Drama in drie bedrijven

De drie post-academische instellingen voor talentontwikkeling van kunstenaars dreigen hun subsidies te verliezen. Ze moeten vechten om de laatste resten overheidsgeld. Hoe verschillen de instellingen van elkaar? En kunnen ze niet gewoon samengaan?

Verslaggever: 'Kunt u De Ateliers omschrijven?' Directeur: 'Er zijn hier geen lessen, geen docenten, geen evaluaties, geen symposia. Geen examens, geen vergaderingen en geen toelatingseisen. Wij zijn alleen maar kunstenaars die met kunst bezig zijn.'


Dominic van den Boogerd, directeur van de met subsidiestop bedreigde kunstenaarsinstelling De Ateliers, heldert de gesloten, enigszins mysterieuze reputatie van zijn instituut op. En dat gaat het makkelijkst door te zeggen wat het vooral niet is. Geen onderwijsinstelling, dat voorop. Geen plek waar leerlingen of studenten zijn, maar 'deelnemers'. En geen curriculum met vast omschreven criteria. Een deelnemer op De Ateliers kan ook niet zakken. Hooguit weggestuurd worden, als het geen zin heeft er langer te blijven. Maar dat is in Van den Boogerds 17-jarige carrière twee of drie keer gebeurd, en dat wijt hij dan vooral aan zichzelf: 'Dat is een teken dat wij niet goed hebben geselecteerd.'


Zijn instituut is gericht op talentontwikkeling van jonge kunstenaars en heeft een licht schizofrene reputatie: in professionele kring is het even gewaardeerd als in publieke kring onbekend. Staatssecretaris Halbe Zijlstra heeft vorig jaar juni de wekker gezet. Bij De Ateliers en bij de twee andere post-academische instellingen voor beeldende kunst in Nederland, de Rijksakademie in Amsterdam en de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Het beschikbare subsidiebedrag werd teruggebracht van ruim 8 miljoen euro (periode 2009-2010) tot 2,5 miljoen voor de periode 2013-2016. Na die tijd staan ze op zichzelf: de staatssecretaris vindt dat de ontwikkeling voor toptalent vanaf 2017 niet meer financieel moet worden ondersteund door de overheid. Het bedrijfsleven, de markt en de kunstenaars zelf zouden de instituten dan in leven moeten houden.


De Rijksakademie en De Ateliers, waar kunstenaars als Berlage, Piet Mondriaan, Erik van Lieshout, Marijke van Warmerdam en Rob Birza alumni zijn, zien hun toekomst serieus bedreigd. Maar een fusieplan dienden zij niet in. Dat kon de Raad voor Cultuur in mei niet waarderen: ze schroefde de druk nog wat op met een negatief advies aan beide instellingen. Althans, een 'nee, tenzij', want de Raad ziet de twee als complementaire instituten. En nu is het aan: komende maandag moet er een vergaand samenwerkingsplan op het bureau van Zijlstra liggen. Dat is de enige manier om nog aanspraak te kunnen maken op de anderhalf miljoen subsidie die er is. Het grote Rijksinstituut en de kleine Ateliers, de laatste ooit ontstaan uit verzet tegen het eerste, moeten over hun schaduw zien te stappen en samengaan.


Maar dat lukt niet zo goed. Afgelopen maandag zou er een persconferentie over de samenwerking zijn. Die werd de volgende dag afgeblazen omdat de partijen er nog niet uit zijn. Ondanks de begeleiding van Koos van der Steenhoven, die eerder verantwoordelijk was voor onder meer fusies van de ministeries van Economische Zaken en Landbouw. Van der Steenhoven, die drie weken geleden nog aan de telefoon zei: 'Tijdsdruk is goed. Als je er binnen twee weken niet uitkomt, dan lukt het meestal niet, is mijn ervaring'.


Er blijken nogal wat beren op de weg - niet vreemd, voor een samenvoeging die je kunt vergelijken met een gedwongen fusie van de Amsterdamse gemeenteraad en krakersbolwerk Vrankrijk.


Hier heb je De Ateliers: een klein instituut aan de Stadhouderskade, niet meer dan een paar statige ateliers met hoge plafonds achter een zware deur. Jonge kunstenaars kunnen zich er honderd procent op hun werk richten. En praten over kunst met kunstenaars. Het 'artists for artists'-model. Een goedkoop model, vrijwel zonder overhead en management. Het gaat om vlieguren maken, zegt Van den Boogerd, want: 'Het enige dat een kunstenaar tot kunstenaar maakt, is zijn werk, de rest is secundair.'


Voormalige deelnemers zijn nu te vinden in grote collecties en op biënnales. Dat verzwaart de ruimte voor deelnemers van nu - het is toch een beetje alsof je Princeton of Cambridge binnenloopt. Dus híér werkten Joep van Lieshout, Charlotte Schleiffert, Marlene Dumas, Robert Zandvliet, Sara van der Heide.


En daar heb je de Rijksakademie: een bijna tweehonderd jaar oud staatsinstituut, in enorme verbouwde kazernes aan de Sarphatistraat. Met een ijzeren hek dat openschuift als je je geïdentificeerd hebt, een grote binnenplaats, een bibliotheek en grote werkplaatsen waar deelnemende kunstenaars - hier heten ze residents - onder begeleiding kunnen experimenteren met materialen en technieken. Zoals een chemie- en verfwerkplaats, een constructiewerkplaats, een foto- en videolab. Als De Ateliers voelt als een kleinschalige versie van Cambridge, dan voelt het betreden van de Rijksakademie als binnengaan in het Witte Huis. Alles straalt uit: hier zaten de grootsten. Je vergeet bijna dat kunstenaars als Karel Appel, George Breitner, Piet Mondriaan, maar ook Roy Villevoye, Yael Bartana en Guido van der Werve nog in de beginfase van hun carrière verkeerden toen ze hier werkten. Elk jaar tijdens het tentoonstellingsweekend, de Open Ateliers, verdringen professionals elkaar om de beste te scouten - het komt geregeld voor dat residents meteen door galeristen worden gekaapt na hun Rijksakademietijd.


Toch: het zijn twee post-academische instellingen en buitenstaanders zien meer overeenkomsten dan verschillen. En jaarlijks melden veel kunstenaars zich voor beide instellingen aan, in de hoop op een plekje. Dominic van den Boogerd snapt dat wel; het model van zijn instelling is immers in de loop van de tijd min of meer de basis geworden van veel andere academies. De formule werkte. 'De Ateliers werd in 1963 opgericht uit onvrede met het kunstvakonderwijs. Dat sloot niet aan bij nieuwe vormen die opkwamen - minimal art, performance kunst, videokunst, conceptuele kunst.'


De Ateliers bood een nieuwe mogelijkheid: intensieve begeleiding door collegakunstenaars. 'Vroeger ging een gezel bij een meester in de leer, wij draaiden het om: de gezel staat centraal, de meesters bezoeken hem in zijn atelier.'


Dat is deels ook de Rijksakademieformule geworden, maar op een andere manier. Die verschillen zijn pijnpunten, nu de instituten ze echt moeten zien te overbruggen. Waar De Ateliers 'warm, intiem en kleinschalig' is, zegt directeur Els van Odijk van de Rijksakademie, is dit 'een rijksinstituut; mondiaal, technisch en theoretisch, met kunstenaars uit de hele wereld die werk maken dat gerelateerd is aan innovatie.'


Van Odijk: 'Toen kunstenaar Sarah van Sonsbeeck onderzoek deed naar stilte, werkte zij samen met TNO. Ze heeft een stiltestoel ontwikkeld, en de stilste kubieke meter in Nederland vastgelegd.'


Veel Rijksakademiekunstenaars ontwikkelen werk met instellingen en bedrijven als Philips, maar ook met het KNAW en het IISGI, of de TU in Delft. De kunstenaars hebben daar wat aan en de industrie ook. Want het vrije denken in een laboratoriumomgeving kan ook leiden tot nieuwe manieren van productie.


De Rijksakademie houdt bovendien, anders dan de andere twee instellingen, nauwkeurig bij waar de alumni terechtkomen en wat ze gaan doen, in tabellen en statistieken. Een bewijs voor het succes van de instelling, vindt Van Odijk, en een manier om het internationale belang zichtbaar te maken. Ze laat de lijstjes zien: werk van 50 alumni in de collectie van het Stedelijk in Amsterdam, van 85 alumni in de bedrijfscollectie van ABN Amro, van 20 op de Biënnale van Venetië in 2011, van 77 in galeries op Art Basel, van 81 op de Frieze Art Fair in Londen vorig jaar. Om te benadrukken: ze zijn de besten, die oud-residents, ze behoren tot de wereldtop van de beeldende kunst.


Het zijn harde cijfers van een op het oog succesvol, stevig geworteld instituut. De verbijstering was dan ook groot in de hele kunstwereld toen bleek dat de Raad maar één instituut positief beoordeelde, en dat was dus geen van die twee Amsterdamse. Waar twee vochten om een been, ging een stille derde ermee heen: de Jan van Eyck in Maastricht. Reputatie: minst bekend, meest theoretisch, totaal afgesloten. What went right, voor dat verre instituut?


Er is maar een verklaring: Lex ter Braak. In dat verre instituut, in een brandschone directeurskamer, zit een nieuwe directeur. Een man met ruime verdiensten in de wereld van de Nederlandse kunst en een bulk aan ervaring in onderhandelen met de overheid over subsidiegelden voor de kunst. Tot vorig jaar was hij directeur van het Fonds Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst, de grootste subsidieverdeler in de kunsten. Daar bouwde hij een bijna smetteloze reputatie op bij politiek én bij kunstenaars. En deze Lex ter Braak schreef een nieuw plan voor de Jan van Eyck Academie; De levende spiegel; kunst in de wereld, naar de spiegel die Jan van Eyck in 1434 schilderde op zijn beroemde Arnolfini-portret, waarin hij de kunstenaar, zichzelf, minuscuul afbeeldde. Om maar te zeggen: de kunstenaar moet zich in de wereld plaatsen, niet zich isoleren. De Raad vond het visionair. Op basis van dat toekomstplan kreeg de Jan van Eyck dan ook een positief advies; een unicum, omdat de Raad nooit adviseert over iets dat nog niet bestaat.


Het plan betekent een zwiep in de identiteit van het instituut. Ter Braak noemt het noodzakelijk: 'Ik heb vorig jaar de deelnemers en begeleiders bij elkaar gebracht en gezegd: er is grote kans dat we eind 2012 niet meer bestaan. Alleen een koerswijziging kan het nog redden. Die moest zichtbaar zijn, en het moest snel.'


Want het instituut stond met de rug naar de wereld toe, zegt Ter Braak: 'er was veel theorie, filosofie om de filosofie, vaak zonder verband met de beeldende kunst. Het woord stond centraal in de Jan van Eyck, letterlijk; de ruimten werden nauwelijks gebruikt.'


Daar bracht hij direct verandering in door grote schoonmaak te houden. Twintig containers rommel haalden hij en zijn medewerkers uit het gebouw, de schimmel moest van de muren worden gespoten. De werkplaatsen werden weer werkplaatsen. Er moest meer openheid komen en veel meer samenwerking. Met de omgeving, met bedrijven, musea, politiek en opleidingen in Limburg.


'Je kunt wel een pure kloosterfunctie ambiëren, afgesloten van de wereld, maar dat is een doodlopende weg', zegt de directeur. En die weg zoekt hij juist niet. Zijn directeurskamer staat symbool voor de nieuwe wind: tapijt eruit, brandschoon, leeg, met enorme opengezette ramen en zelf meegenomen meubels. Op de kast tegen de muur staat een groot bord: 'HET IS HIER LEUK' - een overblijfsel van een workshop van kunstenaar Jeanne van Heeswijk.


Maar leuk vinden ze het niet, de huidige deelnemers. Ter Braaks radicale wending viel niet goed. Vier van hen vertellen, anoniem, dat ze zich niet herkennen in het beeld dat Ter Braak van het instituut schept. Waar de deuren vroeger juist altijd openstonden, moeten zij nu afspraken maken om in de werkplaatsen terecht te kunnen, zeggen ze. 'Toen Lex kwam, werd ons productiebudget gekort om het gebouw te veranderen, en onze tijd op de academie is verkort, gehalveerd soms.'


De reden waarvoor ze naar Limburg waren gekomen (vaak van de andere kant van de wereld), om ongestoord te kunnen werken, is ze per direct afgenomen. 'Lex heeft een plan en daar maken wij geen deel van uit.'


Die interesse en betrokkenheid was voorheen juist de kern van het instituut, zeggen zij. Zoals ook Dominic van den Boogerd over zijn Ateliers zegt: 'Het idee is om de kunstenaars ruimte en tijd te geven om hun praktijk te ontwikkelen, dat je ze aandacht geeft en hun werk serieus neemt. Ze moeten hun rol als kunstenaar kunnen ontwikkelen.'


Ook directeur Els van Odijk van de Rijksakademie spreekt over het belang van afscherming: 'De kunstenaars hebben baat bij een zekere geslotenheid van het instituut om zich volledig te concentreren op hun specialisme en te kunnen verdiepen.'


Ter Braak ziet daarvan ook het belang in, maar weegt het af tegen de noodzaak van transparantie en samenwerking: 'Ik zet mij niet af tegen de Atelierskunstenaar of de Rijksakademiekunstenaar, maar als je de drie instellingen naast elkaar zet, denk ik dat wij een andersoortige kunstenaar aan ons moeten verbinden, juist omdat de kunst zo divers is geworden. Het biedt ons de gelegenheid ons isolement op te heffen.' En dat is voor hem, in de context van Limburg en de Euregio belangrijk. 'Over het algemeen vind ik dat er te huiverig wordt gedaan over de buitenwereld.'


Vinden de deelnemers het dan niet goed dat hun instituut is gered? Een van hen: 'Je kunt je afvragen of je het nog zo kan noemen als het instituut zo onherkenbaar verandert.'


Sommigen ervaren het alsof de Jan van Eyck, nu het de identiteit als theoretisch kunstinstituut laat varen, wel erg veel overeenkomsten gaat vertonen met een instelling als de Rijksakademie.


Ter Braak wil het omgekeerde, zegt hij. Van zijn deelnemers vraagt hij een 'bepaald commitment' door zich tijdens hun verblijf één keer met een maatschappelijke vraag bezig te houden. Hoe dan? 'Ik kreeg laatst een tandarts binnen, die wilde met ontwerpers een systeem met pictogrammen ontwikkelen om internationaal de sanitaire condities van ziekenhuizen en medische instellingen duidelijk te maken. Ik zei, interessant, maar je bent te vroeg. Dat kan ik aan mijn huidige deelnemers niet vragen, maar vanaf 2013 kan dat.'


Hij wil er geen sociaal geëngageerd honk van maken, zegt Ter Braak, maar hij zoekt de mogelijkheden om het engagement dat veel kunstenaars hebben, te verbinden aan projecten en vragen die van buiten de academie komen.


Een ander verschil tussen de Jan van Eyck en de andere twee instituten: de duur van het verblijf. Maximaal een jaar, maar afhankelijk van de aard van het verblijf ook korter; zes maanden, of zelfs minder. Dat vinden de andere directeuren onwerkbaar. Dominic van den Boogerd: 'Twee jaar. Langer is niet nodig en korter is niet effectief genoeg. Ze moeten hun plek vinden. Na het eerste jaar komt de echte productie op gang. En dan is het genoeg; als je zo intensief wordt begeleid als hier, ben je na twee jaar ook wel uitgepraat.'


De illustraties op deze pagina's bestaan uit werk dat Claudie de Cleen in 1994 maakte toen ze studeerde aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht. De Cleen illustreert nu geregeld voor de Volkskrant.


Het advies van de Raad


De Raad voor Cultuur over de post-academische instellingen, in zijn advies aan de overheid van afgelopen mei:


'De raad vindt het effect van de bezuiniging, waarbij de post-academische instellingen in hun bestaan worden bedreigd, een gevoelige aderlating voor de basisinfrastructuur en het internationale aanzien van de Nederlandse kunstsector. Omdat de teruggang in middelen aanzienlijk is, adviseert de raad een substantieel deel van het bedrag dat is bestemd voor talentontwikkeling bij het Mondriaan Fonds [...] beschikbaar te stellen voor de post-academische instellingen en het europees Keramisch Werkcentrum.


De aanvragen overziend, adviseert de raad de Jan van Eyck Academie de gevraagde subsidie toe te kennen. Die aanvraag overtuigt over de hele linie het meest.


De aanvragen van beide in de hoofdstad gevestigde instellingen zijn naar de mening van de raad afzonderlijk onvoldoende toekomstbestendig. De programma's van deze twee instellingen zijn complementair. Samenwerking tussen beide instellingen beschouwt de raad als onontbeerlijk.'


Wie gaat dat betalen?

Een van de 'hang-ups' in de onderhandelingen voor een samenwerking tussen De Ateliers en de Rijksakademie, die maandag rond moeten zijn, is de kostenpost voor het personeel en het gebouw. De Ateliers heeft weinig personeel en weinig kosten aan het gebouw, terwijl de Rijksakademie in een duur gebouw huist dat valt onder de verantwoordelijkheid van de rijksgebouwendienst. Of de bouw- en personeelskosten nu wel of niet op de instellingen zelf neer gaan komen, is nog de vraag. De Raad voor Cultuur heeft in mei gesuggereerd dat de Rijksgebouwendienst en het ministerie van OCW een oplossing moeten aandragen voor de kosten, zodat ze niet op de instellingen zelf drukken.


Keramiek valt buiten de boot

De drie post-academische instellingen voor beeldende kunst vallen samen met het Europees Keramisch Werkcentrum (EKWC) in Den Bosch in de subsidiecategorie 'ondersteunende instellingen'. Het EKWC heeft een andere aard dan de drie post-academische instellingen, omdat het helemaal gericht is op faciliteren van kunstenaars die met keramiek werken. Het kreeg in de vorige subsidieperiode ruim 90 duizend euro. Maar nu valt het EKWC buiten de boot; het krijgt geen subsidie meer. Daarom, en vanwege de verschillen in aard met De Ateliers, de Jan van Eyck Academie en de Rijksakademie, is het EKWC in dit artikel niet besproken.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden