Dorp in het moeras

Nergens is het uitgaansleven bruisender dan in Brussel, niet in Antwerpen. En in Brussel is de Dansaertstraat de biotoop van de Brusselse nieuwlichters....

Antwerpenaars kwaken. Het zijn kikkers. Aan alle woorden die uit hun mond komen, zegt de Brusseleir en schrijver Geert van Istendael, 'kleeft een vettige glibberigheid, ze knijpen op hun woorden'. Het is janken. Antwerpenaars leggen volgens hem een zelfgenoegzaamheid aan de dag die hoger reikt dan hun Boerentoren. 'Ze blijven frasen opdissen over wereldstad en kosmopolitisme, terwijl een helaas grote politieke partij in Antwerpen (het Vlaams Blok) die hele wereld hardnekkig buiten de deur wil zetten.' Antwerpen, schreef een boze Van Istendael in het literaire Nieuw WereldTijdschrift, is geen stad maar een poel. 'Die poel zit vol kikkers en die kwaken onophoudelijk tst t, tst t, tst t, tst t (Antwerps voor 'stad') om te vergeten dat hun poel zo stinkt.' Vooral sinds de herfst van 1991.

Op 24 november 1991 deed zich in België een electorale aardschok voor: meer dan 32 procent van de kiezers veranderde op Zwarte Zondag bij de parlementsverkiezingen zijn stem. Sindsdien is het, vooral in Antwerpen, alleen maar erger geworden. Het Vlaams Blok kwaakt het felst.

En in Brussel? Is die stad ook een metropool van kikkers en kwakers? Brusselaars, weet Van Istendael, 'zijn geen zwelbasten zoals de Antwerpenaars. Wij bezingen onze stad als Brussel, petit Paris, en eigenlijk vinden we ook dat nog sterk overdreven. De gloriole - opschepperij - daar kunnen wij, Brusselaars, slecht tegen'.

De vergelijking tussen de steden werd de Brusselse schrijver niet in dank afgenomen. Veel Antwerpenaars schreven hem, als antwoord op zijn schimpscheuten, bijzonder pissige en onvriendelijke brieven. Natuurlijk had Van Istendael het allemaal een beetje fel en venijnig opgeschreven, in de stijl van Charles Baudelaire. De dichter noemde in Pauvre Belgique, zijn in 1864 gepubliceerde smaadschrift, Van Istendaels petit Paris 'een stad die naar groene zeep ruikt', de bedden, de handdoeken, de stoepen. 'Alles ruikt er naar zeep.' In Antwerpen echter stinkt het blijkbaar naar kikkerdril.

Brussel. Het oude nog weinig kloppende hart van de stad ligt onder het plaveisel: de Zenne, een stinkend riool, een rivier 'waarvan het water zo troebel is dat het niet één enkele zonnestraal van de felste zon kan weerspiegelen'. Ook dat schreef Baudelaire. Het was, zei hij, 'een stad om je te bescheuren'. En hij had een remedie voor de Zenne: 'De enige manier zou zijn om haar om te buigen, zodat ze niet meer door Brussel stroomt, waar ze dient als beerput voor de riolen.' Het Brussels bier, de geuzenlambiek, hoor je nu nog, wordt onttrokken aan die grote pisbak. 'Het is een drank die gemaakt wordt door de uitwerpselen van de stad door een zeef te halen. Zo drinkt de stad al eeuwen lang zijn eigen urine.'

Geen Brusseleir echter gelooft het. Brusselaars houden van hun surrealistische stad, van die collage van verloedering, en nieuwbouw. Brussel is dit jaar Culturele Hoofdstad van Europa, een initiatief dat in de eerstkomende jaren 'de stad weer leefbaar wil maken'. Althans, dat zegt de Schotse intendant van Brussel 2000, Robert Palmer. 'Het proces is begonnen en duurt misschien tien jaar.' Hij heeft zijn hart aan de stad verpand. Want Brussel leeft. De Zenne is al lang overwelfd, behalve een kleine stukje met regenwater waar 's zomers goudvissen in zwemmen. Wie er nu rondzwerft, ontdekt een dynamisch, bruisend maar ook schemerig stadsleven.

Je komt uit de catacomben van het Centraal Station, je loopt langs de statige Sint-Hubertus Galerij naar de Grote Markt, decor van optochten en koninklijke feesten, naar het beursgebouw, 'de tempel van het Grote Geld', en daarachter gaat de Dansaertstraat schuil, the place to be voor 'tweeverdieners, die allemaal De Morgen lezen'.

Niet dat het voor het grijpen aan je voeten ligt, nee, het Brussels interieur moet je ontdekken. Het speelt zich allemaal af achter de gevels. 'Ik heb in mijn lievelingsstraat, de Dansaert straat rondgelopen', schrijft Van Istendael in Arm Brussel, zijn strijdschrift tegen de verloedering van Europa's hoofdstad.

De Dansaertstraat begint met hoge, halflege huizen, met winkels waar smalle Vlaamse jongens zwarte kostuums met wit metalen klemmen op de revers en strakke, grauwe mantelpakken verkopen. 'Ze staren je aan vanonder hoekige constructies die afgekapte, bakstenen muren vastklinken aan winkelpuien uit de Belle Epoque. De prijzen in deze gedeconstrueerde winkels zijn niet post- doch hoogkapitalistisch.'

De Dansaertstraat is de biotoop van de 'Brusselse artistieke kongsi', de straat waar cineasten als Marc Didden of Dominique Deruddere wonen, de schrijver Oscar van den Boogaard, het enfant terrible van de popscene Arno Hint jens, kunstenaars en mooie jonge jongens. De straat waarover haar vroegere bewoner en chansonnier Johan Verminnen zingt: 'Hoofdpijn, komt dat van leven in Brussel in de Dan saertstraat', the boulevard of broken dreams?

Het is de straat van het theater, van modewinkels en van de film, een kosmopolitische wijk tussen de Beurs en het kanaal, een straat waar tussen het daglicht en het nachtleven geen lijn is te trekken.

Het is ochtend. De straten worden 'schoongespoten', al sinds Baudelaires verblijf in Brussel. 'Zelfs als het regent dat het giet, worden de puien en de stoepen nog geschrobd', noteerde hij in zijn Pauvre Belgique. 'Een nationale, algemene obsessie.' Hoe overleef je in zo'n stad, na uitspattingen in de Archiduc of na een hopeloze, in het bier verdronken vrijdagnacht? Je ontbijt in de trendy broodjeszaak Le Pain Quotidien, of in De Markten op de Oude Graanmarkt, de vroegere etablissementen Val Saint-Lambert. Je eerste pils in Le Coq, een ordinair café in de Ortsstraat bij de Beurs, waar acteurs en dansers - Wim Van dekeybus of Teresa De Keersmaeker - 'het theaterbeleid uittekenen', nabij de Beurs schouwburg, het Vlaam se theater.

Lunchen in de Kasbah in de Dansaertstraat, Marok-kaanse chic, en later, veel later, nog maar eens 'doorzakken' in de Archiduc bij de piano, een jazzcafé achter een miezerige, blauwcrèmekleurige gevel, waar Django Reinhardt, Jacques Brel, Chet Baker of Charlie Parker kwamen. Brussel, ja, 'toen nog een bruisende stad' - klinkt het lied van Brel, maar nu? Of toch?

De Dansaertstraat is niet alleen Van Istendaels lievelingsstraat. 'Hier komt het jonge volk', hoor je in de kroegen. Hier zijn de beste Brusselse modezaken, 'de Brusselse School', een plek voor zelfverzekerde Brusseleirs, lange tijd een verkommerde buurt die door speculanten en trendsetters een nieuw gezicht heeft gekregen. 'Nergens is het Brus selse uitgaansleven tegenwoordig bruisender dan in de omgeving van de Dansaertstraat en de Sint-Goriks hallen', schreef de krant De Standaard. Een ommekeer. Het nieuwe Brusselse paradijs, een eiland in de stad.

Daar, in die buurt, zijn de cafés van de eeuwigdurende schemeravond: het pp-café in de voormalige bioscoop Pathé Palace waar 'het trendy volkje komt', de Zebra, een beetje grunge, het met veel spiegelglas ingerichte Le Roi des Belges en de kosmopolitische Mappa Mundi. In de Archiduc, vertelt filmmaker Didden bij de ochtendkoffie, 'komen 's namiddags de winkelende madammen, in de vooravond ga je er aperitieven, vooral cocktails, en daarna is het een nachtcafé tot het ochtendgloren.' Ze hebben allemaal een eigen sfeer, een aparte kleur, een stemming.

De jonge horeca-ondernemer Frédéric Nicolay, de dompteur van het nachtelijke Dansaertleven, was al op zijn dertigste patron van vier cafés en vier restaurants. Hij is de koning van het uitgaansleven, een formule-man, iemand die als trendsetter een interieur en een atmosfeer voor zijn cafés en restaurants bedenkt. Want de Brusselse klanten zijn moeilijk. Het mag allemaal trendy zijn, 'maar toch ook weer geen Hardrock Café of Planet Hollywood'. Geen grand cafés, liever iets groezeligs, schemerig en verborgen, intieme plekken, geen zeikerige of opzichtige 'zie-je-mij-hier'-cafés.

'Hoofdpijn', zong Verminnen, het lied van de nachttijger. 'Deze jongen heeft genoeg gehad.' Het is vroeg in de avond, Jacques is al open. Het dagelijkse ritueel. In onder meer de Dansaertstraat filmde Didden zijn Brussels by Night. De stad van spe lonken, de mollengangen van de metro, de trappen van de Beurs, de lichtjes van het Brouckèreplein, 'taxi geel, taxi zwart'. Van het Groenewoud zong de soundtrack: 'Brussels by Night, allerlei lichtjes, veel strangers in de strijd, in Brussels by Night'.

Het is de straat van 'de nieuwe bohème', met cafés waar de klandizie in vier talen keuvelt of zwetst, en wanneer het veel later wordt bij een verschraalde pils wegzakt in het nachtleven, in de buurt rond de Place Sainte-Cathérine, 'op de quai van de mossels', de visrestaurants, de wereld van de mondaine Brusselse bourgeois, met veel te dure kreeft en Italiaanse wijn. 'Brussels by Night, how bright the city lights, wie geld heeft is allright, 't is duur, dat is een feit, hier zoekt een vent een meid.'

Niet lang geleden lamenteerde madame Pipi van het beroemde Falstaff bij de Beurs in Le Coq over haar vroegere werkgever. De zaak sloot. Er waren hoge schulden, het perso neel stond op straat, er ging een legende dicht. Eerder nog was ook 'de Coq' een tijd lang gesloten, maar na een regelrechte perscampagne ging 'het treurigste café van de buurt' weer open. Intussen wisselde ook de Falstaff van eigenaar, er ging een vernieuwend salsa verfje over het interieur, maar de bon chic had allang - nog voor de zaak openging - een nieuwe plek op de Brusselse plattegrond: de omgeving van de Dansaertstraat. De nostalgici, die van houten lambrizeringen en negentiende-eeuwse lichtval houden, hebben nog steeds hun La Mort Subite of het schaakcafé Greenwich, cafés waar de tijd stilstaat. Maar nieuw lichters zakken meer en meer af van Brasserie Plattesteen of de Cercueil, 'de doodskist', een zwart café waar je uit doodskoppen drinkt, naar de zaken van Frédéric Nicolay.

De buurt achter het Beursgebouw wordt gerenoveerd. De eens goedkope panden, waar de artiesten een dak boven het hoofd vonden, zijn nu van de speculanten. De vraag heeft de prijs bepaald. De Dansaert- en Sint-Gorikswijk wordt - en zo heet het ook - 'het Quartier Latin van Brussel'. De eens zo verwaarloosde buurt in het centrum van Brussel is niet alleen een trendy wijk voor kunstenaars en mode-ontwerpers, met het culturele cluster van Beursschouwburg en Lunatheater, maar wordt ook de nieuwe Brusselse studentenwijk. Op termijn zullen meer dan duizend studenten er, vreemd genoeg voor een centrumbuurt, betaalbare kamers en studio's kunnen huren, nieuwe cliëntèle voor Le Roi des Belges of de Zebra.

'De Dansaertstraat is een politiek begrip geworden', vertelt Didden, die al achttien jaar in die swingende straat woont. 'Politiek commentator Manu Ruys sprak na de noodlottige verkiezingen over Dansaertisme.' Het is een wijk die, door de vreedzame manier waarop mensen van allerlei nationaliteiten er samenwonen, zich keert tegen het in Vlaanderen oprukkende en onverdraagzame Vlaams Blok. 'Er zijn nauwelijks spanningen, ook niet tussen Vlamingen en Franstaligen.'

Hij praat emotioneel over zijn quartier, hij schreef er in Bruxelles multiculturelle 'een tekst in tien hoofdstukken' over, 'over mijn dorp in het moeras' - want de naam van de stad herinnert aan het oude woord 'broek', hetgeen 'moeras' betekent, het Brussel van de Zenne. 'Iedereen kent iedereen in de buurt. Iedereen voelt er zich thuis. Iedereen zit 's zomers bij elkaar op de terrassen. Spanjaarden, Grieken, Marokkanen, Turken.' Hij zag zijn straat veranderen. De Vlaamse architect Peter Cornelis richtte de boetiek Stijl in, nog steeds de pomo-trendsetter voor de nieuwe winkelinrichting van de vele modezaken in de Dan saertstraat. Er komen steeds meer Vlamingen wonen, maar ook Europese ambtenaren. De straat tussen de Beurs en het kanaal, een wijk van zowel tweeverdieners en yuppen als allochtonen, is een levendige staalkaart van het nieuwe en jonge Brussel: hier heerst het Dansaert-gevoel.

De straat is het onderwerp van afstudeerscripties, model voor nieuwlichters en politici, een mer-à-boire voor antropologen en documentairemakers. Studenten van de Gentse universiteit, de Vrije Universiteit Brussel en de Brusselse Hogeschool Sint-Lukas Beeldende Kunsten werken gezamenlijk aan 'een visueel-antropologisch project' over openbare ruimtes in Brussel, onder meer over de Dansaertstraat. Ze ontdekken er 'een bijzondere mix van jeugd- en eetculturen, leefstijlen, consumptieculturen'. Het is een steekproef van Brussel. Ze willen later dit jaar, het culturele-hoofdstadjaar van Brussel, met lijnbussen die zijn verbouwd tot filmzaaltje en café, van plein tot plein trekken om er hun documentaires te tonen en met de wijkbewoners te praten, 'de Chicago-jeugd, de allochtonen en de trendy society'. De Dansaertstraat is een dubbelzinnige straat: er wonen bejaarden, zoals die man die in geen zes jaar zijn huis is uitgekomen, migranten en dissidenten, jonge ondernemers, acteurs en kunstenaars, 'rijkdom tegenover armoede', mooi en goed geklede yuppen maar ook mensen die straks de hoge huren niet meer zullen kunnen betalen.

De wijk verandert, Brussel verandert. De Dansaertstraat is een begrip. 'Snel vliegt de tijd', klinkt het in Van het Groenewouds soundtrack van Brussels by Night, 'de kamers met ontbijt'. Nostalgie en schemerlicht. Het leven in de schaduw van de Beurs. Je hoort nog de melancholische saxofoon, het geluid van de Archiduc, het geroffel van het nachtleven. De eerste zonnestraal. En weer is het dag in de modieuze Dansaertstraat, of het nu vierhoog is 'bij een meid' of besluiteloos en doodop in het café Le Coq, net voor het steeds maar wegebbende sluitingsuur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden