Doodsdrift

De brief en het dagboek, voorbodes van de roman, hebben het loodje gelegd, als kanaries in een mijn.
Tommy Wieringa, auteur van het boekenweekgeschenk, taxeert de overlevingskansen van het genre dat hem zo lief is.

Wie niet alleen romans wil schrijven maar ook eens iets over de roman wil zeggen, ontkomt er nauwelijks aan om hem te moeten verdedigen. Een vervelende reflex, maar hoe vaak hoorde je niet dat de roman zijn functie verloor en dat hij, als hij nog wat wil, moet voldoen aan de onredelijke eisen van straatrumoer en engagement? Dat hij modern moet zijn en iets over zijn tijd moet zeggen? Kan hij dat niet, dan is zijn tijd geweest. Talloze treurmarsen zijn er al voor hem gespeeld. Andere disciplines zijn hiervan gevrijwaard. Over de dood van het sonnet of de zwanenzang van de opera hoor je nooit iets, het is altijd weer de roman die met een zekere ondergangswellust ten grave wordt gedragen. Ook oude mannen die in de literaire bijlagen kankeren dat er 'sinds Kafka geen grote schrijvers meer zijn bijgekomen', zijn necrologieënschrijvers.


De roman is 'de meest Europese kunst' volgens Milan Kundera en misschien wel de belangrijkste drager van onze beschaving, maar een beschaving behept met een immanente doodsdrift - die Europese ziekte. De ondergang van het avondland is al ontelbare malen voorspeld door heethoofden met een gistende behoefte om de wereld om te toveren tot een brandend bordeel. Het Futuristisch Manifest dient als eeuwig model. 'Wij verklaren dat de grootsheid van de wereld verrijkt is met een nieuwe schoonheid', schreef Marinetti, 'die van de snelheid. Een race-auto, zijn motorkap versierd met dikke buizen als slangen met explosieve adem... een ronkende auto die als hij rijdt op een mitrailleur lijkt, is mooier dan de Nikè van Samotrake.'


Ook Kavafis, een Alexandrijn net als Marinetti, schreef over het zelfdestructieve verlangen naar een beeldenstorm, naar barbaren die 'niet van welsprekendheid en mooie redes houden' en de traditie vernietigen om er hun barbaarse praktijken voor in de plaats te stellen. Maar de barbaren komen niet opdagen aan het einde van dat grote gedicht, geschreven door een homoseksuele estheet in de Griekse diaspora van Alexandrië, en het volk bij de stadsmuur gaat teleurgesteld naar huis, 'want die mensen waren tenminste een uitweg'.


Dat is het barbaarse verlangen, de gedachte dat de vernietiging van oude vormen automatisch nieuwe vormen tevoorschijn brengt, of, anders gezegd: dat de toekomst begint met een gewelddaad.


Daar ergens bevindt zich nu de roman: tussen het gekanker van oude mannen en de bloeddorst van jonge mannen in.


Ik wil proberen om me voor deze gelegenheid een wereld voor te stellen zonder die goede, oude roman die me al bijna mijn hele leven begeleidt. Het is niet moeilijk, je hoeft maar aan het culturele leven van Egypte, Tunesië of Marokko te denken en je weet precies hoe een wereld zonder de roman eruitziet. Maar ook hier zijn dingen zichtbaar waarin je voortekenen zou kunnen zien. Ik praat soms over literatuur op scholen, ik hoor dingen. Ze schrijven elkaar geen brieven meer. Ik herinner me de eerste keer dat ik dit hoorde, de schok: De brief speelt geen rol in ons leven. En de liefdesbrief dan, vraag ik, hoe zeg je dan de dingen die alleen de liefdesbrief kan zeggen? Het papier, de envelop, de postzegel? Het zeventien keer verworpen en dan toch opgeschreven 'liefs'? De liefdesbrief, de eerste metafoor! Je navel een ronde beker, die geen drank ontbreekt, je buik een hoop tarwe, rondom bezet met leliën, en je borsten, ach je borsten, twee welpen, tweelingen van een ree...


Verbaasd keek je ernaar: was haar navel zojuist echt veranderd in een beker? Haar borsten in reeën? En waarom beviel je dat zo goed?


Ze halen hun schouders op - geen liefdesbrieven, meneer. Ze sturen elkaar symbolen en afkortingen. Ze leven in de wereld van het pictogram.


En het dagboek?, wil ik weten. Een heel enkele keer steekt er een meisje haar hand op. Ik heb haar onmiddellijk lief, het meisje dat nog met één teen leeft in de wereld waarin ik geboren ben, de wereld van pen en papier en de inspanning om het leven te herscheppen in woorden. 'En ook om het zwarte gekrioel te bezweren dat de overhand dreigt te krijgen', zoals W.G. Sebald schrijft, 'teneinde een enigszins bruikbare persoonlijkheid in stand te houden.'


De brief, het dagboek, die voorbodes van de roman, de verkenners: kanaries in de mijn.


Het is vlug gegaan. Ik sta voor de leerlingen als een boodschapper uit een verloren wereld. Verbaasd, met een spoor van droefheid. De droefheid van Joseph Roth toen hij zijn geliefde monarchie, gekapseisd en gezonken, nog eenmaal tot leven wekte in Radetzkymars. De roman die de tijd stilzet en er zijn inzicht en wijsheid aan toevoegt. De stok in het raderwerk van de tijd, het verleden nog eenmaal laten oplichten, kort, schitterend, waarna alles ijzerenheinig zijn loop herneemt. De vooruitgang is onsentimenteel, de tijd zelf heeft haast. Misschien heeft de eeuwige Futurist gelijk en is de roman gewoonweg te traag voor deze tijd.


James Salter wijdt in Alles wat is een alinea aan de teloorgang van de roman. 'De kracht van de roman in de nationale cultuur was verzwakt. Dat was geleidelijk gegaan. Het was iets dat iedereen erkende en negeerde. Alles ging precies zoals altijd. Dat was het mooie ervan. De glorie was verbleekt, maar er doemden steeds weer nieuwe gezichten op die er deel van wilden uitmaken, die in de uitgeverij wilden werken, waar nog steeds iets elegants van uitging, als van de prachtig gepoetste schoenen van een failliete man.'


Maar hoe verzwakter het genre, hoe hartstochtelijker we verlangen naar de uitzondering, de exceptionele roman die alles goed zal maken. De grote roman die ons het leven in al zijn verschrikkelijke schoonheid zal laten zien en ons de mens toont in al zijn gedaanten tussen engel en duivel. Achter de horizon zijn de schrijvers aan het werk. Ze schrijven aan de uitzondering die de verovering van het bestaan voortzet (dixit Kundera) en het gepantserde hart van de mensen zal openbreken en vervoeren. Het werk gaat altijd door. Een heel enkele keer lukt het. Alle andere keren niet. In de literatuur moet veel volume worden geproduceerd om één enkel wonder mogelijk te maken. Het vraagt een groot leger om één Napoleon voort te brengen.


Het grote geluk is: het is niet moeilijk om te beginnen, iedereen kan meedoen. Een pen, een stuk papier, de hand die schrijft. Je hoeft er geen notenschrift voor te kennen of lichamelijke oefening voor te doen. Investeringen zijn niet nodig, je hoeft niet eens met het energienet verbonden te zijn. Een geweldig materieel voordeel. De afstand tussen het individu en de uitwendige verkenning van zijn inwendige wereld is minimaal. Daarom dat de literatuur zich zo goed leent voor subversiviteit en het ondergrondse. Een stimulerende gedachte. Er zijn er meer, merk ik.


Mijn eigen schrijven verliep van een potlood naar een balpen en uiteindelijk een vulpen. De volgende stap was een blauwe typemachine van het merk Brother die van mijn ouders was geweest, met een uitgedroogd lint. Bijna doorschijnend verschenen de letters op papier. Daarna werkte ik afwisselend op een computer en met een vulpen. Drie romans schreef ik met een Waterman-vulpen, met één en hetzelfde kroontje. Toen ik ermee naar de winkel ging omdat ze niet goed meer schreef, zei de verkoopster dat de punt volledig was weggesleten. Het vermoedelijke einde zal zijn zoals het begon: het potlood, duurzaam en vloeiend. De verrukkelijke geur van het slijpsel brengt me terug naar de oudste tekens: de overgetrokken handen, ruimteschepen en paddestoelen; iedereen zijn eigen Lascaux aan de binnenkant van zijn hoofd.


Niet alleen het schrijven maar ook het lezen van romans behoort tot het terrein van de geestelijke duursport. Er is geen andere kunstvorm die meer van het uithoudingsvermogen vergt. Dat is zijn kracht, die hem ook kwetsbaar maakt. De roman bestaat bij de gratie van de lezer die zich wil inspannen om hem te doorgronden. Mogelijk dat er minder en minder mensen te vinden zijn die zich die moeite willen getroosten, geprikkeld als ze worden door de tienduizend dingen. Je ziet het voor je, hoe het einde van de roman niet de brandstapel is, maar een stilletjes wegglijden uit de tijd. Ik denk aan de laatste lezer die de roman in al zijn wijsheid en reikwijdte kan omvatten, hoe hij in slaap sukkelt in zijn stoel en hoe het boek van zijn schoot op de grond glijdt en niet meer wordt opgeraapt. Zo sterft de roman, zoals een oude god sterft wanneer de laatste gelovige ophoudt aan hem te denken.


Zo verdwijnt ook een bepaald soort gevoeligheid - voor stijl en syntaxis, voor menselijke verhoudingen en de raadsels van de ziel, dingen die alleen de roman in die mate kan bezitten vanwege zijn duur en zijn diepte, eigenschappen die alleen hij zo gul te bieden heeft. De sensibiliteit van Roth, Sebald en Salter, met hun zintuigen van hazen en reeën...


Maar misschien brengen inmiddels ook televisieseries de duurzame identificatie tot stand die voorheen alleen aan de roman voorbehouden was - de series van nu zijn intelligente, rijkgelaagde vertellingen die de altijd hongerende geest voeden, want 'de picturale behoeften van de psyche' zijn onstilbaar, zoals George Steiner schreef. In NRC Handelsblad zei een kijker: 'Ik ben eigenlijk meer een lezer dan een seriekijker. Maar ik begrijp wel dat mensen tegenwoordig meer series kijken in plaats van een boek te lezen. Het is een vorm van escapisme. Bij Dead Wood word je bijvoorbeeld helemaal in een andere wereld gezogen. Dan zit je ineens ergens in Amerika in het wilde westen van de negentiende eeuw. Dat is fijn. Je overstijgt even je eigen kleine wereld en komt terecht in een heel ander, fantastisch universum.' Let op dat hier een visuele ervaring wordt beschreven en geen psychodrug. In dezelfde bewoordingen beschrijven mensen vaak hun eerste leeservaringen.


De roman die zo-even op de grond gleed en niet meer werd opgeraapt, verscheen voor het eerst in 1851, en al meer dan honderdvijftig jaar stijgt er het machtige vloeken en tieren uit op van een kapitein die de wereldzeeën bevaart. De tijden zijn veranderd, alleen Japanners doden nog walvis, maar al die tijd jaagt Ahab achter zijn witte walvis aan en als wij over zijn destructieve obsessie lezen, is het of we door een frisgewassen raam naar buiten kijken, in de betoverde tuin van de literatuur waar een eeuw maar een dag lijkt. Daarin schuilt de overlevingskunst van de roman. Ook zonder groot publiek. Hij zal het schouderophalen en het geeuwen overleven, al die kwetsende uitbeeldingen van desinteresse en anti-intellectuele Schadenfreude, onaangedaan als mos dat honderden jaren overleeft onder gletsjerijs.


De grote roman staat midden in zijn tijd, maar lijkt buiten tijd en ruimte geschreven te zijn. En omdat hij zijn wereld afbeeldt in letters en niet in pixels, maakt hij kans op de eeuwigheid. Die kans bestaat omdat hij iets fundamenteel anders aanraakt dan de disciplines van het beeld. Hij vraagt een andere, grotere inzet van de verbeelding, die oneindige krachtbron die zich voedt met het halffabrikaat van woorden en zinnen, en er dan zijn eigen geuren en kleuren aan toevoegt, zijn eigen ervaring en zijn eigen gevoeligheid - en komt zo tot een diepe, betekenisvolle ervaring.


De duurzame identificatie van de lezer met de lotgevallen van Ishmael, Queequeg en Ahab maakt dat zij even reëel worden als historische figuren; zij hebben net zo goed bestaan als Billy the Kid, Haile Selassie en Baldur von Schirach. Dat is de indringende kennismaking die de roman aanbiedt, de opdracht om kennis te nemen van het leven van de ander en zich ermee te verbinden, dat humanistische grondbeginsel. Toen ik 17 was las ik de romans van James Baldwin, over interraciale, homoseksuele liefde in een metropool aan de overkant van de oceaan - verder en vreemder kon zo'n leven niet zijn voor een Twentse provinciaal, maar ik had álles gezien en gevoeld.


De roman vervlecht de zenuwstelsels van droom en werkelijkheid tot het onderscheid verdwenen is. Zo ver gaat soms de identificatie dat ik een levendige jeugdherinnering bezit aan een vriend die een stuk uit het oor van een valse hond beet - maar toen ik me probeerde te herinneren wie dat ook alweer was, realiseerde ik me dat het Garp was die dat had gedaan.


Andere wereld, vriend.


De literatuur doet dat.


De roman spint ons met duizenden draden in in andere werelden, andere tijden, andere gedachten en andere daden, en verandert door al die ontmoetingen de wereld in en om ons heen, net zo lang tot we zowel Zhuang Zhou zijn die droomt dat hij een vlinder is, als de vlinder die droomt dat hij Zhuang Zhou is.


WIE IS TOMMY

Tommy Wieringa (Goor, 1967) verwierf in 2005 in één klap de sterrenstatus met Joe Speedboot, een wervelende bildungsroman waarvan 350 duizend exemplaren werden verkocht. Kenmerkend voor Wieringa's proza, ook in zijn essays en reisnotities, is de combinatie van filosofische diepgang met stilistische brille. Zijn jongste roman, Dit zijn de namen (2012), is bekroond met de Libris Literatuurprijs en de lezersprijs van de Gouden Boekenuil. Voor de Boekenweek 2014 schreef hij het geschenkboekje Een mooie jonge vrouw.


Recensie: pagina 57


GESPREK IN DE RODE HOED

Morgen gaat Volkskrant-criticus Arjan Peters in gesprek met Tommy Wieringa, auteur van het boekenweekgeschenk, getiteld Een mooie jonge vrouw. Met een column van Suzanne Holtzer en een muzikale bijdrage van Lucky Fonz III.


Zondag 2 maart, aanvang 20.30 uur


Toegang euro 7,50, euro 6,50 (korting)


De Rode Hoed, Keizersgracht 102, Amsterdam; 020-6385606; rodehoed.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden