Houthi-strijders waken afgelopen vrijdag in Sanaa over de veiligheid van een betoging ter viering van het motto 'Dood aan Amerika en Israël'.

Reportage Oorlog in Jemen

Door de frontlijn naar Sanaa, de belegerde hoofdstad van Houthi-rebellen in Jemen

Houthi-strijders waken afgelopen vrijdag in Sanaa over de veiligheid van een betoging ter viering van het motto 'Dood aan Amerika en Israël'. Foto Reuters

Sinds de Houthi-rebellen de hoofdstad van Jemen drie jaar geleden innamen wordt Sanaa belegerd. Ana van Es rijdt er door de frontlijn heen. Tussen alle verval blijkt er nog een ministerie van Toerisme te zijn. En overal worden Amerika en Israël doodgewenst.

In het Oorlogsmuseum van Sanaa is Jemen altijd de winnaar. ‘Jemen is de begraafplaats van alle aanvallers’, zegt onderluitenant Nabil Saleh al Azab. Routineus leidt hij bezoekers door dit gebouw vol vaderlandsliefde, over de talloze oorlogen die Jemen heeft uitgevochten sinds de Steentijd. Kanonnen getrokken door kamelen. Eretekenen van de koningen van Mokka uit de tijd voor de islam. Maar ook een spandoek met wapenfeiten uit de oorlog van nu: 4.850 landgenoten gedood.

Dit aantal, dat trouwens te betwisten valt, is van drie jaar geleden. Voor het Oorlogsmuseum valt de laatste stand – er zijn veel meer doden – onmogelijk bij te houden. Het maakt de bezoekers niet uit. Al voor negen uur ’s ochtends stromen ze in rijen naar binnen.

Een familie uit het belegerde Hodeida volgt de rondleiding belangstellend. Nog maar twee weken geleden vluchtten ze uit angst voor luchtaanvallen. Nu zijn ze hier in het Oorlogsmuseum een dagje uit. Maar als je de oude Al Azab vraagt wat hij vindt van deze oorlog die vooral Jemenieten zelf bij duizenden naar hun graf draagt, ontglipt hem in zijn toonzaal vol propaganda een woord van kritiek. Misschien ook van verdriet. ‘Deze oorlog is niet nodig. Alles is verwoest.’

Helaas, kritiek op de oorlog ligt gevoelig. We moeten gaan, zegt een overheidsbegeleider. Naar de auto, nu. Het bezoek aan het Oorlogsmuseum is voorbij.

Houthi-strijders in Sanaa. Foto AFP

Vrachtwagens staan in de file op de frontlijnroute

Sanaa, de hoofdstad van Jemen, sinds 2015 in handen van Houthi-rebellen, wordt belegerd, maar geeft niet op. De anti-Houthi-coalitie onder leiding van Saoedi-Arabië voerde de afgelopen jaren veelvuldig luchtaanvallen uit op de stad, vaak met bommen uit westerse wapenfabrieken. Honderden burgers zijn bij de bombardementen gestorven. Het vliegveld van Sanaa is door de coalitie gesloten voor de burgerluchtvaart. Maar als het de bedoeling was de stad van de buitenwereld af te sluiten, is dat mislukt. Veel andere wegen leiden naar Sanaa.

De oorlog in Jemen is er één waar je in een auto door de frontlijn kunt rijden. Een paar kilometer verderop aan hetzelfde front wordt gevochten op leven en dood, maar meerdere wegen zijn geopend voor alle verkeer. Jemenieten steken de frontlijn over met een handigheid die routine verraadt. De strijd tussen de regering en de Houthi-rebellen is immers verweven met de ontstaansgeschiedenis van het huidige Jemen.

Houthi’s zien zichzelf als vertegenwoordigers van zayidimoslims, een sjiitische sekte die bijna alleen in Jemen bestaat en hier duizend jaar heerste, tot ze diep in de 20ste eeuw werden verslagen door de soennitische regering. Deze oorlog, nu drie jaar aan de gang, is bepaald niet de eerste in zijn soort. In de nog korte 21ste eeuw raakten de Houthi’s en de regering van Jemen al tien keer slaags.

Hoe kom je als journalist in Sanaa?

Het Houthi-rebellengebied in Jemen zit voor journalisten nagenoeg op slot. Hulpverleners en diplomaten arriveren in Sanaa met vliegtuigen van de Verenigde Naties en hulporganisaties als het Rode Kruis. Alleen zij mogen nog in de stad landen van de coalitie die tegen de Houthi’s strijdt. Commerciële vluchten zijn er niet.

De VN kondigden vorig jaar een ‘no journalists policy’ af op alle vluchten naar Jemen. Hulporganisaties volgen dit beleid. Het gerucht gaat dat de anti-Houthi-coalitie onder leiding van Saoedi-Arabië de VN hiertoe dwingt. Dit valt niet te controleren. Journalisten die in Jemen hun werk willen doen, worden als gevolg van het VN-beleid gedwongen tot het nemen van risico’s. 

Volkskrant-correspondent Ana van Es reisde per auto door de frontlijn van de zuidelijke havenstad Aden naar Sanaa, een gevaarlijke rit van tien uur heen en twaalf uur terug. Alle routes naar Sanaa voeren door tribale gebieden. Bij de talloze checkpoints, die soms door extremistische strijders worden bemand, loopt een buitenlander gevaar op arrestatie of ontvoering.

Om onderweg niet op te vallen, kleedde Van Es zich als Jemenitische vrouw: in een abaya, gezichtsbedekkende niqaab met een extra sluier en lange handschoenen. Voor de duur van de reis was ze echtgenote van haar chauffeur, iets dat met een huwelijkscontract bewezen kon worden. In conservatief Jemen is het vrijwel ondenkbaar dat een strijder bij een checkpoint een vrouw rechtstreeks aanspreekt. De redactie in Amsterdam en onze lokale contactpersoon in Aden hielden tijdens de hele reis contact.

Ana van Es. Foto Ana van Es

In Sanaa blijven de schappen gevuld

De frontlijnroutes, een poging om de oorlog werkbaar te houden, zijn niet zonder gevaar. Van de rebellenstad Sanaa naar Aden, tijdelijke hoofdstad van de internationaal erkende regering, is het zeker tien uur rijden, voor een groot deel over onverharde bergwegen. Om de paar minuten ontmoet je een checkpoint bemand door militiestrijders, met overal ondervragingen, kans op arrestaties en het gevaar dat naburige gevechten net even te dichtbij komen.

Toch wordt de weg volop benut. Bussen volgestouwd met passagiers pendelen heen en weer. Zodra het daglicht is verdwenen, beginnen de files: een eindeloze optocht van vrachtwagens, hoog opgeladen vanuit de haven van Aden, voortschuifelend over de onverharde bergwegen naar het noorden, om Sanaa te bevoorraden. In oostelijke richting loopt een levenslijn naar Sanaa vanuit Oman, via de stad Marib, rijk geworden door de frontlijnhandel in huishoudgas.

Dit arrangement is winst voor alle partijen. Regeringsgezinde strijders verdienen geld met het heffen van tol bij checkpoints. In Sanaa blijven de schappen gevuld, luchtblokkade of niet.

‘Het is een informele overeenkomst: die weg moet openblijven’, zegt Maeen Abdul Malik Saeed, minister van Openbare Werken en Snelwegen in de internationaal erkende regering. Het begaanbaar houden van de frontlijnroutes is zijn belangrijkste taak. Vanuit Aden overlegt hij erover met de vijand in Sanaa. Niet met de minister in het rebellenkabinet, dat is verboden. Wel met ambtenaren die de wegwerkers aansturen, zodat ook de Houthi’s onderhoud doen.

Minister Saed buigt zich voorover. ‘Je moet weten: álles komt door de frontlijn. In Marib hebben ze qat uit Taiz. Die qat herken ik, want ik kom uit Taiz. Ik vraag: hoe komt qat uit Taiz? Dat is over de frontlijn. Het is ver. Het is gevaarlijk. En toch heeft Marib elke dag verse qat uit Taiz. Eigenlijk gaat het eenvoudig. Op de weg heb je eerst een regeringscheckpoint en daarna een Houthi-checkpoint. Ze sluiten alleen bij hevige gevechten.’

Een gevlucht kind wordt gewogen in Hajjah ten noorden van Sanaa. Foto AFP

Hoe dichter bij de oorlog, hoe beter het wegdek

Precies zo blijkt het te zijn. Richting het front verschijnen eerst de wegwerkers van minister Saed. Hoe dichter je de oorlog nadert, hoe beter het wegdek is. Na uren zand en steenslag begint kort voor de oversteek glad asfalt. Het verschil tussen het laatste regeringscheckpoint en het eerste Houthi-checkpoint is in het voorbijgaan niet te zien. Beide keren is er een stellage midden op straat met de vlag van Jemen, daarnaast in lappen gehulde strijders met kalasjnikovs.

Waar ze bij andere checkpoints van alles willen weten, worden op deze gevaarlijke buitenposten geen vragen gesteld. De strijders begrijpen wat je komt doen: door de frontlijn rijden, vol gas door een paar kilometer niemandsland, en dan ben je in rebellengebied.

Na het eerste Houthi-checkpoint, verscholen in de bosjes bij een moskee, staat een auto met donker getinte ramen. Er zitten twee ambtenaren van de rebellenoverheid in. Op de achterbank zit ‘fixer en ook ambtenaar’ Mohammed, in een wit gewaad met een jambia, de traditionele dolk van mannen in Noord-Jemen. Voorin zit Fouaz, gekleed in het uniform van de eigentijdse Arabische inlichtingenman: sluipschoenen, een overhemd en een petje. Fouaz is ‘begeleider’ van het ministerie van Informatie. Van elke ontmoeting die ik in Sanaa heb, zal hij foto’s maken, ‘voor het dossier’. Bij elk gesprek schrijft hij mee in zijn notitieblok.

In het regeringsgebied van Jemen kunnen journalisten zich vrij bewegen, hier bepaalt de rebellenoverheid wie ik wel en niet mag ontmoeten. ‘Het is de wet’, zegt Mohammed. ‘Elke journalist moet een begeleider meehebben van het ministerie van Informatie. Hebben ze dat in Aden niet? Zie je nu wel dat daar geen echte regering zit!’

Mohammed reikt een hartvormige krans aan van witte bloemen. Het is een geschenk. De mannen lijken opgetogen. Het gebeurt zelden dat westerse journalisten Sanaa bereiken. ‘Vanaf nu zul je een ander Jemen zien’, zegt Mohammed. ‘Veilig. Aardige mensen. Heel anders dan aan de andere kant. Ik begrijp niet waarom ze dit aan de andere kant niet willen, en wij niet nog gewoon één land zijn.’

Een perfecte schijnwereld met slechts één smetje

In Sanaa kan ik slechts 36 uur blijven. Mijn visum van de Houthi’s arriveerde te laat. Het cruciale stempel van het bureau Nationale Veiligheid ontbrak steeds. ‘Hun hoofdkwartier is vorig jaar getroffen door een Saoedische luchtaanval’, aldus Mohammed, ‘en om veiligheidsredenen hebben ze nooit een nieuw hoofdkwartier opgezet en nu doen ze het meeste werk per telefoon.’ Die telefoon, zo wil hij zeggen, laat zich moeilijk vinden in het puin van deze stad.

Ondanks de oorlog is Sanaa schitterend gebleven, een stad als een oudtijds sprookje, hoog in de bergen, waar het op een nacht zonder luchtaanvallen zo stil is – het gejank van een hond, de gebedsoproep van een moskee – dat je kunt denken dat hier geen oorlog is. Maar op elk kruispunt staan bedelende vrouwen. Uit veel straten is een hap genomen: gebouwen die zijn weggevaagd door luchtaanvallen. Op de gebouwen die wel overeind staan, staan strijdkreten. ‘Nee tegen Amerikaans terrorisme’ is een van de vriendelijkste.

De laatste politieke moord dreunt nog na in Sanaa. Vanaf een dakterras hoog boven de Oude Stad, de middeleeuwse villaburcht gebouwd in de hoogtijdagen van de zayidi-islam, kun je de witte marmeren kolos in het zuiden niet missen: de Saleh-moskee, vernoemd naar oud-president Ali Abdallah Saleh, die Jemen smeedde tot wat het is. Hij was altijd tegen de Houthi’s, liet hun leider Hussein al Houthi doden, tot hij hen ineens aan de macht hielp. Eind vorig jaar is Saleh vermoord. Zijn naam is uit de stad verdwenen. De Saleh-moskee heet nu Shaab-moskee (Volksmoskee).

De rondleiding van Mohammed en Fouaz, de ambtenaren in dienst van de rebellen, begint in het hart van het menselijke drama dat Jemen is geworden: de afdeling Ernstige Acute Ondervoeding van het Zeventig Ziekenhuis, beter bekend als ‘de hongerzaal’. Hier belanden kinderen die ondervoed zijn, aan cholera lijden, of allebei. Zoals Basha, bol buikje, met haar vier maanden nog steeds op het gewicht van een pasgeboren baby: 2,4 kilo. Ze komt uit de provincie. Haar vader verkoopt qat. Haar moeder, gehuld in zwarte gewaden, lijkt ook vel over been. Geld voor de reis naar het ziekenhuis was er niet eerder.

‘Voor de moeders is het lastig om weg te gaan uit hun dorp, om de andere kinderen thuis achter te laten’, zegt dokter Hannah Abdelrahman. ‘Als ze te laat komen, sterven de kinderen op de eerste hulp.’ Abdelrahman, perfect Engels achter een zwarte niqaab, heeft zelf twee banen, ’s ochtends hier, ’s middags in een privékliniek, want in het ziekenhuis worden de salarissen al tijden hooguit eens per vier of vijf maanden betaald.

Een vrouw is met haar kind op weg naar een kliniek in Hajjah. Foto AFP

Het bezoek aan het ziekenhuis blijkt een zeldzame kans om gewone inwoners van Sanaa te spreken. Verder kom ik tijdens mijn 36 uur bijna alleen in contact met hoge officials in de Houthi-regering. Praten met een groepje jongeren uit Sanaa, via de lokale medewerker van het door Nederland gesteunde initiatief Yemen Youth Project, waarbij jonge mensen hun mening geven over alledaagse zaken? Onmogelijk, vertelt Mohammed. ‘Het ministerie van Informatie zei: geen sprake van.’

De sfeer wordt brisant als een kennis uit Nederland, werkzaam voor een medische ngo in Sanaa, nietsvermoedend de lobby van het hotel inloopt om gedag te zeggen. Fouaz verdwijnt om veel telefoontjes te plegen. Mohammed: ‘Het ministerie van Informatie wil controle over alles. Hij stond niet op het programma.’

Wat wel op het programma staat? Een interview met de minister van Toerisme. In Sanaa in oorlogstijd draait zijn ministerie op volle sterkte door. Terwijl naburige regeringsgebouwen zijn platgebombardeerd, worden in deze kamers met glas-in-lood en fleurige vakantieposters nog steeds promoties gemaakt, nieuwe medewerkers aangesteld, is onlangs zelfs een geheel nieuwe afdeling opgericht. Waar de artsen van Ernstige Acute Ondervoeding het meestal zonder salaris moeten stellen, krijgen de ambtenaren van Toerisme netjes hun loon.

Het is een perfecte schijnwereld, met slechts één smetje: toeristen komen allang niet meer naar Jemen. Wanneer de laatste is geweest? De minister, Nassir Mahfouz, heeft geen idee. ‘Jaren geleden.’ Waarom er dan nog een ministerie van Toerisme is? ‘Moeilijke vraag.’

De minister van Toerisme begrijpt dat toeristen Sanaa mijden nu er Saoedische bommen vallen. Maar dat ze helemaal wegblijven, vindt hij overdreven. Veel gebieden in Jemen zijn veilig voor vakantiegangers: de dam van Marib, de lemen wolkenkrabbers van Hadramaut, die de oudste wolkenkrabbers ter wereld zijn. ‘Je zou liegen als je zegt dat het daar onveilig is.’ In de massale toerismeboycot bespeurt hij de hand van Saoedi-Arabië.

Door een gewiekste zet is het geld op

Op straat lijkt Sanaa geplaagd door problemen van een andere orde. Het geld is op, door misschien wel de meest gewiekste zet van de regering in deze oorlog: de verhuizing van de Centrale Bank van Sanaa naar Aden. Met als doel het leegtrekken van de reserves van de Houthi’s.

In de droge taal van de statisticus die hij is, vertelt de assistent-minister van Financiën Ahmed Mohammed Najar over het lot van Jemen, al jaren het armste land op het Arabische schiereiland. Voor de oorlog leefde al bijna de helft van de bevolking onder de armoedegrens. Sindsdien is dat volgens Najar gestegen tot 85 procent. Oftewel: meer dan viervijfde van de inwoners in rebellengebied in Jemen verdient te weinig voor de allernoodzakelijkste levensbehoeften.

Met de verhuizing van de Centrale Bank naar Aden zijn de laatste reserves verdwenen. In Sanaa is nog geprobeerd eten op de bon te verstrekken. Dat mislukte, want er is geen geld om achteraf de winkeliers te betalen. Hoe houden de inwoners zich dan staande? Door autarkisch te leven. ‘Mensen verhuizen van de stad terug naar hun oorspronkelijke dorpen op het platteland, en gaan daar hun eigen eten verbouwen.’

In Sanaa blijkt de oorlog doorgedrongen tot in de Unesco-werelderfgoedsteegjes van de Oude Stad. Mohammed loodst me mee naar zo’n monumentaal huis, nu platgebombardeerd. Mohammed weet het zeker: ‘In dit huis woonden gewone mensen, onschuldige mensen.’

In Sanaa gaan de eindexamens door. Foto AFP

Loterij

Wie getroffen wordt door luchtaanvallen gericht tegen de rebellen, is in Jemen een loterij. In de Abu Bakr-school zit Houda Mohammed, 45 jaar, na te trillen op een matrasje. Ze is gevlucht uit Hodeida, net als de buren. ’s Ochtends zeiden ze elkaar gedag, daarna reden ze de stad uit: zij met haar gezin in het ene busje, de buren in een ander busje. De buren werden getroffen door een luchtaanval: twaalf mensen dood. Alleen de buurvrouw overleefde. ‘Pure pech.’

Maar in de Oude Stad lijkt niet alles gewoon of onschuldig. Een motorrijder komt langs, langzaam vanwege alle voetgangers, op zijn leren jack een geel-groen embleem dat sprekend lijkt op dat van de Libanese strijdersgroep Hezbollah. Een week eerder heeft Hezbollah openlijk steun betuigd aan de Houthi’s. Op de monumentale huizen springt de strijdkreet van de Houthi’s in het oog. Dreunende regels, aangebracht in verse spuitverf.

God is de grootste / Dood aan Amerika / Dood aan Israël / Vervloek de Joden / Overwinning aan Islam.

Overal in rebellengebied zie je deze slogan. Bij checkpoints, snelwegviaducten, overheidsgebouwen en drie keer naast elkaar bij de ingang van het Oorlogsmuseum. In de Oude Stad staat de slogan ook overal op gewone huizen. Vijf keer over enkele tientallen meters in het steegje bij de wereldberoemde Fulayhi-moskee. Hoe moeten Saoedische piloten begrijpen dat hun bommen onschuldige gezinnen kunnen doden, als dit op woningen staat gekalkt? Wat zegt deze strijdkreet over de Houthi-beweging?

De kans om het te vragen komt als de minister van Toerisme opnieuw wil afspreken. Hij heeft een avondje bij hem thuis belegd met andere kopstukken in de rebellenoverheid. In een bescheiden flatje in het centrum zendt het pro-Hezbollah-kanaal Al Mayadeen oorlogsbeelden uit. Her en der staan plastic emmers, om qatbladeren in uit te spugen. Op ligkussens schuiven aan een belangrijke sjeik uit Hodeida en de schaduw-gouverneur van het eiland Socotra, die zoals bijna elke regeringsmedewerker zegt dat hij geregeld overlegt met zijn collega aan de andere kant van het front.

En er is, biddend op een kleedje onder de televisie, een man genaamd Obeid Salem Bin Dubay’. In Sanaa beweegt hij zich in de hoogste kringen van de macht. Bin Dubay’ werkt sinds 1990 voor het bureau van de president. Hij diende onder ‘martelaar oud-president’ Saleh. ‘Hij was nooit tegen de Houthi’s.’ Later onder de huidige president Hadi. ‘Altijd aan het aarzelen. Nam nooit beslissingen. Hij lijkt niets veranderd.’

Bin Dubay’ is geen Houthi, zegt hij zelf. Maar zijn kinderen wonen in de regeringshoofdstad Aden en die kan hij niet bezoeken. Niet vanwege de route, ‘natuurlijk is de weg door de frontlijn open’, maar omdat hij bij de regeringscheckpoints geregistreerd staat als Houthi. Een hoge. Misschien kan hij uitleggen hoe het zit met die spreuk?

‘Dat is maar een slogan’, wuift hij weg. ‘Politiek.’ Maar wel één met een kern van waarheid. ‘Amerika en Israël proberen een nieuw Midden-Oosten te creëren. Kijk naar Libië, Syrië, Tunesië, Irak en ook Jemen. Ze zijn tegen de islam.’ Dat er geen vrede in Jemen komt, is volgens hem te wijten aan de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, landen die wapens leveren aan Saoedi-Arabië en de Emiraten. ‘Ze verdienen veel geld aan deze oorlog. En ze schieten alle vredesvoorstellen af. Binnen de VN maken ze de dienst uit.’

De minister van Toerisme heeft een grapje in petto over de VN. Een heel goede grap, vindt Mohammed. Om precies te zijn over Martin Griffiths, de VN-onderhandelaar die uit alle macht werkt aan een vredesakkoord voor Jemen. Die zegt dat alle partijen in Jemen graag vrede willen en de Houthi’s in het bijzonder. Alsof iemand in Sanaa zo’n man van de VN serieus neemt. Nee, het is de minister van Toerisme allang duidelijk: Martin Griffiths bezoekt Jemen met een andere agenda. ‘Hij is de laatste toerist in Jemen.’

Aan het front bij ‘onze mannen’ in het door oorlog verscheurde Jemen

De frontlijn van de oorlog in Jemen, waar volgens de VN de ergste humanitaire ramp ter wereld plaatsvindt, blijft doorgaans uit het zicht. Ana van Es rijdt op de bijrijdersstoel naar de strijders wier kant ook Nederland nadrukkelijk kiest. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.