Drie bazen en het lijf van Posthuma

Jan Marcus Posthuma, nog altijd de beste blokkeerder van de wereld, wordt deze zomer 33 jaar. De Friese professional beseft dat hij als volleyballer op zijn laatste benen loopt....

DE RIT DOOR het Friese weideland gaat langs zijn pas verworven boerderij in Goënga, uit 1697. Terug in de stad komen we langs fysiotherapiepraktijk Piersma. 'Da's de tweelingbroer van Ingrid.' Honderd meter verder: 'En daar woont Martje de Vries, die gaat ook verhuizen.' Zou Sneek soms de volleybalstad van Nederland zijn?

In hotel-restaurant Hanenburgh komt de baas local hero Jan Posthuma op de schouder slaan. Weet je nog oudje, is de omgangsvorm. Het gaat over de dagen dat de mannenploeg van Animo zich in een zaaltje van het etablissement voorbereidde op belangrijke eredivisiewedstrijden.

Coach Paul van Sliedrecht, en later Joop Alberda, sloegen er wel eens met de vuist op tafel. Maar de lach overheerste. 'We aten voor de wedstrijd altijd een bakje soep', weet Posthuma nog. Volleybal was in die dagen nog geen broodwinning.

'Ik kwam op mijn vijftiende in het eerste van Animo. Ik was van Dokkum. Ik ging elke dag met de bus op en neer. Ik ben tot mijn 23ste in Sneek blijven spelen. In 1986 ben ik het gaan combineren met de nationale ploeg. In het najaar van 1988 zijn Zoodsma en ik nog voor twee Europa Cup-wedstrijden ingezet, daarna was het over.'

Het pure profbestaan van Posthuma was toen al een feit. Onder Arie Selinger leerde hij, de CIOS'er, het vak, tot in detail. 'Een voetje zus, een handje zo, en vooral uren maken. De beleving heb ik van Van Sliedrecht. Nummer één bij elke techniek: zorgen dat de bal aan de overkant van het net op de grond komt. Van Sliedrecht liet ons in de training altijd om punten spelen.'

Met die bagage van een Friese en een Amerikaanse toptrainer kon Posthuma aankomen in Italië. In 1988 kon hij al weg, het werd een jaar later een contract met Montichiari. Als eerste speler brak hij met het Grote Verbond dat de Selingers voor ogen hadden. Het was geen breuk, want de middenblokkeerder had als oudste jongere altijd zijn voorbehoud gemaakt. De roerganger zelf, Arie, vertrok in hetzelfde jaar als Posthuma en hij gaf hem het grootste gelijk van de wereld.

Zeven profseizoenen in de A-1 later is Jan Posthuma nog altijd dezelfde relativerende figuur die dingen neemt zoals ze komen, maar wel zijn grenzen stelt. 'Mensen zien me nu als een soort Heintje Davids, omdat ik voor de derde keer teruggekomen ben bij de nationale ploeg. Volleybalde die Davids trouwens? Maar telkens als ik stopte was de reden dat ik werd geleefd. Ik ben vorig jaar echt niet gestopt als excuus om een zomertje te kunnen uitblazen.

'Je hebt als topspeler tegenwoordig met drie bazen te maken: je club wil dit, de bond wenst dat en de FIVB (de wereldfederatie) wil zus. Dat is allemaal leuk en aardig, maar je hebt maar één lichaam, je loopbaan is beperkt en uiteindelijk kom je voor jezelf op. Wij kunnen geen dag vrij nemen. Ik wil het niet zwarter voorstellen dan het is, maar geleefd worden, daar heb ik nooit veel behoefte aan gehad.'

In de overbelaste top waar winterstop en zomervakantie onbekende grootheden zijn, wordt zelfs pure chantage gepleegd. Posthuma maakte het mee in 1992, in de maanden na de Olympische Spelen. 'We hadden ons in Barcelona contractueel verplicht om als medaillewinnaar bij de Top Four in Japan te verschijnen. Ik zat voor dat toernooi echter met een schouderblessure. Dat gewricht kon twee weken rust goed gebruiken, zodat ik daarna weer op topniveau zou zijn voor Treviso, de club die mij betaalde.

'Negen van de twaalf Olympische spelers moesten volgens de getekende overeenkomst in Osaka aantreden. Ik was de eerste die afzegde. Er waren er nog elf die wel kwamen. Ik faxte aan Acosta, de voorzitter van de FIVB. ''Beste mister Ruben, het heeft voor mij geen zin naar Japan te reizen.'' Hij schreef terug: ''Als je thuisblijft, kun je dit seizoen geen Europa Cup spelen voor je club''. Daarmee had ik Treviso en mijzelf te pakken. Ik ben toen toch gegaan. Mooi weekend hoor, leuke medaille, geen bal geslagen. Dat klinkt misschien niet erg correct, maar wat moet ik daar nou mee.'

Posthuma wordt aan tafel aangesproken door een man op leeftijd. Hij is de voorzitter van UDI, een zeventig jaar oude, 'wilde' volleybalclub uit de stad. Ze spelen met eigen regels, de oudste speler is 82. 'Het zou leuk zijn als de beroemdste volleyballer van Sneek eens langs komt', zegt de lange Fries.

De nog langere Fries knikt beleefd, maar tot augustus weet hij niet waar hij de tijd daarvoor vandaan moet halen. Twee dagen vrij staan gepland voor de komende 114 dagen en er is nog een boerderij in Goënga in te richten. De overbelasting van de afgelopen winter deed Posthuma zelfs in het ziekenhuis belanden.

'Ik was er altijd aardig tussendoor geglipt. In 1985 ben ik een keer door mijn enkel geklapt. Maar deze winter kreeg ik last van een oude blessure aan de knie. Die werd verergerd door het overladen programma. Eerst in Japan, voor de Olympische kwalificatie, elf wedstrijden in veertien dagen. En daarna twee of drie keer per week met de club spelen om de achterstand weer in te halen.

'Het was te veel van het goede. Doordeweeks sprong ik niet op training, alleen in de wedstrijd nog. Maar ik lag steeds langer in de lappenmand. Een stuk van de meniscus is eruit gehaald, onder plaatselijke verdoving. Sta op en wandel, zei de chirurg. Ik was snel weer op de been. Ik heb het niet extra snel laten doen om zeker te zijn voor de Olympische Spelen.

'Ik had juist pas na de Italiaanse play-offs gewild. Maar vijf van de zes artsen raadden me een snelle operatie aan. Doorspelen met een verdoving, zoals één dokter adviseerde, was risicovol. Kraakbeenschade? Nou die heb ik al, tot in de tweede graad. Dat hebben ze ook even vastgesteld. Volleybal is een zware sport. Een middenspeler springt honderd keer per wedstrijd. Het zijn alleen de spelverdelers, de niet-springende jongens, die oud worden in deze sport.'

Tot de operatie speelde Posthuma als een jonge god. De drie-meter-aanval was een nieuw onderdeel van zijn oeuvre dat vooral passen en blokkeren (vijf jaar numero uno van Italië) bevat. Hij was in oktober gevraagd door Alberda om zijn besluit van de vorige winter ('zwaaien en nooit meer terugkomen') te heroverwegen. 'Toen ik stopte, was ik heel overtuigd. Ik had geen Italiaans contract meer, ik vond het genoeg geweest. Zoals ik ook nu denk dat ik niet meer naar Italië terugkeer.

'In die situatie had Alberda ook geen behoefte meer aan mij. Maar in augustus veranderde alles. Montichiari wilde me toch weer hebben. Twee weken later was ik daar al weer, Görtzen was nog niet eens rond met de club. Later belde de bondscoach met de vraag of ik het niet nog eens wilde proberen. Van der Horst kon niet mee naar die World Cup in Japan, Olof (Van der Meulen) zat niet gemakkelijk en ik was gemakkelijk inpasbaar. Dat is ook zo.

'Het langst heb ik geworsteld met ''als ik het doe, dan moet ik het ook goed doen''. Kan ik dat nog? Niet met wat anderen ervan zouden vinden. Ik heb het gedaan, omdat ik de periode overzichtelijk vond. Ik ging er gemakshalve maar vanuit dat we ons voor Atlanta zouden kwalificeren. Drie Spelen op rij is ook een prikkeling, een uitdaging. Alleen kleiduivenschutters en zeilers halen dat .'

In het restaurant spreekt de oude Hanenburgh Posthuma aan over de Sneekweek en over de geweldige muziek die hij op die hoogtijdagen toch in de zaak heeft. Posthuma rekent op een extra feestelijke hardzeildag. 'Dat is altijd de eerste woensdag van augustus. De eerste woensdag na de Spelen. Dan zijn we van de partij.'

Dat feestvertoon van de Friezen werkte vroeger nog wel eens schismatisch op de groepsvorming. Na het WK van 1994 was Zoodsma daarom niet langer gewenst, werd Van der Meulen nog net gedoogd, maar was er geen kwaad woord over Posthuma. 'Ik heb er persoonlijk nooit wat van te horen gekregen. Ik vind het miereneuken, punaise poetsen. Tuurlijk heeft 't wel meegespeeld in mijn eerdere besluit ermee op te houden.

'Vorig jaar, toen ik er zelf niet meer bij was, heeft het eigenlijk meer indruk op me gemaakt. Dat tussen Van der Meulen en Zwerver was niet leuk. Olof werd miskend. Maar hij heeft al twee keer een club van de A-2 naar A-1 gebracht. Je ergert je er wel aan. De kou lijkt me nu uit de lucht. We hebben met alle Nederlanders oudejaarsavond gevierd in Italië, bij mij thuis. Zondag waren we met een hele groep in Ahoy', bij een concert van Lenny Kravitz. Er wordt niet bewust voor gekozen om bij elkaar te komen. Dat gaat heel relaxed nu.'

0

R ZIJN ANDERE tijden geweest. 'In het vorige Olympisch jaar, dat van Barcelona, heeft Arie Selinger ons bewust in een trainingskamp afgeknepen. In Kobe trainden we honderd uur in twee weken. Het was nodig om onderlinge problemen versneld aan de oppervlakte te krijgen. Mensen die afgemat zijn, krijg je eerder zo ver. Maar echt goed uitgepraat is het toen ook weer niet. Blangé kwam pas later.

'Als ik hoor dat sommigen de Spelen van Barcelona als beklemmend hebben ervaren, dan kan ik dat niet echt beamen. Het was natuurlijk anders dan Seoul, in '88. Daar was elk resultaat meegenomen en werden we vijfde. In Barcelona moest het gebeuren. Maar er lag geen dikke deken van spanning over ons. Het was eerder een vitrage, een sluier. Maar er was wel wat.

'Het plezier haalden we uit kleine dingen. Dat we de opening misten, ach dat zijn de clichés. Daar verwacht je alleen bij je eerste Spelen iets van, maar toen hielp Selinger ons snel uit de droom. Wat me van Barcelona is bijgebleven, zijn de ritjes op de fiets samen met Olof. Er was maar één fiets en dan gingen we, op onze schaarse vrije avonden, naar het Holland House, met prijsuitreikingen door Freek de Jonge. Het deuntje dat we samen op die fiets floten, van Turks Fruit, dat is onze herkenningsmelodie.'

De tijden zijn veranderd. Spelers letten minder op elkaar, de nieuwe jongeren als Van de Goor en Görtzen hebben het team versterkt en verfrist. 'Het team klikt, soms heb je dat als na een tijdje schuiven de stukken op de juiste plaats vallen. Ik merkte het bij de World Cup in Japan. Ik was er op het EK niet bij geweest. Ze gingen spelen. Pats-boem, in één keer op een heel hoog niveau. Ik was onder de indruk. Dit is het team, dacht ik. Daar moeten we op voortborduren.

'Je moet in dit systeem als speler meer meedenken. Vroeger werden we gestuurd door de trainer en de spelverdeler moest de opdrachten overbrengen op het team. Nu komt iedereen met iets, de coach, de ervaren spelers. En Blangé beslist op het laatste moment. Die moet je ook niet te veel vermoeien. Die heeft alles aardig in zijn kop.

'Avital? Ik waardeer Avital Selinger vreselijk. Ik heb veel van hem geleerd, op één kamer met hem gelegen. Het is jammer dat het nu zo moet, met al die gevoelens van wrok. Hij is als mens en als volleyballer een bijzonder iemand. Maar als het niet anders is, dan is het niet anders. Ze willen mij straks misschien ook niet meer. Sommige spelers zijn goed, maar passen niet in het team. Dit team klikt. Voor de coach is het belangrijk dat soort dingen af te wegen.

'Ik hoop dat we onze vorm van het najaar weer op tijd oppikken en op het juiste moment zullen pieken. We zullen de World League ondergeschikt moeten maken aan de Olympische Spelen. Je kunt niet twee keer pieken in twee maanden. We moeten twaalf spelers of meer gebruiken. De meesten hebben een zware winter achter de rug en zijn een dagje ouder. Hoe we van Italië gaan winnen? Nou, met heel goed volleybal en een bredere bank.'

We rijden door Goënga, één kerkje en veertig huizen. We zien het clubhuis van de kaatsvereniging. 'Ze zijn al geweest: ik moet dinsdag, dan spelen de mannen. Woensdag moet Laura, dan is het vrouwenavond. Dat hoort zo als je in Goënga gaat wonen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden