was. Het verhaal werd belangrijker dan de werkelijkheid.'

Die heikele geschiedenis van de onderneming vormt een van de merkwaardige draden in dit levensverhaal. Wat er ook maar misging, als de nood het hoogst gestegen was, viel door geluk, toeval, een voorschot op de bovennatuurlijke krachten in het magisch Ierland waar hij zich zou vestigen, de oplossing altijd 'zomaar' uit de hemel en bracht redding.

Ierland trok hem vooral toen hij bij Blavatsky had gelezen hoe er wetenschappelijk was vastgesteld dat in het westen van het land sprekende en bewegende stenen te vinden waren. Zijn Bommelverhalen hebben direct verband met dat land, zoals ze ook een metafoor voor zijn ervaringen in de oorlog zijn. Wie echt tot hem wil doordringen, moet ook de avonturen van zijn alter ego bestuderen, die wel eens andere paden in wilde slaan dan enkel die weg van het midden.

Ierland moet de persoonlijke religie, om het maar zo te noemen, die Toonder in zijn leven ontwikkelde - de weg waar de grijstinten samenvloeien -, hebben gestimuleerd. 'De stemmingen van zo'n landschap zijn nooit gelijk', schrijft hij. 'De schaduwen glijden langzaam over de moerassen en hellingen, en een heuvel die daarnet nog groen en vriendelijk lag te glimlachen, betrekt alsof hij slecht nieuws gekregen heeft en staart somber en zwart naar de langstrekkende reiziger. Zo'n heuvel leeft; een vreemd, ondoorgrondelijk leven.'

Marten Toonder: Onder het kollende meer Doo - Autobiografie 1945-1965. De Bezige Bij, ¿ 39,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden