Dromen van kemphanen

Het lukt Staatsbosbeheer niet altijd zijn natuur perfect te onderhouden. In reservaat Groot Zandbrink verdwijnen zeldzame planten. Maar in Westeinde, waar het grondwater hoog wordt gehouden, broeden steeds meer vogels....

DE TROTS van Staatsbosbeheer ligt in de Gelderse Vallei tussen Leusden en Achterveld. In dit natuurreservaat Groot Zandbrink (10 hectare groot) bloeit een grote verscheidenheid aan planten met exotische namen als kale jonker, tormentil, Spaanse ruiter, duivelsnaaigaren en vleeskleurige orchis.

Vroeger moet de hele Gelderse Vallei dit soort uitbundigheid hebben gekend. Nu is nog hier en daar een plukje zogeheten blauwgrasland - de naam is ontleend aan de blauwachtige waas van zeggesprieten - waarin deze botanische weelde ligt.

Muisstil is het maandagochtend in dit delicate stukje natuur. Wie het hek van Staatsbosbeheer trotseert en de banen volgt waar de grasmaaier is geweest, komt uiteindelijk terecht in het mooiste van de drie blauwgraslanden in dit reservaat.

Het ligt in het diepste deel. Het is omgeven door bomen. Spaanse ruiters richten hun slanke stelen naar de hemel, gele tormentil schuilt dichtbij de paarse dophei. En het lijkt of de blauwe knoop op zijn dunne stengel boven de grond zweeft.

De ogen van drs. Allard van Leerdam, ecohydroloog bij Staatsbosbeheer, zoeken naar de felblauwe gentiaan. Bij de bosrand staan er nog twee, terwijl hij ze hier al uitgestorven waande. Even later klinkt een lach. Tussen de blauwgrassen trekt de ecoloog één zeldzame vlozegge uit de natte grond. 'Meestal ontdek ik zo'n zeldzame plant bij een sanitaire stop als je eens goed naar de bodem tuurt.'

Groot Zandbrink is een terrein waar Staatsbosbeheer de neergaande lijn probeert te stoppen. Volgens het onlangs verschenen jaarverslag behoort het tot die 20 procent natuurgebieden die achteruitgaan. In 40 procent van de terreinen van de grootste natuurbeschermingsorganisatie van Nederland (230 duizend hectare) floreert de natuur. In de resterende 40 procent blijft de natuur nagenoeg gelijk.

Groot Zandbrink is delicaat omdat het zoveel zeldzame plantensoorten herbergt die heel gevoelig zijn voor vreemde invloeden zoals zure regen en verdroging. Al vanaf 1992 probeert Staatsbosbeheer met het graven van greppels het verzuurde water sneller af te voeren, zodat de wortels van de planten niet alleen met dit neerslagwater in aanraking komen. In de zomer kan dan, net als vroeger, het kalkhoudende grondwater uit de Veluwe de plantenwortels bereiken en verzuring voorkomen.

Het luistert nauw in zo'n kwetsbaar natuurgebiedje dat is omringd door boeren. Die willen in tegenstelling tot de natuur veel minder nattigheid. Terwille van de boeren echter wordt het kalkrijke grondwater ver onder het maaiveld gehouden. In een droog jaar zoals 1995 stond het grondwater 1,25 meter beneden maaiveld en dat hebben de meest kritische planten niet overleefd.

De knopbies, die zich alleen nog in Groot Zandbrink liet zien, heeft het hierdoor opgegeven. Ook de parnassia en de armbloemige waterbies verdwenen uit deze zogeheten schraalgraslanden. 'Die planten gaan als eerste over de rand. Wat op den duur overblijft is wat vegetatiedeskundigen een romp noemen, een ecosysteem zonder ledematen', zegt Van Leerdam.

In Groot Zandbrink is het nog niet zo ver. Alleen met intensive care kan dit brokje natuur overeind worden gehouden. 'Doe je niets dan verdwijnt het van de aardbodem.'

Voor Van Leerdam is opgeven geen alternatief. Groot Zandbrink is het meest uitgesproken voorbeeld van een blauwgrasland met een groot genetisch reservoir. In de bodem zitten nog de zaden van de knopbies en andere verdwenen soorten. De provincie zou dit natuurterrein als uitgangspunt kunnen gebruiken voor verspreiding van planten naar de omgeving. Er zouden in de directe omgeving steeds nieuwe enclaves moeten komen, waar plantenzaden uit Groot Zandbrink kunnen kiemen. Sommigen vinden dat tuinieren.

In de loop der eeuwen is de Gelderse Vallei de perfecte standplaats gebleken voor honderden plantensoorten. Een deel daarvan moeten we weer heroveren, droomt Van Leerdam.

'We moeten de omgeving van het reservaat dan ook aantrekkelijk maken, zodat er zaadjes uit Groot Zandbrink kunnen neerploffen.'

Zeventig kilometer westelijker bij Zoeterwoude pronkt Staatsbosbeheer met Westeinde, een natuurterrein dat snel door vogels is ontdekt. Door toeval kon Westeinde uitgroeien tot broedgebied voor scholeksters, kieviten, grutto's en tureluurs, zegt ing. Pim Louwaars, districtshoofd van Staatsbosbeer in de Randstad.

De melkveehouders in dit gebied hadden langgerekte percelen, honderden meters achter het woonhuis. Het achterste deel dichtbij de snelweg A4 van Den Haag naar Leiden werd al minder bemest en begraasd, zodat daar af en toe al een vogel kwam broeden.

Met de ruilverkaveling in 1990 kon Staatsbosbeheer in één klap een aaneengesloten blok van 50 hectare kopen van tien boeren. 'Zo'n kans krijg je eens in je leven', zegt Louwaars.

Ook Westeinde ligt ver van de bewoonde wereld, aan een onverhard doodlopend pad. Het enige teken dat hier iets bijzonders wordt verricht, blijkt uit het uitlegpaneel van Staatsbosbeheer. Het vogelreservaat ligt in de buurt van de HSL-tunnel die onder het groene hart wordt gegraven om de openheid van dit oerhollandse veenweidegebied te behouden.

Nadat Staatsbosbeheer Westeinde in handen kreeg, werd het waterpeil meteen verhoogd door het regenwater in de winter langer vast te houden in het natuurgebied.

Er zijn stuwen geplaatst bij de overgang van het reservaat naar het landbouwgebied. Door die waterconservering is het waterpeil in de winter veel hoger dan in de omgeving. In de zomer wordt extra water ingelaten.

Hierdoor lijkt het natuurgebied op het drasse veenweidegebied uit de eerste helft van de 20ste eeuw. De weidevogels vreten gemakkelijk uit de drasse bodems. Bovendien wordt pas laat (de tweede helft van juni) gemaaid. Tussen het hoog opschietend gras vallen de eieren van de weidevogels minder op, zodat er ook minder snel het oog van een roofvogel of vos op valt.

Vanaf 1992 nam het aantal broedparen toe: het meest opvallend was de stijging van de grutto-paren: twee in 1990, 34 in 1994 en 27 in 2001. De kievit maakte een vergelijkbare ontwikkeling door. Minder spectaculair was de toename van de scholekster (van 7 in 1990 naar 18 in 2001) en de tureluur (van 2 in 1990 naar 15 in 2001). In de winter strijkt de smient, een eendje dat fluit, massaal neer in het gebied. In de winter van 2001 zo'n 3500.

Louwaars legt de lat nu hoger en wil ook de meer zeldzame vogels als de watersnip en de kemphaan naar Westeinde lokken. 'Kemphanen hebben we wel gezien, maar die hebben hier nog niet gebroed. Ze weten het gebied te vinden, nu moeten we ze nog verleiden hier te broeden.'

'Het mooiste is als we een soort mozaïek krijgen door gras in verschillende hoogten te laten groeien. Het ene stuk begin juli, het andere twee weken later, zodat voor elke vogelsoort een passende grashoogte ontstaat', mijmert Louwaars.

Westeinde ligt aan een doodlopende weg en zal om die reden net zomin als Groot Zandbrink overspoeld worden met recreanten. En als de vossen nu de eieren komen opvreten? 'Ook dat hoort bij de natuur', zegt Louwaars.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.