Dromen van eigen olie

President Nixon wilde het, Jimmy Carter, George W. Bush. En ook Obama en Romney beloven hun best te doen om Amerika onafhankelijk te maken van buitenlandse energiebronnen. Wat aardgas betreft is dat bijna gelukt, maar voor olie blijven omstreden buitenlandse leveranciers nodig.

De zilveren slang is een toeristische attractie. Hier, even ten noorden van Fairbanks, midden in de leegte van Alaska, is een parkeerplaatsje aangelegd en staan trotse informatieborden bij de dikke pijpleiding die speciaal voor de bewonderaars even boven de grond komt. Dit is, zeggen de borden, een man-made wonder dat elke dag miljoenen liters ruwe olie over bijna 1.300 kilometer van het hoge noorden naar het zuiden van Alaska transporteert. Over bergen en rivieren en een bodem van permafrost, naar de tankers die klaar liggen om het spul nog zuidelijker te brengen. Naar de andere 49 staten van Amerika, die liggen te wachten op hun dagelijkse portie intraveneuze voeding.


De Trans Alaska Pipeline is niet zomaar een pijplijn.


Deze pijplijn, die er in de jaren zeventig en tachtig voor moest zorgen dat Amerikanen konden blijven autorijden, is de sublimatie van een Amerikaanse droom: onafhankelijkheid. Meer specifiek: energie-onafhankelijkheid. Amerika had jarenlang in zijn eigen oliebehoefte kunnen voorzien, maar begin jaren zeventig groeide de consumptie zo snel, dat het olie moest gaan importeren. Tijdens het Arabische olie-embargo van 1973 merkte president Nixon ineens hoe kwetsbaar het land was geworden - en Project Independence was geboren. Nixon wilde weer 'energie-onafhankelijk' worden.


Vier jaar later lag deze pijplijn er. Sindsdien hebben meerdere presidenten en presidentskandidaten van energie-onafhankelijkheid een punt gemaakt, van Jimmy Carter tot George W. Bush. Ook nu is het tijdens de verkiezingscampagne weer een groot thema. Voor Mitt Romney is het punt één van zijn vijfpuntenplan voor Amerika, Barack Obama geeft het 'grote prioriteit'. Amerika, de grootste energieverbruiker van de wereld, moet op zichzelf kunnen terugvallen.


Kan dat? Helpt dat? Wat betekent dat? Is het nu anders dan in 1973?


Allereerst het woord zelf. 'Energie-onafhankelijkheid', noemen ze het, maar Amerikaanse presidenten verengen de discussie eigenlijk altijd tot olie-onafhankelijkheid. Want daar is het ze om te doen. Zoals Mitt Romney het eind augustus in New Mexico zei tijdens de presentatie van zijn grote energieplan voor de komende jaren: 'We hoeven straks geen olie meer te kopen van het Midden-Oosten, of Venezuela, of welke plek dan ook waarmee we niets te maken willen hebben.' Nooit meer iets te maken met een Kadhafi of Chávez. Romney wil milieueisen versoepelen en nationale parken openstellen voor boringen, en denkt dat doel tegen 2020 te hebben bereikt.


Waar hebben we dat eerder gehoord? Nixon dacht in 1973 zijn onafhankelijkheidsstreven in zeven jaar te kunnen voltooien. Aanvankelijk boekte hij enige vooruitgang. Vier jaar nadat hij over energie-onafhankelijkheid was begonnen, lag de Trans Alaska Pipeline er. Milieuzorgen waren opzijgezet, lokale indianen eveneens: de pijplijn moest en zou er komen. In de jaren tachtig stroomden er dagelijks 1,8 miljoen vaten olie door deze buis, een kwart van de totale Amerikaanse productie.


Het hielp een klein beetje, even. Toen Nixon het probleem van de afhankelijkheid aankaartte, haalde Amerika 35 procent van zijn olie uit het buitenland. In 1985 was dat gedaald tot 27 procent.


Maar daarna kwam de klad erin, zoals de klad er altijd in komt. Oliereservoirs raken uitgeput, en wie niet genoeg nieuwe reservoirs vindt, moet de olie toch weer van buiten halen. De afhankelijkheid groeide weer, en in 2005 haalden de Amerikanen zes van de tien vaten olie uit het buitenland. Het probleem was bijna twee keer zo groot geworden als in Nixons tijd.


Instabiele landen

In zijn State of the Union in februari 2006 verklaarde president George W. Bush zijn land dan ook 'verslaafd aan olie die vaak uit instabiele landen wordt geïmporteerd'. Daar moest verandering in komen. Voor de tweede keer.


'Een hogere olieproductie had de hoogste prioriteit', zei Gale Norton, minister van Binnenlandse Zaken onder Bush, een paar maanden geleden tegen The New York Times. 'We vonden het verschrikkelijk dat we overgeleverd waren aan andere landen, en waren vastbesloten dat te veranderen.'


Wat meespeelde, was dat de olieprijs in een paar jaar flink was gestegen, tot meer dan 50 dollar. Al die oliedollars verdwenen in de zakken van de door Bush zelfbenoemde vijanden van Amerika: mannen als Kadhafi, Ahmadinejad, Chávez. Waarom zou Amerika zijn vijanden rijker maken en zichzelf armer?


Norton werd lid van een speciale taskforce ter verhoging van de olieproductie. Net als drie decennia daarvoor ging er allereerst een streep door milieuwetgeving. Zo mocht het federale milieuagentschap EPA de drinkwaterwet niet meer gebruiken bij het reguleren van het zogeheten fracken, het met chemicaliën breken van stenen in de rotsen onder de grond om moeilijk winbare schalieolie en -gas beter te laten stromen. De vergunningverlening werd versoepeld, boorders zouden voortaan zonder milieu-effectrapportages mogen boren op federaal grondgebied, en ook de oceanen rond Amerika werden opengesteld. Diepzeeboringen in de Golf van Mexico, ijszeeboringen voor de kust van Alaska: onder president Bush kwam het water open te liggen voor oliemaatschappijen. Daarnaast kregen olieboorders allerlei belastingvoordelen, waardoor ze zelfs een deel van de boorkosten terugverdienden als er geen olie werd aangetroffen.


De maatregelen hadden effect, zij het met enige vertraging. Sinds 2008 is de winning van Amerikaanse olie flink aan het stijgen. Tel daarbij op de biobrandstoffen, plus de liquids die vrijkomen bij aardgaswinning, plus de gedaalde vraag naar energie, en de importafhankelijkheid is gedaald van zes naar vier op de tien benodigde vaten olie. En die trend gaat door.


Het was natuurlijk niet alleen de politiek die de nieuwe Amerikaanse oliehausse heeft veroorzaakt. Ook techniek en economie hebben geholpen. Het fracken heeft oude olievelden in Texas en Wyoming nieuw leven ingeblazen, de hoge olieprijs heeft de duizenden dure boringen door avontuurlijke oliecowboys mogelijk gemaakt. Waardoor niet alleen de winning van olie, maar ook die van aardgas een enorme vlucht heeft genomen. De Verenigde Staten produceren nu 95 procent van hun aardgas zelf, en zullen over een paar jaar een netto-exporteur van aardgas worden.


'Deze ontwikkelingen hebben een enorme economische impact', zegt Daniel Ahn, hoofdeconoom van de bank Citigroup, die een in Washington invloedrijk rapport schreef over energie-onafhankelijkheid. Door de overvloed aan gas en olie komen grote bedrijven die veel energie gebruiken, zoals aluminiumsmelterijen en petrochemische fabrieken, terug naar Amerika. 'Dit is een industriële renaissance.'


Ahn schat dat er de komende jaren tussen de twee en drie miljoen banen bijkomen, en dat het bruto binnenlands product tot 2020 met 2 à 3 procent extra zal stijgen. Daarvan belandt naar schatting 200 miljard dollar in de schatkist. Ook de Amerikaanse handelsbalans zal flink verbeteren, wat goed zou zijn voor de dollar en de koopkracht.


Dat zijn enorme economische meevallers - miljoenen banen en miljarden dollars zijn natuurlijk altijd welkom, in tijden van crisis.


Maar onafhankelijkheid? 'Het grote misverstand is dat we, als we netto exporteur worden van olie en gas, ook onafhankelijk zouden worden van de wereldmarkten', zegt Ahn. 'En dat we minder voor onze benzine hoeven te betalen. Zo werkt het natuurlijk niet.'


Het misverstand van 'energie-onafhankelijkheid', schuilt in een romantisch, autarkisch idee van zelfvoorzienendheid, vreemd genoeg vaak gekoesterd door politici aan de rechterzijde. De mannen die anders zo opgeven van marktwerking en liberalisering, gaan op dit vlak ineens impliciet in nationale termen denken. Ten onrechte, zegt Michael Levi, energie-expert van de Council on Foreign Relations, een invloedrijke denktank. 'Olie wordt niet geproduceerd door landen, olie wordt geproduceerd door oliemaatschappijen. Die verkopen de olie aan de hoogste bieder. De economie blijft even gevoelig voor hoge olieprijzen, ook al koop je olie van jezelf.'


(Overigens kost Amerikaanse olie op dit moment wel een kwart minder minder dan in de rest van de wereld, doordat de oliefontein uit het Amerikaanse binnenland de internationale markten niet kan bereiken - een situatie die de oliemaatschappijen en Romney ironisch genoeg juist wil opheffen door de aanleg van nieuwe pijpleidingen, waarmee dit prijsvoordeel zal verdwijnen. Voor gas geldt iets vergelijkbaars.)


Ahn verwacht ook op geopolitiek vlak weinig verandering. 'Die zogenaamde onafhankelijkheid betekent niet dat Amerika zich geen zorgen meer hoeft te maken over wat er in de rest van de wereld gebeurt. Nogmaals: wat er in het Midden-Oosten gebeurt, zal de prijzen overal beïnvloeden. Amerika zal zich daarmee blijven bemoeien.'


De paradox lijkt dus dat energie-onafhankelijkheid, gedefinieerd als olie-zelfvoorziening, helemaal niet zo onafhankelijk maakt. Wie olie nodig heeft, blijft er gewoon deels afhankelijk van - waar die ook vandaan komt.


Bovendien is er zoiets als het broeikaseffect: ook daaraan keten je je vast met het verstoken van olie, waar die ook vandaan komt. Je bent overgeleverd aan de klimaatverandering, met zijn orkanen, hittegolven en grote droogte. Dat voelt nog steeds niet alsof je baas in eigen huis bent.


Barack Obama zat daarom op een heel ander spoor, in de jaren voorafgaand aan zijn verkiezing tot president. Ook hij maakte een punt van energie-onafhankelijkheid, maar voor hem betekende dat: minder energieverbruik, duurzamer energieverbruik, echte onafhankelijkheid. Hij zag het broeikaseffect als een grote bedreiging, en wilde weg van fossiele brandstoffen. 'Van boeren tot zakenmensen, van wetenschappers tot evangelisten, van militairen tot politici, mensen realiseren zich dat een olietoekomst voor dit land geen veilige toekomst is', zei hij voor zijn verkiezing. En vlak na zijn verkiezing zei hij dat het moment was aangebroken om klimaatverandering 'voor eens en voor altijd' het hoofd te bieden. 'Uitstel is niet langer een optie. Ontkenning is niet langer een antwoord.'


Vergunningsprocedures

Hij draaide subiet een aantal van de versoepelde vergunningsprocedures van Bush terug en leende 100 miljard uit aan groene energiebedrijven.


Maar na zijn eerste jaar werd Obama steeds fossieler. Om bij de Republikeinen politieke steun te winnen voor zijn klimaatwetten besloot hij in april 2010 toch nieuwe offshoreboringen toe te staan voor de kusten van Amerika. De ontploffing later die maand van de Deepwater Horizon, het boorplatform in de Golf van Mexico, leidde tot een klein oponthoud, maar daarna ging Obama vol door. Wat begon als politiek pragmatisme, werd gaandeweg beleid om trots op te zijn - op een bijna Republikeinse manier, bleek tijdens een speech in maart dit jaar. 'Dankzij mijn beleid en dankzij het beleid van mijn voorganger is onze afhankelijkheid van buitenlandse olie flink gedaald', zei Obama. 'En wie me ook opvolgt als president zal daarmee door moeten gaan.'


Daar is-ie weer: olie-onafhankelijkheid.


Maar het is simpel, zegt Levi, in een recent artikel in Foreign Policy: wie echt onafhankelijk wil worden, moet minder olie gebruiken. 'Onze kwetsbaarheid komt niet doordat we buitenlandse olie gebruiken, maar doordat we olie gebruiken.'


Dat lijkt Obama zich, ondanks zijn fossiele draai, nog steeds te realiseren. In augustus besloot hij tot veel zuiniger brandstofeisen voor auto's. In 2025 moeten auto's gemiddeld 54,5 mijl per gallon kunnen rijden, ofwel 1 op 25. Dat bespaart dagelijks zo'n 2 miljoen vaten aan olie - een productie die Alaska nooit gehaald heeft. 'Deze voorschriften zijn de belangrijkste stap die we ooit hebben genomen om onze afhankelijkheid van buitenlandse olie terug te dringen', zei hij.


Romney vindt de maatregel maar niks, omdat die Amerikanen op kosten zou jagen, hun keuzes zou beperken en de autoindustrie zou schaden. Sterker nog: hij wil zelfs de bestaande brandstofverbruikseisen schrappen. Hij pakte tijdens een verkiezingsspeech laatst zijn staafdiagrammetjes er maar weer eens bij: als je nou alle onconventionele olie optelt, en alle diepzee-olie en die uit Mexico en Canada, en die uit Alaska... dan kunnen we gewoon blijven doortanken.


Als het aan Romney ligt, stroomt ook de Trans Alaska Pipeline opnieuw vol. Velden genoeg, daar in Alaska, waarmee Amerika weer net een paar jaar vooruit kan. En olie is geld, en olie is werk. 'We moeten hier snel naar nieuwe olie gaan boren', zegt een oliewerker in Prudhoe Bay aan de noordkust van Alaska. Prudhoe Bay was ooit het grootste olieveld van de Verenigde Staten, maar is nu bijna leeg. 'Er ligt nog genoeg olie verderop, in het natuurreservaat, er lig nog genoeg olie in de zeebodem. We kunnen dat niet laten liggen. Dat is goed voor Amerika, dat is goed voor Alaska, dat is goed voor mij. We need that shot.'


CIJFERS


95

De Verenigde Staten produceren nu 95 procent van hun aardgas zelf, en zullen over een paar jaar een netto-exporteur van aardgas worden.


1973

Tijdens het Arabische olie-embargo van 1973 merkte president Nixon ineens hoe kwetsbaar het land was geworden. Hij lanceerde het plan om 'energie-onafhankelijk' te worden.


40

In 2005 haalden de Verenigde Staten 60 procent van hun olie uit het buitenland. Nu is dat nog maar 40 procent.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden