Opinie

'Drie essentiële vragen aan Willem-Alexander tijdens het kroningsinterview'

Het interview met het aanstaande koningspaar mag en zal niet al te kritisch zijn, schrijft Thomas von der Dunk. Jammer, want voor historici is een kritisch gesprek een gouden kans.

null Beeld anp
Beeld anp

Historici die over honderd jaar in de Republiek der Vijf Verenigde Plasterkprovincies-plus-Friesland terugblikken op 30 april 2013, zullen zich vooral afvragen hoe de media elk gevoel voor maathouden konden verliezen. De hele maand april staat in het teken van de kroning. Het lied dat iedereen geacht wordt dan mee te zingen en de tango die iedereen geacht wordt dan mee te dansen, belichamen een van bovenaf georkestreerde vorm van nationale zelffelicitatie die pathologische trekken begint te vertonen. Hier moet kunstmatig een nationaal geluksgevoel worden gecreëerd dat het daadwerkelijke nationale chagrijn krampachtig probeert te ontkennen.

Zodra het om de Oranjes gaat, durft niemand achter te blijven. Al weken wordt het Achtuurjournaal gegijzeld door de verplichting dagelijks over de meest triviale aspecten van de voorbereiding van de festiviteiten te berichten; ook verdienstelijke journalisten veranderen in het aangezicht van Máxima's Majesteit noodgedwongen in gedienstige byzantinisten.

Kritisch ogen
Dat belooft wat voor het Grote Interview met het aanstaande koningspaar op 17 april. Ongetwijfeld zijn de interviewers er zorgvuldig op geselecteerd: het moet wel kritisch ogen, maar mag beslist niet al te kritisch zijn, want anders is het eens maar nooit weer. Hanco Jürgens signaleerde 26 maart dat Nederlandse journalisten al bij Wilders weinig durven doorvragen, uit angst dat hij hun niet te woord wil staan. Bij de Oranjes geldt dat nog veel meer. Een kritische bejegening als van de Belgische kroonprins Filip of de Spaanse kroonprins Felipe is hier in een directe persconfrontatie ondenkbaar.

Toch bestaat er reden voor. Wat zouden historici over honderd jaar van en over Willem-Alexander willen weten? Wat zouden zij dus nu graag uit zijn mond vernemen, opdat zij dan, als de archieven open gaan, zijn denkwereld niet moeizaam aan de hand van brieven en dagboekaantekeningen hoeven te reconstrueren? Hun kennisdorst zal zich rond drie vragen concentreren, en zij zouden graag zien dat deze vragen ook op 17 april 2013 op zeer indringende wijze waren gesteld, zonder dat met ontwijkende antwoorden genoegen werd genomen.

Ten eerste, hoe Willem- Alexander werkelijk aankijkt tegen het koningschap als zodanig. Ziet hij het, gelijk zijn overgrootmoeder en mogelijk ook zijn moeder, in de geest van Lodewijk XIV als een goddelijke roeping die hem op grond van een persoonlijk lijntje met de Voorzienigheid daartoe extra kwalificaties verschaft, of hanteert hij het nuchtere uitgangspunt van Frederik de Grote: Pruisen is toevallig een koninkrijk, dus iemand moet dan ook maar het koningschap doen?

Opvolgingsprincipe
Ooit was het erfelijk opvolgingsprincipe voor het staatsambt even vanzelfsprekend als voor een particulier bedrijf, omdat tot de fundamentele politieke paradigmawisseling van de Verlichting een koninkrijk ook min of meer als particuliere aangelegenheid gold: door huwelijken even legitiem geformeerd als door erfdelingen in stukken gebroken. Door diezelfde Verlichting is, in de plaats van afstamming, evenwel het meritocratisch beginsel van persoonlijke geschiktheid voor staatsambten leidend geworden.

Willem-Alexander zal beseffen dat hij over onvoldoende talent beschikt om het binnen enig ander staatsbestel tot staatshoofd te brengen. In dit licht zou het logisch zijn dat hij zichzelf de vraag stelt die zijn grootmoeder in 1948 publiekelijk dorstte te stellen: wie ben ik, dat ik dit doen mag? Het eerlijke antwoord zou veelzeggend zijn voor zijn zelfbeeld, en dus voor zijn begrip van staat en maatschappij. In het verlengde daarvan ligt direct de vraag, hoe hij dan zijn bijzondere materiële voorrechten op staatskosten voor zichzelf moreel legitimeert - en dus hoe hij oordeelt over zijn vorstelijke salaris, de belastingvrijstelling die alle andere Nederlandse ingezetenen niet kennen, plus de omgang met de financiële moraal van zijn grootvader en de fiscale moraal van zijn jongste tante; misschien dat hij in België bij Fabiola navraag kan doen.

Uitverkorenheid
De tweede kernvraag, waarmee historici anno 2113 zullen zitten, is zijn kijk op het Orangisme: sterkt de hele bizarre vertoning van een Nationaal Comité Inhuldiging hem in een besef van uitverkorenheid, of ligt hij 's avonds met zijn echtgenote in een deuk op de bank vanwege het zoveelste infantiele vertoon van publieke behaagzucht? Hoe zit het met de reality check, waarvoor Pieter van Vollenhoven vroeger een nuttige functie heette te vervullen? Stadhouder Willem V gaf ooit te kennen zich zeer onzeker te voelen: als ieder mens maakte hij natuurlijk fouten, maar hij wist zelf nooit wanneer, omdat niemand dat tegen hem durfde te zeggen. Is er straks iemand die face to face tegen de nieuwe koning durft te zeggen: dat was niet slechts een beetje, maar gewoon oliedom?

Dat brengt ons op de derde kernvraag: zijn kijk op de universaliteit van de democratische en rechtsstatelijke beginselen. Vanouds koesteren de Oranjes ook probleemloos innige relaties met autoritaire koningshuizen, wier macht nog niet constitutioneel is ingeperkt. Daar is nu de bloedband met de familie Zorreguieta bijgekomen. Máxima verklaarde eens dat zij thuis met democratische beginselen was grootgebracht. Ofwel is dat een leugen, ofwel snapt zij niets van democratie. De voormalige baas van haar vader liet er in een Volkskrant-interview op 23 februari geen twijfel over bestaan wat zijn beginselen waren - en dat Jorge Zorreguieta die deelde.

De hamvraag: hoe vaak komt Willem-Alexander op Argentijns familiebezoek met zulke lieden in aanraking, en waar gaan de gesprekken dan over? Spreekt de aanstaande koning van Nederland hun opinies fel tegen of staart hij dan naar zijn vingernagels?

Als historicus die tegelijk de mentale beperkingen van zijn eigen tijdgenoten kent, heb ik niet de illusie op 17 april een helder antwoord op die vragen te krijgen. Als de twee eerste al gesteld zouden worden, leidt dat tot nietszeggende reacties. En bij de derde draait de RVD het beeld op zwart.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden