Drupsteen bedient de oogtoerist

Tien jaar bepaalde hij 'het gezicht' van de VPRO. Inmiddels is grafisch vormgever Jaap Drupsteen Hare Majesteits Geldontwerper. Het meest tevreden is hij over zijn eigen werk als het resultaat hem zelf nog verrast....

0

HET STAAT in een bescheiden letterkorps op het randje van de 25 en de 100: J T G Drupsteen Inv.

Inv. Als we het tientje uit 1969 - nog met Baruch Spinoza - napluizen, vinden we dat inv terug achter de naam van R. Oxenaar. 'Inv staat voor invenit', verheldert Drupsteen, 'heeft gemaakt. Dat stond erop en dat heb ik overgenomen. Eppo Doeve had het ook al achter zijn naam staan.' Een vingerwijzing naar de geestelijke vader van het ontwerp, terwijl voorts vooral de handtekening van de directeur van de Nederlandsche Bank de biljetten beheerst.

Hoewel. Die handtekening lijkt bij het jongste biljet, de 100, steeds meer in het gedrang te raken. Een kleine paleisrevolutie op het Frederiksplein? Laten we zeggen: alles is er de Nederlandsche Bank aan gelegen om betrouwbare biljetten uit te geven, wettige betaalmiddelen zoals dat officieel heet. Biljetten dus die de horde van kopieerders en valsemunters op achterstand zet, en bij voorkeur uitschakelt. En de 100, sinds 1993 in de roulatie, is in zijn korte levensduur toonaangevend geworden met zijn collage van glimmers en het glanzend floers waarmee het geheel is bedekt. Daaronder schuilt een labyrint van symbolen en afleidingsmanoeuvres, waarvan het merendeel aan ons oog ontsnapt. Dus heeft die handtekening, als archach beschermingsmiddel tegen namaak, veel van haar belang verloren.

Drupsteen heeft een slot op de mond. Nee, hij mag niet zeggen of hij momenteel aan het nieuwe tientje werkt, of aan het nieuwe duizendje. Het ene zou kunnen, het andere ook. Over de beveilingsmaatregelen laat de ontwerper zich evenmin uit. Hij zwijgt over een eventuele bewaker voor de deur als de tekenaar tekent, en hij spreekt niet over geldtransportwagens met gillende sirenes die de ontwerpen richting Joh. Enschedé vervoeren. 'In principe is er niet zoveel aan de hand', bagatelliseert hij, 'omdat al het materiaal bij de drukker ligt.'

De Nederlandsche Bank hanteert het principe dat het oudste biljet het eerst aan vervanging toe is. Daarom gooit de toch wel grofborstelige Spinoza met de spirograph-fantasie op de keerzijde, de hoogste ogen om van het toneel te verdwijnen. De groene 1000, met de componist Sweelinck, dateert van begin 1970, en kent uiteraard een minder slopende omloopsnelheid dan de lager gedoteerde biljetten.

Hebben we eigenlijk nog wel behoefte aan een duizendje? Drupsteen meent van wel. 'Voor het zwart-geldcircuit', zegt hij zonder spoor van ironie. 'Ja, misschien is het dan inderdaad geen gek idee om hem zwart te maken.' Want aan het kleur-dictaat wordt minder stringent vastgehouden, nu er andere methoden zijn om de herkenbaarheid te vergroten en de vervalsers af te schrikken. Herkenbaarheid. Dat is de reden waarom de cijfers zo ongeveer ter grootte van chocoladeletters op de briefjes staan.

Oxenaar had hem gepolst, begin jaren negentig. Of Drupsteen zin had zijn opvolger te worden, als Hare Majesteits Geldontwerper. 'Ik moest er echt over nadenken omdat ik het van ver moest halen. Ik was al een tijdje uit het echte grafisch ontwerpen. Zat voornamelijk in de audiovisuele vormgeving. Toen dacht ik: laat ik mezelf maar trouw blijven en terugkeren naar dat gevoel van het begin, waarin je alles fantastisch vindt om te doen. Dat gevoel kreeg ik terug toen Oxenaar me vroeg. Stel je voor, bankbiljetten. Jeetje'

De Olympus voor de grafisch ontwerper? 'Ik zou het niet weten. Aan de reactie van de vakbroeders merkte ik dat ze het wel als zodanig opvatten. Maar het is toch een gebied met een onvergelijkbare problematiek. Voor mij zelf is het niet het summum, in ieder geval. Ik heb een merkwaardig gebrek aan ambitie wat dat betreft. Wat ik het liefste zou doen is tijd vrijmaken voor vrij, abstract videowerk, zoals Le Grand Macabre van Gyorgy Ligeti, dat ik nu in opdracht van het ZDF maak. De combinatie van video en muziek.'

Wie Drupsteen zegt, zegt VPRO. Eind jaren zestig haalde Jan Blokker hem bij de NOS vandaan om het visitekaartje van de vrijzinnig protestanten vorm te geven. Het logo duwde de omroepster van het scherm, en betekende ook het einde van de puntjes tussen de letters. Roelof Kiers, enkele weken geleden overleden, schakelde Drupsteen weer uit, en weg was het zwierige VPRO-vignet dat nu eens in ijs, dan weer in marmer, dan weer in druipende chocola werd uitgevoerd. De VPRO was geëmancipeerd, en liet een nieuwe generatie aan het woord, op de maat van de punk en met het materiaal van de straat.

Drupsteen moest een kleine tien jaar dulden dat zijn naam geassocieerd werd met de VPRO. Dat men dacht dat hij verantwoordelijk was voor de nieuwe leaders, zodat men voorzichtig bij zijn vrouw polste of het wel goed met hem ging. Extra opdrachten kreeg hij in die tijd niet, integendeel. Zo'n best voorland was de VPRO indertijd niet.

Hardnekkig en eigenzinnig, zegt hij nu, trachtte hij zijn terrein te veroveren, aanvankelijk principieel en dus per se niet-commercieel, omdat het 'not done' was. 'Te smakeloos en te belachelijk, daar kon ik me toch niet mee inlaten?' Daarna schoot hij door naar de andere kant en deed alles wat maar avontuurlijk leek. Videotrucages voor de KLM, regie van commercials - onder meer voor een obscuur merk shampoo dat nog vele hoofden in Latijns Amerika gewassen heeft - en filmpjes voor Philips.

'Laat ik maar de woorden van mijn leermeester Johan Haanstra citeren, die altijd zei: in de praktijk staan ze niet met open armen op je ideeën te wachten. Ze zullen vaak zeggen dat de mensen dat niet willen, of dat het niet verkoopbaar is. Maar je kunt tenminste altijd voorkomen dat je slechte lettertypes gebruikt.'

Geleidelijk aan verzeilde Drupsteen in de wereld van de corporate videos, de bedrijfsfilms. Een enkele maal kon hij zijn grootste liefhebberij uitleven, het regisseren van muziekprodukties. 'Maar dat is geen handel, om met Ome Jan te spreken. Er is bijna geen geld voor. Toen ik op de kunstacademie zat, studeerde ik 's avonds contrabas. Ik wist niet goed wat ik moest worden: ontwerper of muzikant. Ik heb het lot later laten beslissen. Leuk dat het nu via een achterdeur weer binnenkomt.'

Met de bedrijfsfilms heeft hij zich aan het oog van het grote publiek onttrokken. Maar het bevredigende, zegt hij, is dat de doelgroep overzichtelijk is, en dat je beter weet wat wel gelukt is en wat niet. Als je ook maar enigszins het doel mist, wordt dat ogenblikkelijk afgestraft. Bedrijfsfilms leggen bovendien sneller dan andere media een hiaat in een organisatie bloot.

'Door een storyboard te maken, ontdekken wij dingen die we niet begrijpen en die de raad van bestuur of de directie vaak evenmin begrijpt. Door er een beeld bij te maken ontstaat vanzelf een logica. Tenslotte wordt het hele complexe verhaal in tien minuten samengebracht. Dat scheelt een enorme hoeveelheid uitleg, en het werkt efficiënter dan een brochure of jaarverslag. Mensen lezen niet alles, maar als je ze voor een videoproduktie hebt gezet, weet je zeker dat ze alles gehoord hebben. Voor pr-functionarissen scheelt het ook, ze hoeven niet telkens hetzelfde verhaal af te draaien.'

Akzo vroeg Drupsteen een bedrijfsfilm samen te stellen over de produkten die het concern aan de auto-industrie levert, zoals kunststoffen, vezels en lakken. 'We moesten dus verschillende automobielfabrikanten proberen te bereiken. Dan kun je natuurlijk niet met een film bij Opel aankomen waar vijf Volkswagens op staan, of bij een Japanse fabriek met Europese wagens. Er mocht geen enkele auto herkenbaar in voorkomen, maar dat niet alleen: evenmin bandprofielen en interieurs. We hebben dus van de nood een deugd gemaakt. Heel close details geschoten, reflecties op de carosserie, deurlijsten en dat soort onderdelen. Als je dat op een woezewazzige manier doet, krijg je schitterende abstracties.'

In de sector van de grafisch ontwerpers laat Drupsteen zich niet licht in een vakje indelen. Een eigen stijl, een eigen handschrift, hij zou het niet weten. Als hij een ontwerp maakt, moet er hoe dan ook beweging in zitten, een dynamisch element. Sommige kunsthistorici die Dutch Design inventariseren, komen tot de slotsom dat hij nergens bijhoort. Drupsteen, het buitenbeentje. Jan van Toorn, ja die heeft school gemaakt. Wim Crouwel staat voor een mondiale beweging: De Grote Opruiming.

Daarna diende zich een nieuwe generatie grafisch ontwerpers aan die weer het platte vlak bestormde, met fotocollages, met ornamentiek, met scheef of diapositief gezette teksten. Dumbar, Beeke, Hadders, Wild Plakken. Een generatie waar Drupsteen zich niet bij schaarde, een lawaaierige groep die zich nu eens profileerde met affiches voor het Holland Festival, dan weer met covers voor uitgeverij Bert Bakker.

Heeft hij de boot gemist? 'Ik was niet in die boot geëteresseerd. Ik maakte videoprodukties en een soort muziektheater. Een heel ander verhaal. Ik was van het grafisch ontwerpen afgeraakt en vond het interessanter ingewikkelde begrippen te visualiseren, bijvoorbeeld voor bedrijven.'

Tot Oxenaar aan de telefoon hing.

Drupsteen en met hem Jan van Toorn, Walter Nikkels, Rob Schröder, Gerard Hadders en Hans Kruyt, werden gevraagd schetsontwerpen voor een bankbiljet te maken. Drupsteen stuurde als enige een abstract ontwerp in. Was het meest eigenwijs door een aantal aspecten uit het programma van eisen te veronachtzamen.

'Nou dan zetten de beoordelaars je meteen onderaan de lijst. Bovendien, een abstract ontwerp. Dan krijg je de hele goegemeente over je heen. Maar sla de historie van de Nederlandse biljetten er maar op na. Er zijn genoeg abstracties te vinden.'

De doorslag gaf dat Drupsteen als enige de echtheidskenmerken op het biljet benadrukte. 'Als je de echtheidskenmerken wil overbrengen aan het publiek, moet je ze benoembaar maken. Dat zijn herkenbare tekens en de rest doet er dan niet zoveel toe. De tulp en de klaproos op de 25, de muis op de 100 en de steenuil in het watermerk. Heel zichtbaar allemaal, zodat je ze niet hoeft te zoeken tussen olifant, hert of bever.'

Een van de gesmade collega's deed het briefje van 100 af als louter ornamentiek, louter vorm. Een ander hield het eenvoudig op 'leuk'. Drupsteen zou geen oog hebben gehad voor de inhoud. Onbegrijpelijk vindt Drupsteen de kritiek, en de motieven zijn in ieder geval onzuiver. 'Wat voor inhoud moet je aan een biljet geven? Dan komen ze aan met een ode aan de Nederlandse tomaat, terwijl die in Duitsland verdacht is. En stel dat ik de verantwoordelijkheid op me laad om een overleden vaderlander te vereren, die tien jaar na zijn dood smetten op zijn blazoen blijkt te hebben. Daar ga ik me niet mee bezighouden.'

De Nederlandsche Bank en Oxenaar hebben wat op hun geweten. De bank omdat ze het aan een ontwerper overlaat zelf een onderwerp te verzinnen, en Oxenaar omdat hij zo'n overtuigende serie heeft nagelaten. 'Een onderwerp bedenken? Heel eenvoudig, daar ben ik niet voor', had Drupsteen fijntjes op de bank gerepliceerd. 'Ik ben een ontwerper, geen redacteur of historicus.'

Wat Oxenaar betreft, vindt Drupsteen dat deze hem het gras voor de voeten heeft weggemaaid. Heel aanwezig en vernieuwend, die serie van hem. 'Als je het programma van eisen toepaste, en daarbij ook nog onderwerpen bedacht, kwam je vanzelf bij Oxenaar uit. Dan zou het een variant op zijn ontwerpen zijn geworden. Alle ontwerpers met wie ik in competitie was, traden in dat spoor: Nederlandse grachten, scheepvaart, bloemen, tomaten. Wat moet ik daarmee? Nou ik dacht, Nederlandse nuchterheid.'

Het bindmiddel tussen de nieuwe generatie bankbiljetten, is de typografie - de open letter - en de veelheid. Never a dull moment bij het wachten voor het loket met een honderdje in de hand. Over de typografie gesproken. Op de open letter had Oxenaar de enige kritiek. En Drupsteen kan zich dat wel voorstellen. Hij probeerde ook dichte letters uit, maar die zakten een beetje weg op het toch al overdadige biljet.

Het begrip is veelheid. De 25 rechthoekjes die het getal 25 concreet maken, de honderd elementen op het honderdje, terwijl het voor de 10 gulden tien, en voor de 1000 duizend elementen zullen zijn. 'Je kunt altijd zien hoeveel honderd en hoeveel duizend is. Natuurlijk tellen mensen dat. Je kunt niet bedenken hoe men zich met zoiets bezig houdt en hoe langdurig er gegluurd wordt naar een biljet.'

Drupsteen bedient de oogtoeristen. Eerder verscheen van zijn hand een serie postzegels, waarop van alles te beleven viel. Hij wijst op de speciale filatelie-zegel uit 1986 met de loep die een paar zegels in een album vergroot. Dat had nog gedetailleerder gekund, vindt hij nu. Maar die zegel was dan zeker op groot formaat getekend. 'Nee, op twee bij vier centimeter.'

De reacties op het honderdje waren overstelpend. Er was hoogstens de detailkritiek dat het biljet onverhoopt in de wasmachine zou belanden, vervolgens met veel geweld zou worden gladgestreken en daarbij zijn glimmers zou verliezen. Dat technisch mankement is nu ondervangen door een verstevigde coating. Bij de 100, of de steenuil - maar Drupsteen is niet zo happig op bijnamen voor zijn biljetten - wist hij onmiddellijk dat het goed zat. Het bruin dat hij radicaal verving door een elegante combinatie van wit, crème, goud, paars en bruin. 'De bestaande bruine kleur vond ik zo treurig. Gelukkig zat ik daar niet meer aan vast en kon ik een breder palet gebruiken. Dat geldt ook voor het rood van de 25 en het blauw van het tientje.'

Bij de uitgifte van de 25 voelde hij zich ongemakkelijk. 'Ik vond dat ie op een paar punten in elkaar was gezakt, en daar was echt niks meer aan te doen. Dan had ik het ontwerp weer moeten vernieuwen en had ik het proces opnieuw doorgemaakt.' En er was al een honderd keer aan het biljet getekend.

Hij haalt het uit een mapje te voorschijn. Geeft de zwakke plekken aan: het golfje dat is ingekrompen, de wat benauwde gravure en de detectietekens aan de linkerkant die wat hem betreft ergens anders hadden moeten staan. Niet de licht vloekende kleurcombinatie? 'Dat vond ik juist wel spannend, rose naast rood. Die kunnen naast elkaar groeien. Kijk, de kleur is voorgeschreven en voor het hart verkoos ik groen. Het is niet een kleurencombinatie die typerend voor me is, en ik heb er ook geen affiniteit mee. Bovendien is de dekking bij de drukgang heel moeilijk te voorspellen. Het zijn allemaal verschillende rasters met een eigen textuur.'

Over die 25 is Drupsteen nog niet uitgesproken. 'Ik mag hopen dat hij snel vervangen wordt.' Daarbij spiegelt hij zich aan de eersteling van Oxenaar, het vijf-guldenbiljet, dat ook een tamelijk smartelijk ontwikkelingsproces doorliep en vervolgens schielijk werd afgevoerd. 'Naderhand heb ik dat briefje met Ootje geëvalueerd. Hij kon zien en ruiken dat ik nog te veel door de mangel was gegaan.'

Is het dan wel aardig om te ontwerpen met zo veel veiligheidseisen en zo veel restricties? Drupsteen zoekt naar het woord en komt dan toch, tot zijn ongenoegen, op 'uitdaging'. Het is, zegt hij, hordenlopen met touwen aan handen en voeten en desondanks fraai springen. 'Je moet weten hoe ver de touwen reiken, en waar ze wel en niet strak gaan staan. Ook al heb je honderd keer geoefend en ben je honderd keer op je bek gegaan, je kunt het een beetje. Alles wat je een beetje kunt, bevredigt. Daar gaat het om. Als het lukt is het leuk. Ik krijg er steeds meer een vinger achter.'

Op de rand van de krant krabbelt hij, op losse blaadjes, op de spreekwoordelijke achterkant van het sigarendoosje, als hij aan het ontwerpen is. Hij heeft zijn dagen streng ingedeeld. De ene halve dag biljetten, de volgende

av-produkties, daarna een leader en vervolgens een muziekproduktie. 'Het loopt dus niet door elkaar heen. Het staat zo ver van elkaar af dat het vak levendig blijft en dat ik telkens fris begin. Mijn hoofd staat iedere keer in een andere stand. Sinds ik besloot een generalist te zijn, was het getob over keuzes over. Nu weet ik, dat als ik vastzit bij een onderwerp, het rustig kan blijven liggen omdat ik toch een alternatief heb.'

Terugkijkend op het VPRO-logo vindt hij dat nu gedateerd, hoewel de ideeën en de bewerking dat niet zijn. De biljetten moeten langer meegaan dan dat logo, en om die reden wees hij op voorhand figuratie af. 'Als je bewust laat meewegen dat een voorstelling nodig is omdat de tijd het voorschrijft, dan ben je pas echt modieus. In beginsel heb ik er niks mee te maken, omdat ik een oplossing voor een probleem bedenk en dat zo effectief mogelijk probeer te doen, en liefst ook een beetje mooi. Dan kom je uit op iets waar je anders nooit aan gedacht hebt.

'Omdat je toevallig een bepaalde kant wordt uitgestuurd, vind je een vormentaal die voor dat doel het meest effectief is. Je zit naar het resultaat te kijken alsof een ander het gemaakt heeft. Dat is fantastisch, want je hebt zo blanco mogelijk gewerkt. Het mooiste is als een ontwerp als een wezen te voorschijn komt en niet als een bedacht ding. Dat is net zoiets als een kind ter wereld brengen, en verrast zijn hoe het eruit ziet.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden