Dubbeltjes kunnen best kwartjes worden

De boodschap dat de emancipatie van de onderklasse tot stilstand is gekomen, is te somber, meent Hendrik Jan Schoo, werk en scholing kunnen wonderen doen..

Onlangs sprak ik een Amerikaanse socioloog die midden jaren zestig domicilie koos in Chicago's Up-town, een buurt die in de jaren vijftig razendsnel van bevolking wisselde. De middenklasse vertrok, arme blanken uit de Appalachen namen hun plaatsen in. Poor white trash uit de 'bergholen' van de Virginia's. James Agee, de schrijver-journalist, en Walker Evans, de fotograaf, vereeuwigden hen in hun befaamde Let us now praise famous men.

De radicale New-Yorkse socioloog, voorzitter van Students for a Democratic Society (SDS), was als organizer naar Uptown gekomen om in de egalitaire geest van die jaren de armen te helpen meer greep op hun buurt en leven te krijgen.

Toevallig kwam ik eind jaren zestig een paar keer door Uptown. Een wit getto, vervuild en vervallen, roestbakken voor de deur, her en der hangende mannen, spelende kinderen en vrouwen met witte sokken over hun nylonkousen. 'Hoe is het ze nadien vergaan?' vroeg ik de nog altijd linkse socioloog. Verrassend goed, eigenlijk. Ze waren niet zo bijzonder meer en gaandeweg opgegaan in de samenleving.

Het is een relaas uit vele. Bevolkingsgroepen waarover ooit werd geschamperd en gesomberd, maar die na verloop van tijd, bijna ongemerkt, door de maatschappelijke hoofdstroom zijn opgenomen en niet langer als 'probleem' te boek staan.

Menigeen zal denken: kunst, dat waren geboren protestantse Amerikanen van Engelse komaf die de taal spraken en deel uitmaakten van de Amerikaanse cultuur. Arm, niet anders. Dat is andere koek dan de 'probleemgroepen' waarmee West-Europa tegenwoordig te maken heeft. Nu gaat het om immigranten, niet blank, althans niet spierwit, meestal met een ander geloof, een andere cultuur en een andere taal.

Allemaal waar, maar een miskenning van de mate waarin poor white trash als wezenlijk anders werd gezien. Geen ander ras, maar veel scheelde het niet. In diezelfde late jaren zestig stond in The New Republic, geen rechts vod, een stuk dat pleitte voor gedwongen geboortebeperking - om hen van 'de tirannie van hun biologie' te verlossen. Een late echo van de angst dat hoogwaardige exemplaren van de menselijke soort door laagwaardige types overvleugeld zouden worden.

Die angst was in het vroeg-twintigste-eeuwse Amerikaanse immigratiedebat volop aanwezig. De sociaal-darwinistische aanscherping van de immigratiewetgeving uit die tijd kwam eruit voort. Onder anderen de als moreel en intellectueel inferieur bestempelde Oost-Europese joden werden zo uit het beloofde land geweerd. Niet veel later stelde Harvard quota voor joden in om te voorkomen dat zij, met hun betere testscores, blanke protestante studenten van de universiteit verdrongen.

Gemeenschappelijk aan de lotgevallen van de arme blanken en de Oostjoden is hun maatschappelijke 'emancipatie'. Beide groepen logenstraften vroeg of laat hun vermeende minderwaardigheid. Veel joden door maximaal gebruik te maken van het onderwijs in het nieuwe land.

Ook de gedoemde Appalachian whites profiteerden van goed onderwijs in de grote stad. Mondjesmaat misschien, maar voldoende om in de jaren tachtig en negentig te worden opgetild door een dynamische economie. Ook zij die niet meteen Harvard bestormden en gewoon een vak leerden, lieten een leven van afhankelijke armoede achter zich.

De ontmoeting met de Amerikaanse socioloog was bedoeld om het te hebben over de moeizame integratie van moslims in Europa. Altijd interessant, al voel ik me als ongelovige in zaken des geloofs als een vegetariër die zijn mening over het vlees ten beste geeft. Me ervoor afsluiten kan niet, gespierde opvattingen debiteren lukt niet. Liever kijk ik naar de maatschappelijke en economische context van integratie en emancipatie, als het niet anders kan ook naar culturele factoren. Daarom hapte ik vast toe toen die arme blanken ter sprake kwamen. Zij schreven geen spectaculair succesverhaal, maar hun wederwaardigheden relativeren op z'n minst de uniciteit van de huidige integratieproblemen.

Er is veel te doen over het lage onderwijsniveau van Turken en Marokkanen. Demograaf Jan Latten vatte het in zijn geruchtmakende oratie Zwanger van segregatie zo samen: 'Ruim driekwart van de Turken en Marokkanen hebben maximaal een opleiding op Mavo-niveau. Het zijn bevolkingsgroepen die worden gedomineerd door ouderparen met een laag opleidingsniveau.'

Die achterstand bederft hun kansen op de arbeidsmarkt en belemmert integratie. Maar we moeten de feiten wel in perspectief zien. Immigranten liggen een straatlengte achter op autochtonen, maar eerdere generaties autochtonen laten zij al ruimschoots hun hielen zien. In 1970 had 50 procent van de Nederlandse beroepsbevolking alleen lager onderwijs gedaan. Nu is dat: 40 procent vbo/mavo, ruim 40 een opleiding op middenniveau en een dikke 20 procent hbo/wo.

In veertig jaar tijd voltrok zich, geholpen door economische groei en gestage welvaartsstijging, een onderwijsrevolutie die nieuwe generaties van kennis en vaardigheden voorzag die voor hun ouders onbereikbaar waren. Een wonder eigenlijk. Omdat we zo snel vergeten, zijn we geneigd 'zwarte' en 'witte' scholen als een helemaal nieuw probleem te zien. Onderwijssegregatie is ook een probleem, maar echt nieuw is het niet.

Nog midden jaren zestig, aan de vooravond van de onderwijsrevolutie, was het lager onderwijs in de steden in wezen standsonderwijs. 'Opleidingsscholen' bereidden voor op hbs, mms, lyceum en gymnasium. Wie dat niet haalde, kon altijd nog naar de ulo. 'Volksscholen' leverden daar hun beste leerlingen aan de betere gingen naar ambachts- en huishoudschool. Maar voor velen was de lagere school eindonderwijs. Van ongedeeld onderwijs was geen sprake. Het was stand bij stand. Alleen de elite en de allerbegaafdsten uit lagere milieus, mits van het juiste, mannelijke, geslacht, drongen door tot hogeschool en universiteit en, later, de hogere echelons van de samenleving. Zoals links in de jaren zestig knarsetandend vaststelde: het onderwijs 'reproduceerde' de maatschappelijke verhoudingen.

Die gesloten standenmaatschappij is niet meer. Te beginnen met de hbs in de negentiende eeuw, slaagde het onderwijs erin 'verborgen talent' aan te boren. En de samenleving leerde om mensen niet alleen op hun sociale afkomst - en, niet te vergeten: sekse - te beoordelen en hun plaats in de maatschappij te wijzen. Verdiensten, merites als intelligentie, kennis, vaardigheden, werklust, gingen ook tellen. Niet dat de oude scheidslijnen van rang en stand helemaal verdwenen, maar de meritocratie die uit de standenmaatschappij groeide deed ze wel vervagen. Die nieuwe nadruk op verdienste leidde de voorbije eeuw tot dalen en stijgen op de maatschappelijke ladder. Vooral dat laatste, want de economische ontwikkeling en veranderingen op de arbeidsmarkt hielden niet in dat de één zijn emancipatie opeens andermans declassering was. Er kwam zowel 'more room at the top' als een breed, druk krioelend maatschappelijk midden.

Everybody happy? Nee, van meet af aan had de meritocratie haar dissidenten. Sterker, voor de man die de term muntte, de Engelse socioloog, socialist én edelman Michael Young, was de meritocratie helemaal geen aanlokkelijk vergezicht, maar een schrikbeeld. Zijn The Rise of the Meritocracy (1958) was een satire op 'verdienste' als grondslag voor maatschappelijke waardering. Een jaar voor zijn dood in 2002 riep hij in de Guardian nog recalcitrant: 'Weg met de meritocratie' en hij verbood Tony Blair, aanhanger van het meritocratisch ideaal van individuele emancipatie, met zoveel woorden om het m-woord te gebruiken.

Voor Young is de meritocratie een wrede manier om de maatschappij te ordenen. De heerschappij der verdienstelijken vernedert de onvermijdelijke verliezers, mensen met beperkte intelligentie en geringe schoolse vaardigheden. Voortdurend wrijft de meritocratie hen in dat ze sukkels zijn. Zij hebben gefaald en weten het. Niet door een speling van het lot, geboorte, maar eigen tekortkomingen. De winnaars daarentegen, de meritocratische elite, gelooft zo in haar eigen voortreffelijkheid dat zij zich, almaar inhaliger, steeds grotere rijkdommen toeëigent. De meritocratie, kortom, is niet te rijmen met het gelijkheidsideaal, zij staat voor 'kansengelijkheid' en schrijnend ongelijke uitkomsten. Daarom liever de geborgenheid van rang en stand, de veilige haven van de arbeidersklasse, dan dit gevecht met al zijn verliezers.

Youngs ideeën hebben in de Britse standensamenleving steeds op aanhang kunnen rekenen, uit socialistische als conservarieve hoek. De Engelse filosoof John Gray noemde Young daarom de ontwerper van een 'reactionaire orthodoxie' die nog altijd als een dood gewicht op het Britse politiek rust.

Volgens Gray miskende Young dat toenemende sociale ongelijkheid het gevolg is van niet-selectief onderwijs. Dat is namelijk niet bij machte om slimme leerlingen van nederige afkomst boven hun milieu uit te tillen. Met als gevolg dat zij inmiddels minder kans maken dan jarenlang het geval was, om in hun latere leven tot de betere banen door te dringen. Communistenleider Marcus Bakker zei het al in de verhitte middenschooldiscussie: nu arbeiderskinderen eindelijk ook naar het gymnasium kunnen, willen ze het afschaffen!

Daar is het nooit van gekomen. In Nederland is de meritocratische idee ook altijd minder omstreden geweest dan in Engeland. Na de voltooiing van de emancipatie van de volksdelen in de naoorlogse jaren, was het de beurt voor individuele emancipatie. Daarom kwam de Mammoetwet er in 1968. Latere pogingen om die om te bouwen tot een radicaal middenschoolmodel verzandden in het compromis van de basisvorming.

Toch slaat nu ook in Nederland scepsis toe over de zegeningen van 'de' meritocratie. Die heeft alles te maken met de massale immigratie sinds de jaren zeventig en de vooralsnog gebrekkige integratie van die nieuwkomers. Het meritocratisch beginsel integreert niet, maar brengt een gesegregeerde samenleving voort.

In Zwanger van segregatie zette Jan Latten veel sombere feiten op een rijtje. De samenleving is aan het 'uitsorteren', waardoor we 'soort bij soort' en sociaal nauwkeurig gelaagd, in onze eigen buurten en wijken wonen, met elkaar op school en kantoor zitten, onder elkaar trouwen en er dezelfde levensstijl op nahouden. 'Uitsortering' verandert de open samenleving die we dachten te hebben gekregen in een bastion van rangen en standen, met een 'etnische' onderklasse als permanente bewoners van het souterrain. Daar cumuleren onderwijsachterstanden, kwade kansen op de veeleisende, post-industriële arbeidsmarkt en lage inkomens. Toenemende ongelijkheid en segregatie zijn ons voorland. Precies was Michael Young altijd al voorspelde.

Misschien is de meritocratie bezig aan haar eigen logica ten onder te gaan. Haar leidend beginsel genereert niet langer sociale dynamiek, maar verfijnde 'uitsortering', geen sociale mobiliteit, maar een nieuwe standenmaatschappij. Die stoelt weliswaar niet op geboorte, maar op verdienste. Maar dat verschil is betekenisloos als intelligentie, de belangrijkste bron van verdienste, inderdaad in hoge mate erfelijk is. Met z'n allen hebben we dan, van de regen in de drup, een erfelijke standenmaatschappij verruild voor een erfelijke meritocratie.

Maar die vlieger gaat alleen op als onderwijs werkelijk verschil maakt, meer biedt dan het ouderlijk milieu of wat leerlingen van elkaar of internet oppikken, en alle talent rigoreus aanspreekt. En juist dat is intussen een twijfelachtige aanname, zoals Martin Sommer in de Volkskrant al weken achteren laat zien. 'Soft' onderwijs zoals het nieuwe leren maakt dat verschil niet, stelde de Engelse onderwijssocioloog Michael Young (nee, geen vergissing of grap, de man heet werkelijk ook zo) vorige week nog in NRC Handelsblad. Het belet getalenteerde kinderen van immigranten om aan de beperkingen van hun milieu te ontsnappen. Het hoge woord moet er maar uit: soft, niet-selectief onderwijs is anti-emancipatoir.

En anti-meritocratisch. Onderwijs dat geen verschil maakt, is standsonderwijs en 'reproduceert' weer feilloos maatschappelijke ongelijkheid. Het categoraal gymnasium voor de nieuwe geleerde stand, vmbo als 'volksschool' voor de nieuwe onderklasse, 'middelbaar' onderwijs voor het brede maatschappelijke midden. Dit nieuwe oude standsonderwijs doet vooral, maar zeker niet uitsluitend, kinderen van immigranten tekort, zowel de minder als de meer getalenteerden.

Terwijl nieuwe scheidslijnen ontstaan, vervagen oude maar langzaam. Begin deze week publiceerden het SCP en het CBS de nieuwe Armoedemonitor. Hij laat zien dat armoede niet alleen allochtonen bovenmatig treft. In Noord-Nederland hebben zich door de jaren heen pockets van 'autochtone' armoede gehandhaafd. Die welvaartsachterstand drukt de schoolprestaties. Op zichzelf leiden betere onderwijsprestaties niet tot verheffing van achtergebleven bevolkingsgroepen. Die zegekar wordt door twee paarden getrokken: economie én onderwijs, werk én 'cultureel kapitaal'.

Emancipatie is nog altijd mogelijk. Onderwijs, selectiever en veeleisender dan nu, heeft daaraan nog een machtige bijdrage te leveren. Immigranten zijn nog lang niet 'uitgesorteerd' over de maatschappij. Uit de besten moet nog een elite worden gevormd, uit de mindere goden goede vaklui waar de arbeidsmarkt om zit te springen. Dat komt neer op wat Jacques de Kadt eind jaren dertig als dé taak voor de sociaal-democratie zag: het organiseren van ongelijkheid. Het moet en het kan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden