REPORTAGE

'Door Assad werden we beter behandeld'

Volkskrant-correspondent Jan Hunin gaat undercover bij Syrische vluchtelingen in Hongarije. Hij ervaart aan den lijve de erbarmelijke toestanden in een opvangkamp.

Het opvangkamp in het Hongaarse Röszke.Beeld Jan Hunin

Dinsdag

'Dat ziet er heel slecht uit.' Ghattas Kabbash uit Syrië schijnt met zijn zaklamp in een tent. Hij is op zoek naar een geschikte slaapplaats voor zijn familie. Nee, dat gaat niet gemakkelijk worden. De bedden zien er smerig uit, overal slingert afval rond. Het is zoeken naar matrassen en dekens. Ghattas kan zijn ontgoocheling moeilijk verbergen.

Maar beter een smerige tent dan geen tent, zoals de vluchtelingen kunnen vaststellen die zich, gewikkeld in een vieze deken, onder de blote hemel te slapen leggen.

Een weg terug is er niet. Het vluchtelingenkamp in de Hongaarse plaats Röszke is volledig afgesloten. Aan de andere kant van de afrastering heeft de politie de wacht opgetrokken. Ontsnappen is onmogelijk.

Er zit dan niets anders op dan er het beste van te maken. Ghattas steekt zijn handen in plastic zakken en begint samen met zijn zwager Mohamed en Abu Alhaijaa, een verre neef, de grond schoon te schrapen. Hij kan zijn vrouw Fadwa toch niet in de smurrie laten slapen. Nu ja, slapen. Zelfs in de tent, met kleren en schoenen aan, is de kou niet te harden. De matras voelt klam aan. Het gaat een heel lange nacht worden.

En de avond was zo mooi begonnen. Een paar uur eerder waren Ghattas en zijn familie zonder problemen de Hongaarse grens overgestoken. De politie probeerde hen niet eens te arresteren. Bij een benzinestation langs de autosnelweg waren ze op zoek gegaan naar een manier om zo snel mogelijk in Boedapest te geraken.

Geld is geen probleem. 'In Turkije hebben we duizenden euro's betaald voor een boot', vertelt Abu, 'dan zullen die paar honderd euro's voor een taxi er ook wel vanaf kunnen.' Het krioelt er van de Hongaren die iets willen bijverdienen.

Één ding weten Ghattas en zijn landgenoten wel zeker. Een opvangcentrum willen ze tegen elke prijs vermijden; ze willen niet dat hun vingerafdruk genomen wordt. Het mag dan wel niet veel meer uitmaken, ze hebben gehoord dat ze sowieso naar Duitsland mogen, maar ze willen liever geen risico lopen. 'U moet ons begrijpen', vertelt Ghattas, 'zo dicht bij ons doel willen we niet stranden.' Met zijn 41 jaar is hij een van de oudste vluchtelingen in de groep. Het linkerglas van zijn brilletje is gebroken.

Een politieman (met mondkapje) probeert hen gerust te stellen. 'Het is koud en gevaarlijk hier. Jullie kunnen beter naar het opvangcentrum gaan. Daar wachten jullie een bed en eten en drinken. Morgen brengen we jullie naar Boedapest.' En ze hoeven geen vingerafdruk te geven.

Maar de Syriërs vertrouwen het niet. Ze besluiten te voet richting Szeged te gaan. Daar kunnen ze de trein naar Boedapest nemen. 'Het gaat niet om de vingerafdrukken', legt een jonge vrouw uit. 'Het gaat om het kamp. We willen niet in een smerig kamp zitten.' Achter hen zijn twee politiemannen verschenen, die de groep in een bus richting opvangcentrum zetten.

Lang duurt de rit niet. Een paar minuten later worden Ghattas en zijn vrienden afgezet bij een detentiecentrum niet ver van het benzinestation waar ze vertrokken zijn. Achter een afrastering is een tentenkamp te zien. Het doet dienst als tijdelijk opvangcentrum; de afgelopen dagen zijn zesduizend vluchtelingen per etmaal de grens overgestoken. Dat zijn er meer dan het opvangcentrum een paar kilometer verderop kan slikken.

Voor de ingang zitten honderden vluchtelingen, vooral Syriërs en Afghanen. Bussen rijden af en aan. Er worden dekens uitgedeeld, maar lang niet genoeg voor iedereen. De vluchtelingen kruipen dicht tegen elkaar aan. 'Hoe zeg ik 'het is koud' in het Engels?', vraagt een jongetje aan zijn moeder. Wie daar behoefte aan heeft, mag onder begeleiding naar het toilet. Hoe lang moeten ze hier nog blijven zitten? Het is al na middernacht.

Ghattas probeert het positief in te zien: 'Volgens mij en volgens velen van ons ziet de Europese Unie ons graag komen. Klopt dat? Jullie kampen toch met bevolkingsdaling?'

Woensdag

Het is acht uur 's morgens en Abu, die samen met zijn vrouw en 3-jarig dochtertje op de vlucht is, zou wel een kop koffie lusten; net als de anderen heeft hij geen oog dichtgedaan. Maar er is niet eens elektriciteit in het kamp, laat staan een waterkoker. Ook de sanitaire voorzieningen laten het afweten. De mobiele toiletten zijn niet om aan te zien en zelfs handen wassen zit er niet in: uit de plastic wasbakken die hier en daar zijn neergezet komt allang geen water meer.

Veel te eten valt er ook al niet. Bij hun aankomst gisteravond laat werden hier en daar boterhammen uitgedeeld, maar vandaag is het armoe troef. Ghattas en zijn vrienden moeten het stellen met de restjes die ze in hun rugzak hebben.

De verontwaardiging is groot. Een Syriër die in Londen studeerde legt uit dat de meeste van zijn landgenoten niet arm zijn. 'Wie geen geld heeft, kan zich zo'n reis niet permitteren. En zie ons hier nu zitten.'

Maar er is hoop. De politie heeft beloofd dat diegenen die dinsdag gearriveerd zijn, mogen vertrekken. Iedereen begeeft zich naar de uitgang, ook Ghattas en zijn vrouw. Met een tas waarop in grote letters 'paranoia' staat, baant hij zich een weg naar de omheining. Maar het is vergeefs. Slechts een beperkt aantal vluchtelingen mag het kamp verlaten.

Om het leed te verzachten gooit de politie flesjes water het kamp in. Even later vliegt de lunch van de vluchtelingen door de lucht: in elk zakje zit een droog broodje en een kuipje kippenpastei. Wie lange armen heeft, mag zich gelukkig prijzen.

Nee, het is geen fraai beeld dat de vluchtelingen bij hun aankomst in de Europese Unie te zien krijgen. Niemand waagt zich in het kamp. De vluchtelingen mochten eens besmet zijn. Alleen met monddoekjes en handschoenen aan durft de politie in hun buurt te komen. Hulpverleners zijn nergens te bespeuren.

'In Turkije werden we beter behandeld', zegt Ghattas. 'Toen we zes dagen lang in een bos op een boot zaten te wachten, brachten de dorpelingen ons cola en kip.'

De Syriër Ghattas Kabbash en zijn vrouw Fadwa, met 'paranoia'-tas. 'Zo dicht bij ons doel willen we niet stranden.'Beeld Jan Hunin

Ghattas komt uit Homs, een van de zwaarst getroffen steden van Syrië. Hij gaf er als ingenieur les aan de plaatselijke universiteit, tot de oorlog hem naar Libanon deed uitwijken. In tweeënhalf jaar is hij niet meer in zijn geboortestad geweest. Hij weet niet eens of zijn flat nog overeind staat.

De hoop om naar Homs terug te keren is ondertussen vervlogen. 'De goede mensen die tegen de regering vochten zijn dood of gevlucht. Niemand geeft er om de bevolking.' Ghattas zocht en vond werk in een van de Golfstaten. Maar hij kreeg geen visum. Er zat niets anders op dan naar Europa te vertrekken.

Bij de ingang is de spanning ondertussen opgelopen. De zon brandt en de vluchtelingen beginnen genoeg te krijgen van het eindeloze wachten. 'I want go', wordt er geroepen. Een vertegenwoordigster van de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties probeert de vluchtelingen moed in te spreken: 'Nog een week en jullie nachtmerrie is voorbij.' Maar haar troostende woorden helpen weinig. Een aantal vluchtelingen begint aan de afrastering te trekken. De politie dreigt geweld te gebruiken. Een oudere man probeert de gemoederen te kalmeren. 'Je gedraagt je als een vrouw', roept hij tegen de grootste schreeuwer.

Ghattas kan het niet langer aanzien. 'Laat mij het uitleggen', zegt hij. Hij baant zich een weg naar voren en steekt zijn arm op. Maar niemand luistert. 'Freedom, freedom', scandeert de menigte achter hem. Ghatttas moet het opgeven.

Vanachter de afrastering wordt opnieuw met eten gegooid. 'Mèèè, mèèè', doet een jongen, terwijl de droge broodjes met pastei door de lucht vliegen. 'Alsof we in de dierentuin zitten, vind je niet?'

Het is ondertussen duidelijk dat de beloofde bussen vandaag niet komen. Er zit niets anders op dan je voor te bereiden op een volgende nacht. Ghattas blijft er rustig onder. 'In het Arabisch zeggen we: 'Wat Allah geschreven heeft, zal geschieden.' We hebben een vrije wil, maar ons lot kunnen we niet veranderen.'

Donderdag

De dekens zijn nog altijd even smerig als de eerste nacht, maar de mens is een wezen dat zich snel aanpast. Bijna iedereen in de tent van Ghattas heeft goed geslapen. Het kan ook aan het weer liggen. Er hangt regen in de lucht, het is minder koud geweest.

Het ongenoegen in het kamp is er niet minder om. 'We want go, we want go', wordt er voor de ingang geroepen. 'Als we vandaag niet vertrekken, steken we de boel in brand', zegt een Syrisch meisje. 'Door Assad werden we beter behandeld.'

Het lijkt resultaat te hebben. De politie laat weten dat het kamp vandaag wordt ontruimd. Er mag alleen niet geduwd worden, maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Iedereen wil zo snel mogelijk weg. 'Twee rijen, twee, waarom verstaan jullie dat niet?', schreeuwt een in gevechtskledij gestoken politieman. Hij ziet wit van woede. 'Because animals', antwoordt een vrouw.

Na negen uur wachten is het eindelijk zover. De ene na de andere bus arriveert. Langzaam maar zeker stroomt het kamp leeg. Ghattas loopt als een van de laatsten met zijn vrouw en zwager het kamp uit.

In de bus probeert de chauffeur een gesprek aan te knopen met de vluchtelingen. 'Sprechen Sie Deutsch?', vraagt hij. Niemand antwoordt. 'Jullie spreken geen Duits en jullie willen naar Duitsland?' Hij zegt waar ze naartoe gaan, maar niemand heeft het begrepen. Het klonk als 'bongiorno', zegt een van de vluchtelingen.

Bongiorno blijkt Tatabanya te zijn, een stad ten westen van Boedapest. Vlak bij een Burger King rijdt de bus een opvangcentrum binnen. Twee Hongaren van Algerijnse afkomst stellen de vluchtelingen gerust. Er gaan vingerafdrukken genomen worden, maar ze hoeven zich geen zorgen te maken. Morgen mogen ze naar Oostenrijk. Het lijkt niemand nog wat te kunnen schelen. Alles is beter dan het kamp.

Beeld Jan Hunin
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden