Dries van Agt: ‘Het gaat mij om rechtvaardigheid’

Een groot deel van zijn tijd besteedt de oud-premier aan het lot van de Palestijnen. Binnenkort verschijnt zijn boek.

Andreas Antonius Maria van Agt was eind jaren negentig vooral de fietsende, archaïsch pratende ex-premier, toen hij onverwacht een nieuw hoofdstuk aan zijn leven toevoegde: activist voor de Palestijnen. Of is het: activist tegen Israël?

Van Agt zelf spreekt van ‘een bekering’. In zijn versie van de gebeurtenissen was hij als minister en later als premier steeds onversaagd medestander van Israël geweest, net als de overgrote meerderheid van de Nederlanders in de jaren zeventig. In 1999 kwam de ommekeer, ‘tijdens een brave pelgrimage naar het heilige land’. Van Agt zegt zodanig geschokt te zijn geweest door verhalen over vernederingen van Palestijnen dat hij zich in de kwestie ging verdiepen.

In 2002 zocht hij de publiciteit. Hij ondertekende een vlammend protest van de stichting Stop de Bezetting, de actiegroep van Gretta Duisenberg. In juli 2005 schreef hij een opiniestuk in de Volkskrant: ‘Een schreeuw om recht voor de Palestijnen.’

Teneur: Israël mag niet langer wegkomen met herhaalde schendingen van het internationale recht. Het land is mede gesticht uit schuldgevoel over de Holocaust. Datzelfde schuldgevoel heeft de wereld doen wegkijken van wangedrag van de Joodse staat. Maar het is allemaal ten koste gegaan van een volk dat aan die Holocaust part noch deel had: de Palestijnen. Juist Europa draagt daarom een bijzondere verantwoordelijkheid voor hun lot. En Dries van Agt voelt die verantwoordelijkheid zwaar.

Daarom bombardeert hij sindsdien de opiniepagina’s, regelmatig mede-ondertekend door mensen van naam; onlangs nog Frans Andriessen, Hans van den Broek en Laurens-Jan Brinkhorst. Zijn eigen partij spaart hij niet: ook CDA-minister Verhagen van Buitenlandse Zaken is doelwit.

Zijn website met artikelen over het Midden-Oostenconflict, een chronologie en achtergronden, wordt goed bezocht. Niet door hemzelf, trouwens, Van Agt heeft geen computer. Hij geeft regelmatig lezingen, vooral voor studenten en heeft inmiddels een boek geschreven over de kwestie dat begin september uitkomt (Een schreeuw om recht, De Bezige Bij).

Grofweg tweederde van zijn tijd gaat op aan aan zijn strijd voor de Palestijnen, zegt hij tijdens een gesprek op een zonnige julidag op het terras van hotel De Wolfsberg, op een steenworp afstand van zijn woning in Heilig Landstichting bij Nijmegen.

De meneer van de Volkskrant moet even wachten tot een mevrouw van de IKON is bediend. Van Agt is inmiddels 78, maar hij heeft het onverminderd druk. Dat komt vooral door het boek, dat kost meer tijd dan hij ooit had kunnen bevroeden.

Onlangs nog kwam hij in het nieuws met een losse opmerking. Of Van Agt nog eens zou willen deelnemen aan het project Free Gaza, waarbij schepen aanleggen bij de Gaza-strook, in weerwil van een Israëlisch verbod. ‘Ja hoor’, luidde zijn antwoord, ‘ofschoon het gevaarlijk is’ zou hij dat nog best eens willen doen. En dan is hij opeens weer nieuws. Terwijl het toch nieuwswaardiger was geweest als hij níet had gewild.

Zijn inspanningen leverden Dries van Agt, de man die in de jaren zeventig in linkse kringen nog te boek stond als onverbeterlijk rechts en onuitstaanbaar conservatief, een uitnodiging op – in dank aanvaard – om te komen spreken op het congres van GroenLinks. Zelfs PSP’ers van weleer meenden dat hij waarlijk het licht moest hebben gezien. Ook in SP-kringen – Anja Meulenbelt is nu een sister in arms – is Van Agt dezer dagen graag gezien.

Maar met de nieuwe vrienden kwamen nieuwe vijanden. Van Agt zou altijd al tegen Israël zijn geweest. Hij zou een antisemiet zijn. Dáárom legt hij in zijn voorstelling van het conflict en het ontstaan ervan, alle schuld bewust bij Israël, zeggen zijn critici.

Over de eerste beschuldiging zijn Van Agts biografen in het vorig jaar verschenen en veelgeprezen Tour de Force, kort: ‘Tegenstanders beweerden dat Van Agt altijd al anti-Israël was. Dat is onjuist.’

Co-auteur Johan van Merriënboer wijst er bijvoorbeeld op dat Van Agt zich in de ministerraad verzette tegen initiatieven van Max van der Stoel en Jan Pronk, die hij te zeer op de hand van de Palestijnen vond. In toespraken in 1976 en 1977 stelde Van Agt ‘dat wij in het bijzonder staan voor de staat Israël’. Hij noemde die staat meermalen ‘een broeder in benauwenis’.

Dat beeld is overtuigend, zegt Van Merriënboer: ‘Van Agt was in de jaren zeventig, precies zoals hijzelf zegt, duidelijk op de hand van Israël.’

In de periode direct daarna wordt het beeld onduidelijker. Van Agt zelf zegt nog in 1982, na de moordpartijen op Palestijnen in de vluchtelingenkampen Sabra en Shatila, het te hebben opgenomen voor de toenmalige Israëlische minister van Defensie Sharon. Diezelfde Sharon bleek later een zware verantwoordelijkheid te dragen voor het gebeurde. Van Agt zegt achteraf zich ‘de ogen uit de kop’ te schamen voor zijn toenmalige verdediging van Sharon.

Maar bijvoorbeeld Ronny Naftaniël van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (CIDI) heeft sindsdien met kracht geargumenteerd dat Van Agt het destijds helemaal niet voor Sharon heeft opgenomen. Van Agt maakt zichzelf in die periode zwarter dan nodig, vindt ook biograaf Van Merriënboer.

Waarom zou hij zoiets doen? Om nu des te meer te kunnen stralen, luidt een uitleg. Het is klassiek gedrag van de religieuze bekeerling; de ommekeer moet zo sterk mogelijk geaccentueerd, het nieuwe licht mag niet minder dan oogverblindend zijn.

Maar er circuleert een kwaadsappiger uitleg die met de eerste beschuldiging – Van Agt was altijd tegen Israël – samenhangt: Van Agt is een antisemiet, altijd geweest. De bewijsvoering voor een dergelijke beschuldiging is, zeker in het licht van de enorme zwaarte ervan, flinterdun: Van Agt heeft zichzelf als ariër betiteld, éénmaal, in 1971.

Tijdens een informele bijeenkomst met de pers praatte de kersverse minister van Justitie over zijn standpunt ten aanzien van de vrijlating van de Drie van Breda. Van Agt vond dat de hoogbejaarde nazi-kopstukken op vrije voeten zouden moeten worden gesteld. Hij wees erop dat enkele van zijn voorgangers hier al toe neigden. En die waren joods. ‘Ik ben een ariër.’

Ariër – die gehate term, onlosmakelijk verbonden met de Tweede Wereldoorlog en met een onvergelijkbaar andere lading dan bijvoorbeeld het Amerikaanse woord gentile. Dát betekent gewoon niet-Jood; ‘ariër’ wordt geassocieerd met übermensch.

Van Agt heeft daarvoor destijds omstandig zijn excuses aangeboden. Hij had het bedoeld met zelfspot, zei hij. Daarmee leek de kous af.

Maar de verdenking is terug. Socioloog Abram de Swaan, die in 2005 een invloedrijk artikel schreef over ‘anti-Israëlisch enthousiasme’, refereert vrijwel meteen aan deze anekdote. Maar hoe relevant is die nog na 38 jaar? De Swaan: ‘Toch zit daar iets geks. Dat orthodox-katholieke milieu in dat Heilig Landstichting Iemand zou daar eens in moeten duiken.’

Alfred Pijpers, Midden-Oostendeskundige van onderzoeksinstituut Clingendael: ‘De Swaan heeft gelijk, hoor. Ik vind het wél relevant. Ik geloof wel degelijk dat Van Agt voortborduurt op een anti-joodse stroming in de katholieke traditie. Let wel, anti-joods, niet antisemitisch. Maar hij heeft iets met joden, en ook tégen joden.’

Van Agt went nooit helemaal aan dit soort opmerkingen. ‘Dit leek vergeten. Pas sinds ik me bemoei met de Palestijnse kwestie duikt het weer op. Het is een vast onderdeel van het repertoire om mij te demoniseren. Want ik ben gevaarlijk, als ex-premier.’

Is over Van Agts beweegredenen levendig debat mogelijk, over de uitkomst is de eensgezindheid groter: in zijn analyse van de Palestijnse kwestie is hij wel heel sterk op Israël gebrand. Zo wijst hij Israël niet alleen aan als hoofdschuldige voor het treurige lot van de Palestijnen, hij lijkt de Joodse staat zelfs álle verantwoordelijkheid aan te rekenen.

Dat roept vragen op. Die vormen de hoofdreden voor het gesprek bij De Wolfsberg. Alleen Van Agt zelf kan helpen bij de zoektocht naar antwoorden.

In het collectieve geheugen heeft zich vast gezet dat het dappere, kleine Israël in 1947 werd belaagd door de Arabische buurlanden. Die werden vooral gedreven door eigenbelang; ieder wilde een zo groot mogelijk deel van het voormalige mandaatgebied veroveren. Daarbij lieten ook de Arabische buren zich aan de belangen van de oorspronkelijke Palestijnse bevolking beschamend weinig gelegen liggen.

In het gesprek geeft Van Agt dat laatste ronduit toe. ‘In de redenen van de Arabische leiders om in 1947 ten strijde te trekken tegen Israël zaten allerhande overwegingen en motieven waarvan ik me niet tot de verdediger zou willen maken. Daar zat niet veel fraais bij. Het was bepaald geen heilige oorlog.’

Maar op zijn website, in zijn ingezonden stukken en in zijn lezingen wijdt Van Agt geen woord aan de medeverantwoordelijkheid van Arabieren voor het lot van de Palestijnen. Waarom toch niet? Het noemen van méér daders zou de sympathie voor de slachtoffers toch alleen maar vergroten?

Van Agt peinst, trekt aan zijn sigaartje, en schuift de kwestie dan weer resoluut op het bord van Israël. ‘Tsja. In ieder geval zou die Arabische inval niet gekomen zijn als de etnische zuiveringen van 1947 door de zionisten niet gebeurd waren. Dát is het belangrijkste.’

Nee, zegt Van Agt, ook achteraf vindt hij het nóóit jammer dat de Arabieren destijds het voorstel van verdeling door de VN hebben afgewezen. Die verdeling was onrechtvaardig. De Arabieren zouden 42 procent van het land krijgen. Terwijl ze 70 procent van de bevolking uitmaakten.

Sindsdien zijn Palestijnen geboren en gestorven die het alleen nog veel slechter hebben meegemaakt. Maar ook dat is geen reden tot twijfel, zegt hij: ‘Zou ú genoegen nemen met onrecht in ruil voor wat meer veiligheid en materiële welstand? U twijfelt? Ik niet. Het gaat om rechtvaardigheid.’

Is hij wel geïnteresseerd in een oplossing? Wil Van Agt nou de Palestijnen helpen of vooral Israël straffen? ‘Vriend, het gaat mij om rechtvaardigheid. Dát is de sleutel.’

Hier is niet een ervaren politicus bezig met het streven naar een haalbare oplossing. Hier legt een man getuigenis af, ongeacht de consequenties, ook voor de Palestijnen. Niet voor niets kwam hij in het verleden uit bij Hamas, eerder dan bij de Palestijn die eenvoudigweg een beter leven wil.

Met zijn radicale analyse maakt Van Agt zich kwetsbaar voor kritiek: eenzijdig, gegoochel met cijfers en historische feiten, Israël-bashing. Dat leidde steeds de aandacht af van zijn sterkere argumenten; de schande van Sabra en Shatila, de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof over de illegaliteit van de afscheidingsmuur in Israël, de disproportionaliteit van het dodental van de ‘strijd’ in Gaza (honderd maal meer aan Palestijnse dan aan Israëlische zijde).

Het afgrijzen daarover groeit onder Nederlanders; tot in de huidige Kamerfractie van het CDA jeukt het ongemak. Van Agt doet geen moeite meer de Haagse twijfelaars te verleiden, hij zoekt direct aansluiting bij het afgrijzen.

‘Er is een kentering gaande. Inderdaad zijn de hoogmogenden van het CDA, ik doel op de fractie en bewindslieden, niet bereid naar mijn betogen te luisteren. Maar anders, vriend, ánders ligt het bij de rank and file van het CDA. Daar hoor ik andere geluiden. De kloof tussen het Binnenhof en de rest van het land is zéér diep geworden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden