Dubsteppopmetaljazz

Het programma van North Sea Jazz was in tijden niet zo sterk en gevarieerd als dit jaar. Prince gaf een verrassingsoptreden, maar deze geslaagde festivaleditie had ook best zonder dergelijke verrassingen gekund.

Daar stond-ie dus, Prince, vrijdagavond, een paar minuutjes gitaar-spelend bij funkbassist Larry Graham. Het zou bij dat optreden blijven, maar de hele vrijdag gonsde het van de geruchten: hij zou wel even meedoen met Santana, of wie weet, met zangeres Lianne La Havas. Nee, en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het festival ook makkelijk zonder dergelijke verrassingen kon, want hoewel te kampen met een paar vervelende afzeggingen (Sonny Rollins, McCoy Tyner) leek het programma in de breedte afwisselender en sterker dan de laatste jaren.


Verheugend ook te constateren dat er een mooie aanwas aan betrekkelijk jonge en nieuwe muzikanten stond geprogrammeerd. Zo was er Gregory Porter, hij mocht zaterdag dan maar een paar liedjes meedoen met het subliem en fluweelzacht spelende Metropole Orkest, maar hij wist al vroeg op de dag de grote Maaszaal in een wurggreep te houden.


Ook Cody ChesnuTT pakte de voor hem veel te kleine Congotent in met een dampende soulset, die het optreden van de als een komeet omhooggeschoten bluesgitarist Gary Clark Jr. overlapte.


Hoe knap de Jimi Hendrix-imitaties van Clark ook waren, het ontbrak hem aan een eigen visie en eigenlijk ook aan echt bijzondere songs. Daarvoor moest worden uitgeweken naar de kleinere Yenisei-zaal waar zaterdag een stel verrassend sterke singersongwriters werd gepresenteerd, allen behept met het vermogen hun liedjes muzikaal spannend te omlijsten. De dartele Jennah Bell en de haast archaïsch aandoende bluesy folk van Kat Edmonson waren een welkome afwisseling op de harde feestelijke hiphop van The Roots of het rijke, opzwepende Afrikaanse samenspel van gitaarzang en talking drums van de band van Bassekou Kouyate.


De variatie was groot, het niveau hoog. Goed ook die aandacht voor het groeiende aantal conceptbands die soul, rock en funk vermengen met jazzmuziek. Vrijdag was er een podium aan gewijd, onder de paraplu van 'Jazz Rocks'. Jonge muzikanten met conservatoriumopleiding, maar vooral veel energie en absoluut niet alleen maar jazzmuziek in de platenkast.


Geen lange, geïsoleerde jazzsolo's, maar vuige bandperformances die tal van genres aantikten. Bij het trio Badbadnotgood bijvoorbeeld, proefden we dubstep en popstructuren en later op de avond kwam de sfeer tot het kookpunt met de stomende funk van Snarky Puppy. Veruit het indrukwekkendst bleken drie oude heren: freefunkers Medeski, Martin en Wood. In een jamsessie vonden zij de ultieme balans tussen technisch vernuft en vrije expressie.


En er mocht dan wel geen artist-in-residence zijn aangewezen dit jaar, jazzgrootheden Steve Coleman en John Zorn kregen wel elk een dag een podium te vullen met fraai resultaat. De keuze voor ritmebeest Coleman is een logische in deze tijd waarin veel jeugd is gefocust op freakritmen. Zijn optreden leidde tot gejuich vanuit het publiek dankzij een hypnotiserend concert waarin ter plekke een ritmisch mozaïek werd gelegd.


Nog spectaculairder waren zaterdag de optredens van de andere curator John Zorn. Gitarist Marc Ribot trok de meeste aandacht naar zich toe, aangezien Zorn bij drie van de vier optredens alleen dirigeerde. Ribot speelde alle stijlen van gemeen rauwe blues tot zachtmoedig Zuid-Amerikaans, op de akoestische gitaar. Bijzonder moment: tijdens een optreden van de metal-impro set van The Templars holden mensen de zaal uit met vingers in de oren. Het concert leek dan ook op een satanistische kerkdienst waarin zanger/stem-kunstenaar Mike Patton (Faith No More) de longen uit zijn lijf schreeuwde, aangevoerd door een opgevoerde motor van freaky orgelgeluiden, blatende baslijnen en overdonderende drumpartijen.


Dat geweld klonk zelfs door tot in de Hudsonzaal, waar een van de beste en verrassendste concerten van deze North Sea Jazzeditie plaatsvond: dat van Ibrahim Maalouf. Zijn naam gonsde al een tijdje door jazzland en de Frans-Libanese trompettist maakte alle verwachtingen waar. In zijn uitgeklede, kernachtige jazzmuziek, telkens refererend aan Miles Davis, veroverde hij de harten van het enthousiaste publiek, ook dankzij zijn misschien wat lange, maar vermakelijke praatjes.


Bijzonder ook was zaterdag het Esbjörn Svensson Trio Symphony. Vijf jaar terug overleed pianist Svensson en werden de plannen gesmeed voor deze uitvoering. Drummer Magnus Öström vertelde over het werk met een brok in zijn keel. De arrangementen schitterden in hun veelkleurigheid en vormden een mooie ode, terwijl saxofonist Yuri Honing indruk maakte met meerdere diep gevoelde solo's.


De grote popnamen in de grootste zaal de Nile, konden zaterdag het grootse, zeer druk bezochte optreden van Santana niet doen vergeten. The Roots jasten er wat al te routineus hun setje met Guns 'N Roses en Led Zeppelincitaten doorheen, en lieten hun eigen toch baanbrekende hiphop een beetje links liggen.


John Legend begon zijn show spectaculair met The Roots als begeleidingsband, maar kwam vervolgens met zijn mooi verzorgde, maar weinig dynamische soul nauwelijks tot de tribunes achter in de zaal. Het was dezelfde zaal waar de zaterdag feestelijk was begonnen met de soulvolle rock van Steve Winwood, die een mooie selectie bracht uit zijn bijna vijftigjarige carrière.


Dinsdag deel twee van het verslag van North Sea Jazz.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden