Door het licht tot leven gewekt

Twee jonge architecten lieten zich voor een gebouw dat een collectie devotische kunst moest bergen, leiden door de ideeën van de monnik-architect Dom van der Laan....

GEBOUWEN die een innerlijke rust in zich dragen, weloverwogen in harmonie zijn met hun omgeving en in staat zijn vele generaties te boeien, worden slechts zelden gerealiseerd. Maar er zijn uitzonderingen. In het Brabantse Vlijmen staat een expositiegebouw voor gotische devotionalia, gewijd aan Maria, dat van een overrompelende schoonheid is. Een welvarende uitgever van kranten en tijdschriften begon jaren terug aan een verzameling Mariabeelden en afbeeldingen van Maria, die hij her en der in zijn huis te pronk stelde. Dat ging nog beter toen zijn broer de architect in 1988 een woonhuis voor hem ontwierp in het Brabantse dorp Vlijmen. Het werd een niet onaardig pand in wat doorgaans 'de Bossche School' wordt genoemd.

Nu bestaan er nogal wat misverstanden over die Bossche School. Wat uiterlijk betreft lijken de gebouwen nogal sober traditionalistisch met hun lichtgrijs geverfde bakstenen gevels en hun schuine daken met doorgaans donkere pannen. Maar het is niet het uiterlijk dat telt. Het gaat vooral om de binnenruimte, die wordt beheerst door een ingetogen, rustige maatvoering, gebaseerd op de theorie van het Plastische Getal van Dom H. van der Laan (1904-1991).

Sinds de jaren veertig gaf deze Benedictijner monnik-architect geregeld lezingen in het Bossche Kruithuis voor aspirant-architecten, waarin hij stap voor stap zijn theorie ontwikkelde. Zo werden vele generaties architecten gevormd door zijn imposante denken. Alleen: Van der Laan bleef zijn hele leven lang zoeken naar het diepste wezen van de architectuur en tot ver in de jaren tachtig verfijnde hij zijn theorie, maar niet iedereen bleef op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen.

Zelf gaf Van der Laan met zijn uitbreiding van het Benedictijner klooster in Vaals in de jaren zestig een inmiddels wereldberoemd voorbeeld hoe die essentie eruit moest zien: een indrukwekkende architectonische ruimte waarin dankzij evenwichtige verhoudingen een intrigerende harmonie is ontstaan. Al zou Van der Laan er zelf later van zeggen dat zijn oorspronkelijk uitgangspunt net niet goed was. Hij nam het zich zelf kwalijk dat hij teveel was uitgegaan van de vormen in plaats van de ruimten zelf.

Zulke intrigerende bespiegelingen zal men in veel gebouwen van de Bossche School missen. Je zou ze een verburgerlijkte variant van het denken van Van der Laan kunnen noemen, al is het wel opvallend dat ze vaak toch mooie verstilde interieurs opleveren.

Zo ook het huis van de Maria-vererende uitgever. Zijn collectie moet er mooi tot haar recht zijn gekomen, maar ook al concentreerde de uitgever zijn Maria-verzameling in latere jaren puur tot de periode van de gotiek, het huis werd te klein. De gedachte kwam op om in zijn ruime tuin een speciaal daarvoor ontworpen expositieruimte te bouwen: een waar Marianum waarin het leven van Moeder Maria inzichtelijk wordt gemaakt aan de hand van gotische beelden en voorwerpen.

Het liefst had de uitgever een bijgebouw gehad in de Bossche School. Zijn broer de architect moest het helaas laten afweten en schoof de opdracht door naar zijn zoon die, pas afgestudeerd, in 1998 met een vriend een architectenbureau was begonnen.

Zo kregen twee jonge architecten - Manou Huijbregts (1969) en Pelle Poiesz (1971) - een merkwaardige opgave. Ze zijn beiden opgeleid in Delft en hebben een achtergrond die nauwelijks te rijmen valt met het uiteindelijke resultaat. Huijbregts werkte nog dit jaar bij MVRDV en daarvoor bij Claus en Kaan; Poiesz was tot juli dit jaar nog werkzaam bij Van Sambeek en Van Veen architecten.

Zelf omschrijven Huijbregts en Poiesz hun eerste grote werk als 'een strijd met onze eigen achtergrond' en als 'een zoektocht naar de grenzen van ons ontwerpkader'. Dat is heel begrijpelijk. Tijdens hun scholing en hun eerdere werkzaamheden hebben ze geleerd dat gebouwen vooral aansprekende, eigentijdse en liefst vervoerende vormen moeten hebben. Met de opdracht voor het Marianum besloten beiden zich te verdiepen in het denken van Dom H. van der Laan en beseften al gauw dat het niet om de vormen zelf gaat, maar om de ruimtelijke beleving die de vormen oproepen. Getroffen ook werden ze door een specifieke uitspraak van Van der Laan: 'Ik wacht op dingen die helemaal niet meer lijken op wat ze nu Bossche School noemen. In principe is mijn theorie universeel toepasbaar, de beginselen zijn te algemeen om zich aan een bepaalde manier van bouwen te hechten. Ik ben benieuwd wat volgende generaties met hun eigentijdse opvattingen zullen maken met mijn theorie.'

Die uitdaging namen Huijbregts en Poiesz aan, wat aanvankelijk tot grote bezorgdheid leidde bij hun opdrachtgever, de uitgever in ruste. Zelfs moet deze bij het zien van de eerste ontwerpschetsen hebben uitgeroepen: 'Maar dat is helemaal geen Bossche School!' Een groter compliment hadden ze niet kunnen krijgen, al kostte het nogal wat overredingskracht hun zin door te zetten.

Gelukkig is hun ontwerp uitgevoerd. Want het resultaat is indrukwekkend. In een gebouwtje, dat op twee bouwlagen tweehonderd vierkante meter beslaat, is zuivere architectonische ruimte gerealiseerd die zich kan meten met het beste dat Dom H. van der Laan zelf gebouwd heeft. Het Marianum wordt alleen tot leven gewekt door het perfect gedoseerde licht dat behoedzaam langs de muren strijkt en die, met het uur anders, de ruimte doet zinderen, tintelen tot je er bijna zinsbegoochelingen van krijgt.

Het geheim van dergelijke pure architectuur werd al door Vitruvius in zijn tien boeken over architectuur onthuld: het gaat om een systeem van evenwichtige verhoudingen waaraan volgens hem de modulus, de grondmaat, ten grondslag moet liggen. Eeuwenlang heeft men zich afgevraagd hoe die grondmaat gevonden wordt, en Van der Laan wist het antwoord: het is de dikte van de muur. Door die als uitgangspunt te nemen, en alle ruimten aan de hand van die grondmaat te bepalen krijgt men evenwicht en harmonie. Van der Laans recept ging verder: hij gaf precies aan met welke sprongen die maten moesten worden gehanteerd (zijn 'Plastische Getal') opdat er voor het menselijk oog vriendelijke, vertrouwde ruimtes ontstaan.

Huijbregts en Poiesz hebben dat systeem goed bestudeerd, maar ze zijn gelukkig niet in de fout gegaan die zo velen maken: ze hebben de maten niet toegepast om mooie ruimten te krijgen. Nee, je moet eerst gevoelsmatig een ruimte scheppen die je vervolgens - dus later - gaat verfijnen door het 'in de maat te zetten'. Nooit en te nimmer mag je slaaf worden van een theorie.

Dat Huijbregts en Poiesz het echt hebben begrepen, is te zien aan hun lange, luie trap die naar het basement leidt. De betonnen treden raken noch de wand, noch de kolommen die de ruimte vorm geeft. Door de trap geheel los te houden kan het licht langs de wand en langs de kolommen blijven strijken. Het meeslepende beeld dat dit oplevert - daar zou je uren naar kunnen kijken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden