Drielandenpunt aan de Mekong

Waar Thailand, Laos en Birma elkaar raken, in de beruchte 'Gouden Driehoek', is voor elk type toerist iets te vinden....

Over de Noord-Thaise bergen die het stroomgebied van de Chao Phraya en de Mekong scheiden, waakt de geest van de Kristallen Juffrouw met de Grote Vulva. Aan een pas op een oude karavaanroute is een bescheiden heiligdom aan haar gewijd. Traditiegetrouw offert men er houten fallussen met bloedrood geverfde eikels.

Rond 1980 werd een verharde weg langs het geestehuis voltooid, die het uiterste noorden van Thailand openlegde voor massatoerisme. Uit angst onbeschaafd over te komen, begonnen de autoriteiten de offerandes op te ruimen en plaatsten er een boeddhabeeld en de mededeling: 'Kristallen Juffrouw is naar het paradijs en behoeft geen penissen meer.' Stiekem bleef men die echter offeren.

Dankzij de weg groeide het drielandenpunt de 'Gouden Driehoek' uit tot een topattractie. De term Gouden Driehoek was in de jaren zestig bedacht voor de beruchte streek rond het drielandenpunt waar opium warlords 's werelds grootste heroïne-fabricage in handen hebben. Niemand kent de grenzen precies, maar op een kaart in het lokale Opiummuseum heeft men krachtdadig een driehoek van circa 100.000 km rond het drielandenpunt getrokken. Vanaf de Thaise 'hoek' kunnen busladingen toeristen er de geur van het 'Wilde Oosten' opsnuiven.

Drie uur rijden voorbij het altaar van de Kristallen Juffrouw sta je aan de weidse, caramelkleurige Mekong. De Noorse avonturier Carl Bock noemde hem in 1882 een 'glorieuze stroom, hier duizend mijl van zijn monding al twee keer zo breed als de Menam (Chao Phraya) in Bangkok.' De Brit Reginald Le May vergeleek de grandeur en schoonheid van de rivier in 1914 met de Himalaya in Darjeeling. En Ebbe Kornerup die later de Mekong voor zijn plezier afzakte, bekende nooit een mooiere rivier gezien te hebben: 'so wild-romantisch und dennoch so friedlich' - al waren het vooral de welgevormde billen van zijn bootjongens die hem in een roes van euforie hielden.

Waar de Ruak (de grens met Birma) in de Mekong stroomt, ligt een grote, driehoekige zandbank. Daarachter en op de oostoever in Laos strekken zich de groene bergen uit en gedijen de papavers. Fraai, maar de superlatieven van weleer waren mogelijk te danken aan de onverwachte weidsheid van de rivier, die als een bevrijding opdoemde na wekenlang gesjok door dichte jungle.

De meeste toeristen maken nu een drielandenrondje in platte speedbootjes die, aangedreven door oorverdovende vrachtwagenmotoren, met een snelheid van 80 kilometer over het water stuiteren. Soms pruttelt er een kampan onder Laotiaanse vlag voorbij, een smalle vrachtschuit met houten opbouw die in een Amsterdamse gracht als woonboot niet zou opvallen. Met de sporadische ijzeren platbodem uit China voor het transport van boomstammen, een maatje groter, is het maximale tonnage bereikt dat de ongetemde rivier aandurft.

Enkele jaren terug was het hier een soort Volendam en Marken, waar Akha-vrouwen in vol ornaat als lokale Sijtjes Boes leurden met zilveren sieraden of bosjes gedroogde papaverbollen. Nu worden de souvenirstalletjes gedomineerd door de kennelijk lucratievere T-shirts. Voor opiumfolklore is men aangewezen op een klein museum. Zwaarlijvige bezoekers lopen er binnen een minuut apathisch langs de vitrines met bronzen opiumwegertjes, speciale mesjes voor het oogsten van de opium en de levensgrote pop van een opiumschuiver in een bamboehut: daarna zijgen ze buiten vermoeid neer bij een frisdrankstalletje.

Slechts een enkeling beklimt ook nog een heuvel om zich bij het bord 'Gouden Driehoek' (met stereotype papaverbol waaruit het heulsap lekt) te laten fotograferen. Voor de met oranje sjerpen omwikkelde ruïnes van de Witte Krab-tempel, een trappetje hoger, is geen belangstelling. Men is al door de gids verzadigd met historie. Duidelijker wordt die geschiedenis er trouwens niet van. De tempel zou van de 8ste eeuw dateren - onwaarschijnlijk oud - en tijdens het 120-jarige bewind van een zekere koning plunderde een enorme witte krab de akkers en rijstschuren en verschool zich in de heuvel.

Die geschiedenis bestaat vooral uit oorlogen, volksverhuizingen, banditisme en natuurrampen. De 'Gouden Driehoek' was de uitlaatklep van de immer rommelende onderbuik van China. Maar dat Kublai Khan de 'vredelievende' Thaise volkeren zuidwaarts dreef, is een vertekende, nationalistische visie van de Thais: ze waren al eeuwen eerder op drift geraakt en volgden als natte rijstbouwers vaak de dalen van de Mekong en zijrivieren. Wel ontstonden toen hun eerste rijkjes. Die voerden voortdurend oorlog, met elkaar of met Birma. Onder het motto 'Stop groenten in de manden en stop mensen in de steden' werd de bevolking van de veroverde gebieden vaak gedeporteerd naar het moederland.

Rond 1800 hadden oorlogen de Gouden Driehoek ontvolkt. Een halve eeuw later werden in Yunnan de islamitische Ho-'Chinezen' - nazaten van Kublai Khans Oesbeekse huurlingen - bloedig onderdrukt, terwijl elders de Taiping Opstand woedde. Tientallen miljoenen mensen kwamen om en een smeltkroes van volkeren raakte op drift richting Zuidoost-Azië. Uitgeweken Ho-Chinezen gingen in de Gouden Driehoek de lucratieve opiumhandel domineren, totdat ze werden onttroond door Chiang Kai-sjeks Nationalisten, die er na Mao's overwinning waren neergestreken. Door de bemoeienissen van de CIA groeide de Gouden Driehoek uit tot de voornaamste heroïneleverancier. Nadat de Amerikanen zich hadden teruggetrokken, ontpopte Khun Sa, de leider van een rebellenleger van Shan-nationalisten in Birma, zich tot de invloedrijkste drugshandelaar. Het Thaise deel van de Gouden Driehoek was inmiddels overspoeld met ontredderde Hmongs uit het Geheime Leger van de CIA.

Onder het bestuur van de Pathet Lao trok Laos zich claustrofobisch in zijn schulp terug en vanaf het drielandenpunt was aan de overkant van de Mekong jarenlang geen teken van leven te bekennen. Na een grensoorlog in 1987 werden de betrekkingen tussen Laos en grote broer Thailand eindelijk warmer, maar aan de Thais-Birmese grens blijft het hommeles. En in de drugshandel is Khun Sa inmiddels door de Wa-'nationalisten' onttroond. Met- amfetamine (speedpillen) is hun nieuwe troef.

In de middag worden de bezoekers in bussen naar hun hotel afgevoerd. Dit platvloerse massatoerisme contrasteert sterk met de rust bij de ruïnes van Chiang Saen, acht kilometer zuidelijker. Sinds zijn stichting in 1327 was Chiang Saen eeuwenlang een belangrijke stad. De meeste tempelruïnes zijn weliswaar van bescheiden afmetingen, maar liggen in een mooie, verwilderde omgeving. En de vijf kilometer met teak overwoekerde stadswallen zijn nog indrukwekkend. Of ook aan de oostzijde wallen bestonden en door de Mekong zijn weggevaagd, is onbekend. Maar regelmatig zaaide de rivier er dood en verderf - zoals ook de legende van de Witte Krab suggereert.

Chiang Saen kwam tot bloei in de glorietijd van het Noord-Thaise Lanna-rijk (1400-1550) en de meeste tempels dateren van die tijd. Er werden ook enorme aantallen boeddhabeelden geproduceerd. De rijkdom was vooral te danken aan de strategische ligging voor de trans-Mekong handel en andere handelsroutes. In 1723 werd het een bestuurscentrum van de Birmezen. Volgens kronieken vonden er jaarlijks zangfestivals op de Mekong plaats en de in bootjes rondpeddelende locale schoonheden moeten een feeëriek schouwspel hebben geboden.

De bekendste oudheden liggen bij de westpoort, zoals de forse achthoekige, bakstenen Grote Pagode en Wat Pa Sak. Van de laatste geldt de gerestaureerde chedi met zijn nissen met staande boeddhabeelden en stucco-decoraties als een juweeltje van Noord-Thaise architectuur. In 1804 werd de stad na een maandenlange Thaise belegering ontvolkt en aan de geesten achtergelaten.

Bij de poort waakt nog steeds een geest over de ruïnes. Voor het met plastic bloemslingers beladen geestenhuis ligt een medium met een zonnebril op in een wit gewaad te slapen op een mat. Passerende auto's toeteren uit respect voor de geest.

De Noord-Thaise obsessie met geesten klinkt door in de oude reisverslagen. Carl Bock ergerde zich er voortdurend aan. Chiang Saen werd toen net weer bewoond, weliswaar door lieden die gedwongen waren zich te vestigen omdat ze door boze geesten waren bezeten. Bocks aanbevelingsbrief van de koning in Bangkok, noch zijn wapperende Siamese vlag, maakten enige indruk. Manschappen voor een zoölogische expeditie kreeg hij niet. Erger nog: in het Shan-gebied (Bocks uiteindelijke reisdoel) stonden Birmese troepen klaar voor een invasie. Bock besloot om te keren, maar eerst eigende hij zich nog enkele bronzen boeddhabeelden toe, die bij de ruïnes voor het oprapen lagen. Die zorgden weer voor problemen, omdat de geesten daarover verbolgen waren.

Vele westerlingen, vaak op zoek naar handelsroutes naar de begeerde markten in China, werden bij de Gouden Driehoek gedwarsboomd door oorlog of bandieten. Of de tegenwerkingen van achterdochtige potentaatjes, die niet meer wisten wie te moeten gehoorzamen - zowel Siam als de Britten en Fransen meenden het er voor het zeggen te hebben.

Tijdens Le Mays bezoek in 1914 lagen de grenzen duidelijk vast, maar het met teak overwoekerd ruïnencomplex was nog steeds wild en mysterieus. Het wemelde er van de wilde dieren. 's Nachts deed Le May geen oog dicht door het getrompetter van zijn reisolifanten, die onrustig waren door de rondsluipende tijgers. De papaverteelt was al uit het noorden opgerukt - als frisgroene lapjes zag Le May ze op de velden tegen de berghellingen liggen.

Het Thaise deel van de Gouden Driehoek bleef een achtergebleven, onveilige uithoek, totdat rond 1980 het oprukkend toerisme en de bestrijding van de papaverteelt (onder druk van datzelfde Amerika) de streek pacificeerden en tot ontwikkeling brachten. Tien jaar later bood de glasnost achter het Bamboe Gordijn grootse mogelijkheden voor investeringen. Kapitaal was er genoeg, veel lokale zakenlieden en politici waren er rijk geworden dankzij de drugshandel. Men investeerde in hotels, resorts, boomgaarden, villawijken, golfbanen, een casino (in Birma) en een hovercraftdienst op Yunnan. Ook werd royaal aan tempels geschonken - met zulke donaties menen zelfs de grootste boeven nog een goede draai aan hun karma te geven.

Een sprekend voorbeeld is Wat Phrathat Pha Ngao, een tempel ten zuiden van de stadswallen. Op deze buitenpost bij een van de oudste Thaise steden worden grote weelde en nationalisme in een boeddhistische context tentoongespreid. De tempel was ooit door de Mekong weggevaagd en aan de voet van een heuvel herbouwd. In de jaren zeventig was dit nog een bescheiden dorpstempel, totdat iemand een droom kreeg over een 'wonderbaarlijk voorwerp'. Weldra kwam bij het ontginnen van de heuvel een oud boeddhabeeld aan het licht; de nu zeer vereerde Luang Pho Ngao. De tempel was meteen in de picture. In 1981 plantten de koningin en een prinses er een heilige bodhiboom. Tien jaar later wijdde koning Bhumibol een gloednieuwe chedi op de top in - met uitzicht over de achtergebleven, socialistische buurlanden. Honderd jaar na Bock was de Thaise vlag stevig geplant.

Een lager gelegen wihan (verzamelhal) is wat pracht en praal aangaat het overweldigendst. Alle decoraties bestaan uit verguld teakhoutsnijwerk, zelfs de traditionele muurschilderingen van het leven van Boeddha zijn vervangen door teakpanelen met de voorstellingen in reliëf. Met dat houtsnijwerk - een handelsmerk van het Noorden - heeft het complex toch ook weer iets regionaals gekregen. Drommen Thaise nouveau riche en middenklassers vergapen zich aan de rijkdom en brengen verwoed offerandes.

Voor de verkiezingen van januari 2001 werden de honderden bloemplanten en heesters op het tempelterrein overgeplant in decoratieve porseleinen potten met het logo van de nieuwe, nationalistische Thai Rak Thai-partij van Thailands rijkste man, Thaksin Shinawatra. De traditioneel door het omkopen van het electoraat bepaalde verkiezingen won hij met grote overmacht. Thailand kreeg zijn eerste premier uit het Noorden, weliswaar geen handelaar in het 'goud' van de streek, maar zeker niet eerlijk als goud.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden