Droom van filmtalent: een friettent beginnen

'Veel kijkgenot' wenste Richard Woolley, directeur van de Nederlandse Film en Televisie Academie, de verzamelde filmkritiek toe bij de jaarlijkse presentatie van de eindexamenprodukties....

Van onze verslaggever

Peter van Bueren

AMSTERDAM

Goed gezien door dit veelbelovende talent, 27 jaar en nu al zo wijs dat hij in de catalogus van de eindexamenprodukties zijn toekomstbeeld schetst als: '..een friettent beginnen?'. Schrijven over film is helemaal niet vervelend, schrijven over slechte films ook niet, maar het effect daarvan kan wel eens minder aangenaam zijn.

Wie de laatste tijd wel eens een Nederlandse film heeft gezien, kan niet gerekend worden tot de gelukkigsten op aarde. Het aantal volgers van de vaderlandse cinematografie daalt met het jaar en dat is niet uitsluitend aan hen te wijten, maar toch ook wel een heel klein beetje aan de Nederlandse filmers die er, gelijk de Nederlandse wielrenners, weinig van bakken.

Zo teleurgesteld is het Nederlandse publiek dat het zich zelfs afwendt van produkties die aardig zijn, of minstens door de beugel kunnen. Het is dat volgende week Dick Maas met zijn derde Flodder, de Hollandse zomerpret anno 1995, het algemeen gemiddelde ongetwijfeld zal opschroeven, anders was ook dit jaar weer net zo desastreus verlopen als 1994, toen de meest bekeken (en ook meest posititief door de kritiek beoordeelde) Nederlandse film, 06 van Theo van Gogh, minder publiek trok dan één Champions League-wedstrijd van Ajax. Dit jaar waren achter elkaar De hoogste tijd, De vliegende Hollander, Affairplay en Walhalla te zien, maar geen hond of hoogstens een verdwaalde ziel die er een avondje voor uittrok.

De Nederlandse filmproducenten weten haarfijn uit te leggen hoe het komt: de filmkritiek in Nederland maakt de Nederlandse film kapot. Alles wordt maar de grond in geboord, die mensen houden niet van film, het zijn bittere zuurpruimen die er geen ene moer van begrijpen. Matthijs van Heijningen hield me tijdens het festival van Cannes staande en begon een minutenlange scheldpartij, omdat ik de door hem geproduceerde Affairplay had vergeleken met een aflevering van de televiseserie Diamant. Door die ene zin had ik volgens hem de film volledig kapot gemaakt. 'Nu gaat er niemand meer heen.' Indien de macht van de kritiek zo groot zou zijn, is het verwonderlijk dat De hoogste tijd en, wat mij betreft, De vliegende Hollander, evenmin die ene blinde geleidehond trokken.

In september jubileert het jaarlijkse Nederlands Filmfestival in Utrecht. Er gaan daar minstens twee films in première waarvan iets verwacht mag worden: de nieuwe films van Marleen Gorris en van Heddy Honigman. Maar het feest daar zal voornamelijk een gezellig samenzijn zijn van filmmakers wier produkties het afgelopen jaar èn door eigen falen èn door een algemene publieksafkeer de vraag wettigen of het maken van films in Nederland nog wel enige zin heeft.

Natuurlijk blijft het oog gericht op de toekomst. Grolsch, de AVRO en MGM-Tuschinksi houden de moed erin door jonge talenten met flinke geldprijzen te steunen.

Jonge talenten. Elk jaar wordt reikhalzend naar hen uitgezien. Ze moeten toch vooral komen van de diverse filmopleidingen, met voorop de Nederlandse Film en Televisie Academie. Volgens directeur Richard Woolley is de NFTVA 'een van de beste filmscholen van de wereld'. Hij weet dat 'omdat ik werk gezien heb van de meeste andere scholen en velen van hen benaderen zelfs niet het professionalisme en de originaliteit van onze studenten'. Er valt aan de academie genoeg te verbeteren, vindt Woolley, maar 'als we onze verbeteringen helemaal doorgevoerd hebben en de lessen van zelfevaluatie verteerd hebben, zullen we misschien wel dé beste zijn'.

Leve de koningin!

Misschien heeft Woolley gelijk en is het elders in de wereld nog slechter gesteld, maar wat betreft die eindexamenprodukties is er maar één conclusie mogelijk: armoe troef. De oogst van 1995 is matig tot zéér matig. Eén documentaire die de moeite waard schijnt te zijn, heb ik helaas gemist: Sneeuwwitje van Jelka Anhalt, en van de rest kan ook maar één produktie, misschien niet toevallig eveneens een documentaire, de toets van de kritiek doorstaan: De kresj van Marije Meerman.

Marije Meerman zat rond 1970 op de anti-autoritaire crèche Prins Constantijn in Amsterdam, waar kinderen door een ouder-collectief werden opgevoed tot 'maatschappij-kritische, creatieve, geëmancipeerde, lustvolle, solidaire mensen'. Voor de RVD maakte Jan van den Brink destijds een documentaire over Prins Constantijn, waarin je ziet hoe op de muur geschreven stond 'Leef en werk in de geest van Lenin', hoe kinderen in elkaars poep graaiden om vrijelijk hun lusten en driften te kunnen exploreren, en hoe ouders 'spontaan' meededen aan de body painting van hun peuters.

Marije Meerman ging vijfentwintig jaar later op zoek naar crèche-genoten, om te zien wat er terecht is gekomen van de idealen waarmee de kleuters van 1970 werden opgevoed.

In haar portretjes van haar vrienden van toen kan wat geschrapt worden; het volle uur dat De kresj duurt is niet helemaal zijn lengte waard. Maar onderwerp en aanpak zijn zinvol en leveren een interessant document op, dat in de herfst door de VPRO wordt uitgezonden en eigenlijk een boeiende thema-avond waard is.

Voor de rest zit er een klein, niet onaardig kinderfilmpje bij (Igra Kolu van Martijn Hullegie) en verder geen enkele produktie die het waard is met één alinea te vermelden.

Het kan zijn dat de filmacademie professioneel een van de beste in de wereld is, maar professionaliteit en ijver vormen geen garantie voor kwaliteit of creativiteit. Professionaliteit, kun je op grond van audiovisuele produkties op de televisie constateren, is er in Nederland genoeg. De filmacademie heeft weer een flink aantal mensen afgeleverd die zonder meer bruikbaar zijn voor deze tak van de filmproduktie. Maar de lijn van de laatste jaren wordt doorgetrokken: documentaires en kinderfilms - daar zit de Nederlandse kracht.

Eerder genoemde Ruud Hendriks toont zich overigens, als een van de uitzonderingen, in zijn eindexamenfilm Adagio van de nachtegaal wèl iemand die de degelijkheid wil overstijgen. Hendriks gaat uit van een gedicht van Theodor Storm, Die Nachtigall, dat speciaal door José Retra op muziek is gezet in de traditie van de liedkunst uit de vorige eeuw. Een oude pianist roept met dat lied de herinnering op aan zijn overleden vrouw en haar jeugd. Vanuit dit gegeven doet Ruud Hendriks tenminste een poging om op een creatieve, muzikale, gevoelsmatige manier iets over te brengen. Jammer dat hij nog niet veel verder komt dan één gegeven, dat niet uitgewerkt, maar in veertig minuten verschillende keren herhaald wordt.

Toch is zo'n Hendriks iemand die in de zorgvuldige handen van een goede producent tot interessante films zou kunnen komen.

Maar is dat niet juist een van de zwakke punten van de Nederlandse film: de producenten? Hoeveel aankomende talenten zijn er niet in vaagheid opgelost, omdat ze maar in hun eentje blijven aanmodderen en niet door een producent liefdevol gekneed worden tot regisseurs wier talent in de juiste banen is geleid?. Seunke, Agresti, Kerkhof, Ruven: het zijn talenten die ergens in het luchtledige blijven hangen, tot ze verdwijnen in de zonsverduisterende wolkenvelden van het Nederlands filmklimaat.

Hoe kan het ooit goed komen als de toekomstverwachting van een veelbelovende leerling als Hendriks juist blijkt te zijn. Vier leuke jaren gehad, maar wat is het perspectief? Een frietkraam beginnen.

De eindexamenfilms van de Nederlandse Film en Televisie Academie zijn donderdag en vrijdag te zien in De Meervaart te Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden