Dorp dat moet slijten

De overbuurman lag in zijn stoel en zei: ‘Mooi hè?’ ‘Ja’, zei ik.‘Wat eigenlijk?’ ‘Nou, gewoon alles’, zei de overbuurman....

Op een vergeten stuk weiland in noordoost Friesland heeft Landal GreenParks Esonstad gebouwd. Of eigenlijk herbouwd, want volgens een oude sage bestond dit Friese stadje in de Middeleeuwen ook al. Het resultaat: huisjes met authentieke geveltjes, een marktplein en veel water.

Vorig weekeinde ging het park open voor het publiek. Per openbaar vervoer was het stadje niet te bereiken en dus gingen we met de auto. Op vrijdagavond bereikten we de zandvlakte waar het stadje lag. In het hoofdgebouw maakten we kennis met Afke. Zij gaf ons de sleutels van nummer 320 en wenste ons een prettig verblijf. We kregen ook een welkomstmap. Daarin zat een papier waarop stond dat je de auto op het parkeerterrein moest zetten, dat er de volgende ochtend een knutseluurtje op het Waeghplein was en dat je in geval van nood de huisarts in Dokkum moest bellen.

We wandelden door de stadspoort het stadje binnen. En eerlijk is eerlijk: het stadsbeeld voldeed precies aan de verwachtingen. Oude geveltjes, keien op de straat en alles netjes en schoon. Het licht in de lantaarnpalen was net ontstoken en dat zorgde voor een knusse sfeer. In sommige huisjes brandde licht, maar de straatjes waren verlaten.

Van binnen zag het huisje eruit als elk ander bungalowhuisje. Er hingen foto’s van zeilboten aan de muur, er stonden wat meubels en op tafel stond – cadeautje van Landal GreenParks – een fles rode wijn. Minpunt: er was geen warm water. En heel erg: de televisie deed het niet. Ook de mobiele telefoon had geen bereik.

Friet

Gelukkig zaten de overburen in de achtertuin. Van daaruit had je een prachtig uitzicht op een watertje. Ze zaten op strandstoelen in het zand, want er groeide nog geen gras in de tuintjes. Zij hadden wel bereik en we mochten hun mobiele telefoon lenen. We belden met de receptie en vertelden van de televisie.

Wat erg!’, zei een meisje door de telefoon. Ze ging meteen de klusjesman oppiepen, maar ze zei dat het wel even kon duren want er waren meer huisjes waar de televisie het niet deed.

We maakten een praatje met de overburen. De overbuurman lag in zijn stoel en zei:

‘Mooi hè?’

‘Ja’, zei ik. ‘Wat eigenlijk?’

‘Nou, gewoon alles’, zei de overbuurman.

Daarna zei hij: ‘Zo, en nu ga ik weer naar binnen.’ ‘Ik ook’, zei zijn vrouw.

We besloten om Esonstad te verkennen. Er waren een stuk of vijf straatjes, maar mensen liepen er niet. Uiteindelijk besloten we om wat te eten in een groot gebouw dat De Waegh heette. Een vriendelijke serveerster met een knotje bracht ons de kaart. Daarop stonden Hollandse gerechten als saté met friet. En we wilden ook bier. De serveerster noteerde het allemaal en kwam even later terug met de mededeling dat er geen eten meer was. ‘De kok stopt ermee, dus...’

En ze had even geïnformeerd, maar de middeleeuwse snackbar aan de andere kant van het plein was nog niet in bedrijf. Dus we konden in het hele dorp niets eten. En o ja, het gezellige kroegje was ook nog niet open. Problemen met de biertap.

Fotograaf Job en ik bespraken de situatie. Wat deden we eigenlijk in dit verlaten nieuwbouwstadje met zijn oude geveltjes? We wisten het niet. Een onbekende man meldde zich aan ons tafeltje. ‘Wim Okkema’ stond er met grote letters op zijn poloshirt.

Hij zei: ‘Uw tv was kapot?’

‘Ja’, zei ik.

‘Mooi’, zei Wim, ‘die heb ik dus gemaakt.’

Daarna bleef hij bij het tafeltje staan. ‘Bedankt, Wim’, zei ik. Wim begon nu uit te leggen wat er mis was met de televisie. Het was een heel verhaal, maar de televisie deed het prima. ‘Er zat gewoon geen kabel in’, zei Wim.

Nadat we hem nogmaals hadden bedankt, vertrok hij. De serveerster kwam zeggen dat het dichtstbijzijnde dorp Anjum heette en dat daar een snackbar was.

Anjum was een paar honderd meter verderop. In de snackbar, die De Snackbar heette, stond een kale man met een grote gouden oorbel. Hij zei: ‘Jammer, ik doe net de ovens uit.’

‘Dus u heeft geen friet meer?’, vroeg ik. ‘Nee’, zei de man, ‘negen uur is negen uur.’

Het was inderdaad negen uur.

‘Waar kunnen we nog wel wat eten?’, vroeg ik.

‘Nergens’, zei de man.

Hij vroeg waar wij vandaan kwamen.

Het antwoord, Esonstad, leidde tot een wegwerpgebaar. ‘Vies nepdorp.’

Hij ging speciaal voor ons bellen met Piet, de eigenaar van hotel-pension Lauwersoog. Hij schreeuwde in zijn mobiele telefoon. ‘Hé Piet! Piet, heb jij de keuken nog los dan? Nee? Nou jammer dan, ik heb er hier twee uit de nepstad. Daarom.’

Hij stopte zijn mobiel terug in de binnenkant van zijn glimmende sportbroekje en zei: ‘Nee, geen eten.’

Uiteindelijk aten we gehaktbal met tosti in café De Bongaerd. Het eten kwam uit een luik. Op de barkrukken zaten zestien mannen en een vrouw. Ze werkten allemaal bij de visafslag in Lauwersoog, droegen sportschoenen en hadden geen zin in praatjes met rondwandelende vreemdelingen.

Na het eten reden we terug naar Esonstad. We sloten de avond af met een biertje in De Waegh. Daar zat Arie, de klusjesman die verantwoordelijk was voor het licht en geluid in Esonstad. Hij woonde al zijn hele leven in Anjum en zei: ‘Het is vlakbij mijn huis, maar als je hier komt, ben je in een totaal andere wereld.’

Voortandjes

De volgende dag was het prachtig weer. Ik kocht een krant bij minisupermarkt Attent. Er was die dag al eerder een klant geweest. Die kwam uit Duitsland en had fruityoghurt gekocht. De vrouw van de supermarkt had krullen en zei: ‘Jaja, het is een mooi dorp.’

Daarna ging ik op het terras bij De Waegh zitten. De serveerster las de kaart voor: appeltaart of waldkornbolletjes met Friese kruidnagelkaas of brood met kroket. Daarna zei ze dat de zon scheen en somde ze op wat er die dag al was misgegaan. Er was een kind gevallen in het restaurant. Met de voortandjes op het beton. Het kind was eerst naar het ziekenhuis in Dokkum gebracht en daarna naar een ziekenhuis in Leeuwarden. En even later had het personeelslid dat verantwoordelijk was voor het schoonhouden van de keuken vergeten om het snij-apparaat uit te zetten.

‘En toen?’, vroeg ik.

‘Ja, snijwonden dus’, zei het meisje. ‘Dat ding is hartstikke scherp.’

Ze zuchtte en zei: ‘Ik heb vandaag genoeg bloed gezien.’

Na weer een wandeling door het verlaten stadje – iedereen lag aan het Lauwersmeer – huurde ik een fiets bij de receptie.

‘En?’, vroeg Afke. ‘Hoe gaat het?’

‘Nou rustig, hè?’, zei ik. Afke zei dat je overdag ook niet in Esonstad moest blijven. ‘Je moet fietsen of naar het water.’

En dat deed ik dus maar. Ik fietste over de dijk. Vanaf de dijk had je een prachtig uitzicht op Esonstad. Iedereen die ik er trof vond het een prachtig gezicht, zo’n oud stadje. Toen ik een paar uur later terugkwam, stond Klaas Odink (34) bij de slagboom. Hij droeg een roze poloshirt en was projectleider realisatie van Esonstad geweest. Dit weekeinde zat hij met de familie in een huisje met een klokgeveltje. Hij wilde per se weten wat ik ervan vond. Ik wist het niet. ‘Een beetje kitsch’, zei ik.

‘Dan moet je over tien jaar terugkomen’, zei Klaas. ‘Nu ziet het er nog nieuw uit, maar dan is de paterniseerlaag eraf. Dan oogt het ouder.’

Ik had nog nooit van een paterniseerlaag gehoord, maar Klaas zei dat een dorp moest slijten.

‘Dus het is goed als de mensen tegen de huisjes pissen?’, vroeg ik.

Het was een rare vraag, maar Klaas zei: ‘Als je de paterniseerlaag er eerder af wil hebben, kun je er beter yoghurt op smeren.’

Daarna begon hij een heel verhaal over ‘de tweede fase’. Er kwamen nog veel meer huisjes op kunstmatige eilanden. En er kwam ook een camping. Opeens herinnerde hij zich ook nog een leuk verhaal. ‘We hadden een afspraak met een bierbrouwer. Hij belde om te zeggen dat hij Esonstad niet kon vinden. Hij zei: "Ik sta hier bij een heel oud stadje." Hij was er dus al.’

Bezetting

In het hoofdgebouw zat de stemming er goed in. De eerste dag was goed verlopen.

Parkmanager Jan ten Hoor (48) droeg ‘vanwege het weer’ een driekwartbroek en meldde dat de bezetting – in 93 van de 145 huisjes zaten mensen – boven verwachting was. Afke, die de hele dag achter de balie in het Centrale gebouw had gestaan, had de kas opgemaakt. Ze zei: ‘We hebben een tekort...’

Jan: ‘Waaat?’

Afke: ‘Er ontbreekt tien cent.’

Jan: ‘O...’

Zijn zoon, die als vakantiewerker op het park aanwezig is, schreeuwde: ‘En mama zegt dat we zo gaan eten. Je moet komen!

Jan: ‘Schitterend dit.’

Voor hij achter zijn bureau ging zitten, rommelde hij in een kast. Hij haalde er een Volkskrant van april uit. Hij plofte op zijn stoel en schoof de krant naar me toe. Ik zag een kleurenfoto van Esonstad.

Jan: ‘Frontaal, voorpagina. Waren we heel blij mee. De volgende dag stond het NOS Journaal op de stoep. En bij RTL4 vonden ze het hier een ideaal filmdecor.’

Ook hij begon over de tweede fase. Dan zou er ook een golfbaan met negen holes zijn. Landal GreenParks had de meeste huisjes als beleggingsobject verkocht. De eigenaren maakten een rendement van zo’n zes procent per jaar. En de supermarkt en de horeca waren verpacht. Eigenlijk hoefde hij er alleen maar voor te zorgen dat de huisjes vol huurders zaten. En dat ging, zolang er maar mooie foto’s in de kranten kwamen, eigenlijk vanzelf. ‘Je vindt het mooi. Of je vindt het niet mooi. Zolang er maar genoeg mensen zijn die het mooi vinden, zitten wij goed. Er zijn mensen die het kitsch vinden. Prima toch?’

Het vinden van kopers voor de huisjes was geen enkel probleem geweest. In de regio zaten nogal wat boeren die waren uitgekocht vanwege de MKZ-crisis. Ze hadden geld gekregen onder de voorwaarde dat ze het in de regio moesten investeren. Esonstad was zo’n beetje het enige waarin je in dit gebied kon investeren.

Hij had er alle begrip voor dat de fotograaf en ik niet zo enthousiast waren. Wij waren geen doelgroepers. Doelgroepers waren ouder dan 35 en hadden kinderen vanaf zes jaar. Bovendien hielden ze van water en waren ze heel sociaal. ‘Je beleeft overdag allerlei avonturen op het water en ’s avonds trek je je terug in de geborgenheid van een vestingstadje, waar verder niet zoveel te doen s. Je valt dan terug op je eigen sociale fundament.’

‘Ik heb hier helemaal geen sociaal fundament’, zei ik.

‘Dat is helemaal niet erg’, zei Jan.

We bespraken kort ‘de problemen’. Zo kon je volgens Jan beter een KPN- dan een Vodafone-abonnement hebben in Esonstad.

En je moest je goed insmeren tegen muggen, want die waren er de afgelopen weken te veel geweest. Hij stond op en gaf me een hand.

Zootje

Op de laatste dag fietste ik weer door het stadje. Bij de Attent-supermarkt kocht ik een Telegraaf op Zondag. Verder kon je in Esonstad de Party, Story en Privé kopen. De vrouw met krulhaar had een vrije dag. De jongen die de kassa bediende zei dat hij haar eventueel bij calamiteiten kon bellen, maar hij verwachtte niet dat dat nodig zou zijn.

Ik ging op het Waeghplein zitten. Omdat de temperatuur op het betonnen pleintje meer dan dertig graden was, zaten er weer weinig mensen. Een blonde serveerster, die ik nog nooit gezien had, zei: ‘Ik zal u vast vertellen dat er vandaag nog niks fout is gegaan, want daar vraagt u toch altijd naar?’

Ik wilde een koffie en een broodje met Friese kruidnagelkaas en las in de Telegraaf Op Zondag. Een man met een grijze baard en een schipperspetje op het hoofd kwam melden dat hij mijn menukaart had opgeraapt, want die was weggewaaid. Hij bezat twee huisjes en vond het geen manier van doen. Hij zei: ‘Als niemand de menukaarten opruimt, wordt het hier een zootje.’

De serveerster kwam. Ze had een rood hoofd en zei: ‘Nou is er toch wat misgegaan. Dat broodje... De oven is stuk.’

Even later meldde ze: ‘En nu doet de oven het dus weer... Ongelooflijk, hè?’

Naast me zaten inmiddels Inge en Dick.

We kenden elkaar omdat ik eerder een gesprek met ze had gehad over barbecuen op straat. Dick speelde met zijn aansteker en Inge zuchtte vaak en diep.

‘En nu moet ik dus weer’, zei Inge en ze stond op en liep De Waegh binnen.

‘Diarree’, zei Dick. ‘We hebben gisteren op de dijk gegeten.’

‘O’, zei ik.

Dick: ‘Ze heeft de hele nacht op de pot gezeten. Zet dat maar in de krant.’

Omdat er verder toch niets gebeurde, noteerde ik het meteen. Toen Inge terug was, zei Dick: ‘Het komt in de krant hoor, dat je aan de schijterij bent.’

Inge vroeg zich af of het wel kon dat je van vis diarree krijgt. Bij vlees kon ze zich zoiets wel voorstellen, maar vis? ‘Weet jij dat of dat kan?’

‘Ik denk het wel’, zei ik.’

‘Dan is het die vis’, zei Inge.

Dick vroeg: ‘Wil je Beerenburg?’

‘Neuh..’, zei ik.

Missie

Ik stond op, stapte op mijn huurfiets en reed het dorpje uit. Het was een mooie tocht. Een paar uur later was ik verbrand weer terug. In het water rond de huisjes dreven wat kinderen op luchtbedden en op het Waeghplein zat het nu vol met dagjesmensen. Ze vonden het allemaal een mooi plein.

Klaas Odink zat er ook. Toen hij me zag itten, kwam hij even een praatje maken.

’En?’, vroeg hij.

’Nou, warm’, zei ik.

Ja, dat vond Klaas ook. Hij zei dat ze in Esonstad een heel apart klimaat hadden. Een zeeklimaat. ‘Weet je dat we tijdens de bouw maar 23 uitvaldagen hadden? In de berekeningen gingen we uit van vijftig dagen. Dus dan weet je het wel..’

‘Wat weet je dan wel?’, vroeg ik. ‘Nou, hoe het klimaat hier is’, zei Klaas.

Klaas zat dit weekeinde met familieleden in een huisje om ‘feeling te houden’ met zijn project. Hij was nieuwsgierig naar de reacties van de klanten. Eerst besprak hij zijn eigen ervaringen. ‘Zoals ik u gisteren al meldde, hebben wij ook het weekeinde proefdraaien meegemaakt. Dat hebben wij als positief en stimulerend ervaren. Ook nu weer zijn de reacties positief. En wat wij zo horen, vindt iedereen dit een mooi project. De conclusie is wat mij betreft dat dit een mooi project is, maar u bent vrij om te vinden wat u wilt. Dat spreekt voor zich.’

‘Ach’, zei ik, ‘bij zo’n artikel gaat het vooral om de foto’s. Daarop staan blauwe luchten, klokgeveltjes en mensen die zeggen dat ze tevreden zijn...’ Klaas sloeg zijn handen in elkaar. ‘Missie geslaagd dus.’ ‘Nou, missie geslaagd...’, zei ik. ‘Ik ben nogal cynisch...’ Klaas maakte een wegwerpgebaar. ‘Nee, u bent niet cynisch. U bent kritisch. Dat is iets heel anders. Daarvoor hebben wij alle begrip. En als ik vandaag naar de lucht kijk, kan er qua plaatwerk niets misgaan. Mooie foto’s, dat is wat de mensen willen.’

Klaas ging betalen. Toen dat gebeurd was, kondigde hij aan dat hij terugging naar zijn huisje. Lekker genieten, want morgen was het weer maandag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden