‘Doos van leed’ met soms een landschap

Knipsels, boeken, foto’s; kunstenaars verzamelen materiaal ter inspiratie voor hun werk. Deel 1: Ronald Ophuis...

Flap-trek, flap-trek – de vingers van Ronald Ophuis lopen door zijn archief-schoenendoos, alsof hij in een platenbak graast. Giotto, Ingres, Rembrandt, Tintoretto, Freud, Grosz. Middeleeuwse anonieme meesters, expressionisten, modernisten; een race door de kunstgeschiedenis in ansichtkaarten.

‘Het begon met stelen’ zegt de schilder. ‘Ik woonde begin jaren negentig in Parijs, omdat ik zo dicht mogelijk bij het Louvre wilde zijn. Maar geld voor kunstboeken had ik niet.’ Zeker één keer per week ging hij de grote Franse schilders bezoeken, later ook naar Musée d’Orsay en het Jeu de Paume. Het ging soepeltjes. ‘Ik had van die grote zakken. En ik dacht: het is voor een goed doel.’

Veel kruisigingen, ophangingen, pietà’s – veel strijd en pijn zit ertussen. Dat valt te rijmen met zijn eigen confronterende schilderijen, over de zwarte kant van de wereld, uit de geschiedenis of de actualiteit. Concentratiekampen, Srebrenica, Congo – vanaf het begin van de jaren negentig schildert Ronald Ophuis (1968) scènes die we liever niet zouden willen zien. Maar in zijn ‘doos van leed’ duikt soms ook een landschap op, een abstract schilderij, een naakt van De Kooning.

De eerste kaart was een statige afbeelding van twee nonnen, een ex-voto uit 1662 van Philippe de Champaigne. ‘Waarom, tja*waarschijnlijk om hoe ze in de ruimte zitten.’ Daarna volgde Georges de la Tour, en Het vlot van de Médusa van Géricault – vaak bekeken. ‘Het was het inhalen van de kunstgeschiedenis’, zegt Ophuis, ‘ik wist alleen iets van moderne kunst.’

In dezelfde tijd begon hij ook een krantenfotoarchief, nu vergeeld in een ordner, waar sinds internet de klad in kwam. Bovendien heeft hij nu stapels catalogi, die in steeds wisselende constellaties in zijn atelier op de grond liggen. En hij vertrouwt vooral op zijn geheugen.

Maar soms pakt hij een kaart erbij, op zoek naar ‘oplossingen’. Hoe Lucian Freud huid schildert, of hoe Tintoretto de lichamen ‘als een soort actiehelden’ laat opdraven. ‘Maar je komt er steeds weer achter dat je het toch alleen op je eigen manier kunt doen’ zegt hij. ‘Je verandert je palet, je probeert een andere toets, en dan keer je weer terug.’

Elke ansicht zijn verhaal: ‘Kijk, het gezin van Hans Holbein in 1528. Het schijnt dat hij hen als op een soort grote pasfoto schilderde voordat hij naar Engeland reisde om voor het hof te werken – en daarna zag hij ze nooit meer terug.’

Of hier, uit de Uffizi in Florence, een triptiek van Hugo van der Goes. ‘Ik kijk dan naar hoe hij die bloemetjes op de grond strooit, dat soort details. Ook heb ik geprobeerd kleine en grotere figuren te combineren, maar dat is meteen heel Middeleeuws.’

Ooit zocht hij een kunstenaar op naar aanleiding van één ansicht, gekocht in het Van Abbemuseum. Romantisch, ja, inclusief de deceptie van de ontmoeting met de Poolse schilder Dwurnik. Ophuis: ‘Het had iets gelikts: hij had een heel groot atelier met een daglichtinstallatie, een gated huis en een dikke Mercedes. Hij vond mijn werk maar niks. Maar ik kreeg wel een boek mee.’

Sacha Bronwasser

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden