Doorprikken wat aanvaard is

Hij gebruikt individuele geschiedenissen om via omwegen bij iets veel groters uit te komen. Zo nam hij in zijn roman Disgrace het nieuwe Zuid-Afrika van na de apartheid onder vuur....

Er zou een essay te schrijven zijn over de rol van de hond in het werk van J.M. Coetzee. Niet voor niets staat er op de eerste druk van de Engelse editie van Disgrace een zwerfhond afgebeeld, zo'n scharminkel dat aan de rand van de bewoonde wereld leeft en zijn schamele kostje bij elkaar moet scharrelen op vuilnisbelten. Zijn lot is een van de belangrijke motieven in dat boek; het is zelfs vrijwel onvermijdelijk dat lot niet ook zinnebeeldig op te vatten, als een verwijzing naar iets anders. De honden waar het in Disgrace om gaat, zijn in ongenade gevallen, net als de hoofdfiguur van het boek, David Lurie, professor David Lurie. Zij zijn de verschoppelingen van een onverschillige wereld.

Bovendien staan ze niet op zichzelf in Coetzee's oeuvre. Ook in Age of Iron komt zo'n afdankertje voor, zo'n zwerfhond die geen plek meer heeft. En ook daar heeft het bestaan van dat dier de functie van een vermaning gekregen. Het boek begint immers met de vondst van een zwerver, in een steegje achter het huis van de hoofdpersoon, Mrs Curren, ook al een hoogleraar. De zwerver in zijn met plastic beklede kartonnen doos maakt lawaai in zijn bergplaats en de vrouw denkt even met een dier te maken te hebben. Maar dat duikt pas later op, al lijkt zijn verschijning op die van de man.

In Disgrace belandt de aan lager wal geraakte hoogleraar ten slotte als assistent in een dierenkliniek. Dat is niet zomaar een veterinaire inrichting, maar een waarin honden worden afgemaakt. 'Er zijn er eenvoudigweg te veel van. Wanneer mensen een hond binnenbrengen zeggen ze niet rechtstreeks, ''Ik heb u deze hond gebracht om hem te laten doodmaken'', maar dat is wel wat er verwacht wordt: dat zij erover zullen beschikken, ze het beest laten verdwijnen, het af zullen voeren naar de vergetelheid. Waarom gevraagd wordt is, met zoveel woorden, Lösung.'

Dat woord op die plek doet pijn. De bezigheden in een euthanasiekliniek voor honden door het gebruik van een zwaar beladen Duits woord in verband brengen met die andere Lösung, de Endlösung, is niet op de rand van de goede smaak, maar er ruimschoots voorbij. Toch is dat precies wat Coetzee voor ogen moet hebben gestaan, toen hij het woord koos en neerschreef. In zijn verhalende essay The Lives of Animals heeft hij nauwgezet en dwingend uit de doeken gedaan hoe hij de omgang van de hedendaagse mensenwereld met dieren beoordeelt. Wat daar over de vleesindustrie, het slachten en de vleesconsumptie wordt gezegd, is even indringend als wat er in Coetzee's romans over de omgang met dieren wordt verteld. Je moet over een zekere dosis onverschilligheid beschikken om je na lezing van dat boek niet tot het vegetarisme te bekeren.

'Hij is ervan overtuigd dat de honden weten dat hun tijd gekomen is', staat er in Disgrace. 'Ondanks de stilte en de pijnloosheid van de procedure, ondanks de goede gedachten die de dierenarts denkt en die hij tracht te denken, ondanks de luchtdichte zakken waar ze de nieuw gemaakte kadavers in binden, ruiken de honden op het erf wat zich binnen afspeelt.' Dat zijn pijnlijke observaties, en als David Lurie oog in oog staat met zo'n hond die een spuitje krijgt, ontketent dat emoties in hem waar hij aanvankelijk niet toe in staat leek: mededogen, schaamte, smart.

Het is die omweg die Coetzee willens en wetens gebruikt om licht te werpen op iets anders, zoals hij steevast de meester is van het construeren van ogenschijnlijk individuele geschiedenissen die bij nadere beschouwing blijken te staan voor iets veel groters. Coetzee is, in weerwil van de soms meeslepende toon van zijn romans, geen verteller, maar een denker, een schrijver die de literatuur gebruikt om iets aan de weet te komen. Hij construeert zijn zinnen, hij sleutelt zijn boeken in elkaar; ze vereisen nauwgezette lezing en herlezing, omdat ze eerst dán iets van hun ingenieuze dwarsverbanden en spiegelingen prijsgeven.

In de confrontatie met dieren, de zwerfhond in de achtertuin en de afgedankte verschoppelingen in de kliniek, breekt een emotie door die zijn personages in het sociale verkeer met hun medemensen allang niet meer hadden waargenomen. Coetzee boort zich via die omweg door de eeltlaag van verdringing en gewenning, van botheid en onverschilligheid heen. Hij heeft de zwervers nodig om de burgers uit hun morele sluimer te wekken.

Dat doet hij hard, want noch als schrijver, noch als persoonlijkheid is Coetzee een gemakkelijke man. De schrijver houdt zich afzijdig; hij geeft slechts zelden interviews, en toen zijn beroemdste boek in Zuid-Afrika inzet van een discussie werd waarin hem veel verwijten werden gemaakt, ging hij het debat uit de weg. Hoewel vrijwel zijn hele oeuvre geënt is op de jongste geschiedenis van Zuid-Afrika, woont hij inmiddels in Australië: ver weg van het geweld waarover hij schreef, in een land dat een immigratiewetgeving kent die aan eenzelfde geest ontsproten lijkt te zijn als de apartheidswetten van eertijds.

De persoonlijkheid die zich met volledige inzet op het schrijven werpt, wordt zichtbaar in zijn twee expliciet autobiografische verhalen, Boyhood en Youth. Een eenzaam, in zichzelf gekeerd kind in het Zuid-Afrika van de jaren veertig en vijftig, een volstrekt op zichzelf teruggeworpen jongeman in het Londen van de late jaren vijftig en vroege jaren zestig. De jongeman wil gaan schrijven en wil zich slechts met de allergrootsten meten. In Londen is hij een eenling, nauwelijks in staat contact te leggen met leeftijdgenoten, opgesloten in zijn vreemdelingschap en zijn buitenstaanderschap. De overeenkomst van de jongen uit Boyhood en de jongeman uit Youth met de gedisciplineerde en weinig toeschietelijke schrijver is dwingend, zoals ook het beeld van de zwerfhond aan de rand van de beschaving zich weer opdringt. Samen vormen die twee kleine boeken eerder een mentale en morele autobiografie, dan een feitelijke.

Om die morele dimensie gaat het, in al Coetzee's boeken. Hij is weliswaar een schrijver die goeddeels te midden van schrijvers leeft - hij was geruime tijd hoogleraar literatuur aan de universiteit van Kaapstad -, zijn eigen werk heeft voortdurend betrekking op de werkelijkheid. Het gaat hem om het doorgronden van die werkelijkheid, sociaal en historisch, om het niet voor de hand liggende bloot te leggen. Zijn verhalen dienen een doel en dat doel is het verwerven van inzicht. Beter dan welke geschiedschrijver ook heeft hij begrepen waar het in de jongste geschiedenis van Zuid-Afrika om ging, waar hoop retoriek wordt en een droom een illusie.

Als letterkundige heeft hij, vooral voorheen, schitterende dingen geschreven over onder meer de Nederlandse literatuur. Hij vertaalde Marcellus Emants en leidde diens Een nagelaten bekentenis bij de Engelstalige lezers in, hij vertaalde eveneens poëzie van Hans Faverey, Sybren Polet en Leo Vroman. Zijn essay over Gerrit Achterbergs 'Ballade van de gasfitter' behoort tot het beste van wat er over dat gedicht geschreven is. In latere stukken, over Mulisch en Nooteboom, maakt hij het zichzelf een stuk gemakkelijker en zijn zijn opvattingen weinig opmerkelijk. Van zijn grote besprekingen van de contemporaine wereldliteratuur, die geregeld in The New York Review of Books verschijnen, kun je dat weer niet zeggen: het zijn lucide, compromisloze beschouwingen. Ze werden gebundeld in Stranger Shores, en eerder in Giving Offense en Doubling the Point.

In dat laatste boek licht hij ook zijn verhouding tot het Nederlands toe, de enige levende taal die hij naast het Engels en het Afrikaans machtig is. 'Er was een tijd, in de vroege jaren zeventig, dat mijn beheersing van het Nederlands zodanig was dat ik mijzelf in alle redelijkheid kon beschouwen als een professionele vertaler. Toen richtte mijn belangstelling zich van de Nederlandse literatuur op andere gebieden.' Het zijn de jaren waarin zijn eigen schrijverschap zich ontwikkelt: in 1974 debuteerde hij, op 34-jarige leeftijd, met de roman Dusklands. Sindsdien heeft hij, met symptomatische regelmaat, vijwel telkens om de drie jaar een roman gepubliceerd, In the Heart of the Country- A Novel in 1977, Waiting for the Barbarians in 1980, The Life and Times of Michael K. in 1983 en zo verder, tot Elizabeth Costello dit jaar. Pas vanaf het eind van de jaren negentig nam de frequentie van verschijningen toe, vooral door het uitkomen van verzamelbundels met essays en de twee autobiografische verhalen. Voordien laat de strenge discipline van de schrijver zich aflezen aan zijn bibliografie.

In Disgrace, het boek waarvoor hij prompt de Booker Prize kreeg - die hem zestien jaar eerder ook al voor The Life and Times of Michael K. was toegekend: Coetzee is een veelvuldig bekroond auteur -, moet de hoogleraar David Lurie zijn universitaire betrekking opgeven, omdat hij met een studente heeft geslapen. Die studente is weliswaar uit vrije wil naar zijn huis gekomen, maar helemaal koosjer is het zaakje toch niet. Lurie had ermee weg kunnen komen, als hij zich geschikt had in de procedure die de universiteit tegen hem aanspant. Er wordt een soort ereraad ingesteld, die de kwestie moet onderzoeken en van Lurie vraagt dat hij spijt betuigt.

Dat hij met haar geslapen heeft en dat gegeven de verhoudingen misschien niet had moeten doen, wil Lurie wel toegeven. De feiten zijn immers duidelijk en hij is er de man niet naar het evidente te ontkennen. Maar voor spijt betuigen voelt hij niets: dat zou in zijn ogen een loos gebaar zijn. De feiten zijn te achterhalen, de moraal niet - en zeker niet de moraal van de vergeving.

Wie dat in 1999 in de eerste paar hoofdstukken van een roman opschrijft, steekt het mes in de ideologie van 'The New South-Africa', ja, lijkt daar de draak mee te steken. Dat Zuid-Afrika baseerde de mogelijkheid om onderdrukkers en onderdrukten van weleer in vrede met elkaar te doen samenleven immers op een dergelijke spijtbetuiging, op de instelling van een Truth and Reconciliation Committee. Wat Lurie in het klein moest doen, gebeurde om hem heen op nationale schaal - en dat kan helemaal niet, zegt Disgrace, en zegt dus Coetzee. Het pijnlijke is dat het even duurt voordat de vèrstrekkende consequentie van het individuele verhaal zich openbaart, voordat de parallellie zichtbaar wordt.

En dan is het voor de lezer te laat: die heeft zich inmiddels gewonnen gegeven aan Lurie's oordeel. Lurie prikt het moralisme van zijn collega's door, Coetzee dat van zijn landgenoten.

Dat is wat Coetzee eigenlijk steevast doet, het gemakshalve aanvaarde ter discussie stellen. Daar zit iets bitters in - en dat is de bitterheid van de buitenstaander, van wie het Nobelprijs-comité in zijn toelichting op de toekenning van de Nobelprijs voor de Literatuur 2003 aan Coetzee gewag maakt. Die buitenstaander komen we in zijn kwetsbaarste hoedanigheid tegen in Coetzee's autobiografische werk, in zijn romans is die buitenstaander een scherpe commentator en een scherpzinnig analyticus geworden. Over de escalatie van het geweld in Zuid-Afrika zijn de afgelopen tien jaar talrijke romans geschreven, maar geen daarvan weet zo indringend als Disgrace duidelijk te maken dat daar geen eind aan komt als niet een der partijen haar eigenbelang opgeeft en zich schikt. 'Een klein beetje onrecht is verkieslijker dan de chaos', schreef Goethe al - en dat is waar Lurie's geschonden dochter ten slotte voor kiest.

En dan ben je weer terug bij de honden, bij het mededogen, de schaamte en de smart, oog in oog met de slachtoffers, met de verliezers. Daar is geen oplossing voor, en spijt betuigen is dat zeker niet. Doorgaan met vertellen en door middel van dat vertellen verhelderen is dat vermoedelijk wel, de literatuur gebruiken om de morele dilemma's op te werpen. Het is in elk geval voorlopig het enige wat men kan doen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden