Reportage Aardbeving in Lombok

Doodsbange bewoners, verweesde toeristen, ingestorte moskeeën met wie weet hoeveel doden onder het puin: Lombok is totaal ontwricht

Een verwoeste moskee in Noord-Lombok. Beeld AP Photo/Tatan Syuflana

De aardbeving heeft weinig van Lombok heel gelaten. Niemand durft meer binnenshuis te slapen, een instortend dak kan je eind betekenen. Toeristen proberen weg te komen, maar hun evacuatie blijkt niet georganiseerd.

Schade is er niet zo gauw te zien. Alleen gesloten luiken, die vallen steeds meer op. Geen warung, geen minimarkt, geen café is er meer open. Ampenan is op slot, al duurt het even voordat je dat in de gaten krijgt. Het valt eigenlijk pas echt op als er tussen alle hermetische stalen luiken ineens een winkel wél open is. In die winkel is het een zooitje: flessen, potjes en pakken zijn uit de rekken gevallen en liggen door elkaar op de grond, een fles siroop is tussen de rommel in duizend stukken gespat en nu is de hele vloer een kleffe groene plakboel.

Niemand zegt er iets van, want iedereen heeft het te druk met hamsteren. En iedereen weet dat de kruidenier niks aan die rommel kan doen. Het was de aardbeving. Die aardbeving maakt ook dat je voordat je naar binnen stapt eerst naar het plafond en de muren kijkt. Zijn er plafondplaten naar beneden gestort? Zitten er scheuren in het pand? Hoe dik zijn de pilaren? Iedereen doet het, want niemand wil dood.

Ravage in Noord-Lombok. Beeld AP Photo/Tatan Syuflana

Kamperen onder tentzeil

Er zijn wat daken ingezakt, veel dakpannen naar beneden gekletterd. Verder zien de huizen er in Ampenan nog redelijk uit, maar dat zeggen alleen mensen die geen verstand hebben van aardbevingen. De mensen die net twee schokken hebben overleefd weten wel beter: een gescheurde muur kan je dood betekenen. Daarom hebben ze hun winkels en huizen op slot gedaan en zijn ze vertrokken naar veiliger streken. De achterblijvers kamperen onder een tentzeil in het open veld of in de schaduw van een boom, omdat je daar niks op je hoofd kunt krijgen. Niemand is meer binnenshuis.

De weg naar het noorden van Lombok leidt rechtstreeks naar het zwaartepunt van de aardbeving. Voorbij Ampenan wordt de verwoesting meteen zichtbaarder. Het dak van een psychiatrisch ziekenhuis is volledig ingestort, een moskee is zijn minaretten kwijt, en een overheidsgebouwtje staat helemaal scheef achterovergezakt alsof het met zijn voeten in drijfzand terecht is gekomen. Het zijn altijd de overheidsgebouwen die het eerst omvallen.

Omgevallen als sneden brood

In Senggigi is nauwelijks meer een gebouw gespaard gebleven. Brokken steen zijn van gevels afgevallen, muren die er sterk uitzagen zijn gescheurd en omgevallen als sneden brood. Plafonds en daken liggen op de grond. Twee Spaanse toeristen lopen verweesd rond. ‘We hebben geboekt’, mompelt er een en wijst naar een van de vele gesloten resorts. Dan pakken ze hun rolkoffers en lopen verder. Er moet toch iets open zijn? Maar dat is er niet.

De enige toeristen die in Senggigi zijn, zijn toeristen die weg willen. Ze staan aan de kant van de weg en proberen taxi’s, personenauto’s, bussen, busjes en zelfs vrachtauto’s te vinden om hen naar het vliegveld te brengen. Het hele openbaar vervoer ligt plat. Bussen staan verlaten op parkeerplaatsen omdat de chauffeurs zijn vertrokken. Zij zijn op zoek gegaan naar verdwenen familieleden of het binnenland in gevlucht, waar ze niet bang hoeven te zijn voor naschokken of tsunamis. Alleen ambulances met sirene lijken vandaag nog te rijden.

De hel van Pamenang

Voorbij Senggigi begint de hel. Die hel heet Pamenang. De huizen zijn daar niet alleen door elkaar geschud maar ook nog eens met de vlakke hand platgeslagen. Pamenang is de toegangspoort naar de Gili Eilanden, die wereldberoemde paradijsjes voor rugzaktoeristen en snorkelende families. De weg naar de haven van Pamenang is omzoomd door ruïnes. Vanaf de haven komt een lange stroom mensen. Gisteren waren ze nog toeristen, vandaag zijn ze vluchtelingen. Ze kijken vermoeid, zijn uitgeput. In hun ogen staat te lezen wat ze hebben doorgemaakt.

Ze zijn zich doodgeschrokken. De aardbeving heeft bijna alle huisjes op de eilanden verwoest, maar dat was nog niet het ergste. Erger was de angst voor de tsunami. Iedereen vluchtte naar hoger gelegen plekken, maar bijna al die plekken zouden niet hoog genoeg zijn als er een tsunami zou komen. Een Deense toeriste vertelt hoe ze naar boven renden. ‘In het voorbijgaan zagen we ingestorte huizen, en mensen die daaronder bedolven waren. Kinderen... Het was vreselijk.’

‘Geld, laptop, telefoon, alles weg’

De tsunami bleef uit. Het zeewater steeg 10 centimeter en daar bleef het bij, maar de ellende op de Gili Eilanden was daarmee niet voorbij. De Deense keerde terug naar het huisje dat ze had gehuurd, en ontdekte dat het helemaal was leeggeroofd. ‘Al het geld was weg, de laptop, de telefoon, alles.’ En ook dat was nog niet het einde. De volgende ochtend stond het piepkleine strand van haar eilandje vol met toeristen. Meer dan duizend, en allemaal wilden ze weg. Boten kwamen en vertrokken, maar de boten waren te klein en het waren er te weinig. Mensen begonnen te vechten om een plekje. Een Brits paartje vertelt hoe ze van de boot werden afgeschopt en hoe ze moesten duwen en vechten om er op te komen. ‘De Indonesiërs schopten iedere Europeaan eraf’, zegt de jongen. Anderen vallen hem bij: ‘We deden wat we altijd doen: we stonden in de rij. Maar zij (de Indonesiërs) drongen zich naar voren, de hele tijd weer.’

Als ze uiteindelijk de overkant, het vasteland van Lombok, hebben bereikt, is de kwelling nog steeds niet afgelopen. Er blijkt geen vervoer te zijn geregeld. De met veel bombarie aangekondigde ‘evacuatie van Lombok’ blijkt niet te zijn georganiseerd. De toeristvluchtelingen lopen in een fuik van mensen die hun kapitalen aftroggelen voor een zitplaats in een bus, een auto of de achterbak van een vrachtauto, die hen voor dat kapitaal naar het vliegveld zal brengen.

Ravage in Noord-Lombok. Beeld EPA/STR

De minister komt

Pas tegen het einde van de dag komen er lege bussen. Ook komen er vrachtwagens vol reddingwerkers. En minister Wiranto komt. En een vrachtwagen met spul, geschonken door de bank BRI. Maar dan zijn de meeste toeristen al weg. Die staan in lange rijen te wachten op een ticket om vandaag nog weg te vliegen, met vliegtuigen die al helemaal zijn volgeboekt.

De reddingwerkers gaan het puin in. Ze beginnen te zoeken naar slachtoffers. Buurtbewoners wijzen hun de weg. Een rijtje bromfietsen staat geparkeerd voor de grote moskee aan de havenweg. De bromfietsers lopen rond de moskee, kijken door gleuven en spleten en maken foto’s en filmpjes met hun telefoon. De moskee ligt in laagjes op de grond. Het trotse gebouw is als een kaartenhuis in elkaar gezakt. Het dak ligt op de grond, en de grond ligt in gruizels. Het was de tijd van het avondgebed, dus er waren nogal wat mannen binnen. Mogelijk zijn ze er nog. De bromfietsers weten het eigenlijk wel zeker. ‘Tientallen’, zegt de een, en een ander heeft het over ‘honderd’.

Slippers voor de moskee

Het zijn er minstens een paar. Voor de trap van de moskee, die nu ophoudt waar het dak ligt, liggen tientallen plastic slippers. Geen losse, maar keurig in paren. Ze zijn uitgedaan voor het gebed en nooit meer opgehaald. Elk paar kan een dode zijn, want wie rent er nou weg zonder schoenen. De doden die hier misschien bedolven liggen, zijn nog niet meegeteld. De reddingwerkers in hun oranje overalls durven de puinhoop niet binnen te kruipen. Dat is veel te gevaarlijk. Zij wachten op groot materieel dat in aantocht zou zijn. En anders kun je over een paar dagen wel ruiken wat er tussen de stenen is verpletterd.

De lift in het Aston Inn hotel in Mataram staat uit. Mataram is redelijk ongeschonden gebleven, en het Aston heeft geen scheurtje opgelopen, maar de general manager neemt liever het zekere voor het onzekere, dus meneer moet de trap nemen. De koffers worden gedragen door de bell boys, die op de vijfde verdieping even danig moeten uitpuffen. ‘Sorry, maar de hele dag gaan we al op en neer’, hijgt er een. In de lobby van het hotel zitten de mensen voor wie er geen kamers zijn. Mensen die net van de Gili Eilanden zijn gekomen, maar ook gasten uit hotels die minder stevig waren. De vergaderkamer is een slaapzaal geworden. Het restaurant is 24 uur per dag open in verband met ‘de situatie’.

Een inwoner probeert spullen te redden uit zijn verwoeste huis. Beeld AP Photo/Tatan Syuflana

De vloer begint te schuiven

In de kamer heerst rust. De airconditioning zoemt, het dekbed is van zuiver dons en bij het bureautje is een stopcontact waar alle stekkers van de wereld in passen. Deze kamer zou zich in elke plek van de wereld kunnen bevinden. Maar de kamer bevindt zich op Lombok, en dat wordt om middernacht onmiskenbaar duidelijk. De vloer begint te schuiven, en in een golvende beweging neemt hij de muren mee en de stoel en het bureau en het bed en het dons. De gordijnen huiveren. Deuren beginnen te klappen, rennende voetstappen komen voorbij, een vrouw komt gehuld in een handdoek de gang op, om snel weer terug haar kamer in te duiken. Mensen kloppen bij de buren. Roepen: ‘Rennen! Aardbeving!’

Dan begint het wachten. Niets gebeurt. Nog niets, moet je zeggen, want de aarde onder Lombok is niet meer te vertrouwen. Zelfs de stilte belooft niets goeds meer.

De Nederlander Wijnand ‘Durk’ Langeraar vaart dinsdag met een schip vol hulpgoederen van zijn woonoord Bali naar het noorden van Lombok, het zwaarst getroffen deel van het eiland. ‘Ik vermoed dat we de eerste hulpverleners zijn. De situatie in het noorden is ernstiger dan wat we hier te zien krijgen op het nieuws. Ik weet niet wat me te wachten staat. Het zal wel heftig zijn’, zo laat hij weten via WhatsApp. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.