Dood of vrijheid

Opgepakt door de ayatollah's maar iedereen dacht: hij komt wel vrij, zijn vader is imam. Toen stond er een vreemde auto voor de deur, vrouwen gilden....

DE AFGELOPEN weken heb ik een moeilijke, emotionele periode gehad. De universiteit van Teheran was weer in beweging gekomen. En voorzover ik er iets over weet via mijn kennissen, zijn er zes doden gevallen en honderden arrestaties verricht. Twee weken geleden, toen de studenten met hun actie begonnen, wilde ik er meteen al iets over schrijven, maar uit ervaring heb ik geleerd nog even geduld te hebben. De geschiedenis van de universiteit van Teheran is als het ware de geschiedenis van het verzet tegen de dictatuur in de afgelopen vijftig jaar.

In dit artikel ga ik het niet hebben over de hoedanigheid van de kracht en de invloed van die bewegingen op de samenleving, maar ik wil (als ik kan) een schets van de studentenbeweging van mijn land maken.

Ik was een jaar of 12, 13 toen ik voor het eerst met die beweging kennismaakte. Op een koude middag, toen een jonge vrouw op de radio een vreemd liedje zong, onderbrak de omroeper ineens het programma. Hij begon op een vreemde toon iets aan te kondigen: 'Een belangrijk bericht. Drie mannen, drie gevaarlijke mannen, zijn uit de gevangenis ontsnapt. Ze zijn zwaargewond, maar ze zijn gewapend. De stad is nu onder controle. Wie een goede tip geeft, krijgt een aanzienlijke beloning. Dus als u iets gezien of gehoord hebt... bel!'

Ik zette snel de radio uit, trok mijn jas aan, pakte mijn sjaal en mijn muts en rende naar beneden, naar buiten, naar de stad. Drie grote zwartwitportretten van de ontsnapte gevangenen waren boven de ingang van de bazaar opgehangen: Gezocht.

Onder de portretten stond een houten tafel waar een grote radio en een enorme, ingelijste kleurenfoto van de sjah op geplaatst was. De sjah keek boos, de radio klonk hard en de omroeper riep: 'Ze zijn staatsgevaarlijk... de vijanden van de majesteit. Gods vijanden. Ze zijn gewond. Ze hebben zich nu ergens verstopt. Geef ze aan! Bellen!'

De mensen stonden daar en keken naar de portretten, ze hadden nog nooit van de mannen gehoord, ze dachten dat het echt gevaarlijke criminelen waren. Uit de mond van een jongen hoorde ik voor het eerst een vreemd, maar magisch woord: 'Guerrillero's'.

Van de zwartwitportretten van de studenten heb ik één ding voorgoed onthouden: hun hangende snor. Veertien jaar later had ik zelf een brede, zwarte snor. Nu, elke keer dat ik mijn eigen schaduw op de muur van mijn Hollandse woning zie, komen die guerrillero's bij mij boven. Later, vele jaren later, toen ik zelf lid was van die ondergrondse linkse beweging, kwam ik er pas achter wie ze waren.

De studentenbeweging is, als ik het goed zeg, met de komst van de eerste Amerikanen in mijn land opgekomen. Feitelijk met de val van Mossadeqs regering. Mossadeq is de meest geliefde Iraanse premier, hij was degene die de Anglo Iranian Oil Company nationaliseerde. In 1953 werd hij bij een Amerikaans-Engelse coup afgezet en de gevluchte sjah keerde naar Iran terug. Vanaf die dag, de coupdag, tot de dag van vandaag is het aan de universiteit van Teheran (en later ook aan de andere universiteiten) nooit meer rustig geweest.

Het was (en het is) de droom van elke scholier ooit aan de universiteit van Teheran te kunnen studeren. Aan de ene kant was het een droom voor de jongens en meisjes en aan de andere kant wekte het angst bij de ouders. Een gezegde luidt: 'Je gaat erin, maar het is de vraag of je eruit kunt.' Het onderwijssysteem van Iran is anders dan hier in Nederland. Als je daar naar de universiteit wilt, moet je eerst een zwaar toelatingsexamen doen. Aan dat examen doen gewoonlijk duizenden scholieren mee die hun eindexamen hebben gehaald. Als ik me niet vergis, hebben er dit jaar zevenhonderd- of achthonderdduizend meegedaan.

Van dat grote aantal wordt een klein percentage aangenomen, de rest valt af. Meestal zijn het de meest intelligente leerlingen die de universiteit bereiken (in dit artikel beperk ik me tot de universiteit van Teheran). Het kon gebeuren dat je als een onervaren, simpele provinciejongen naar binnen ging en dat je nog geen halfjaar later door de geest van de universiteit in een vurige rebel veranderd was.

Dat gold zeker niet voor iedereen, maar als je een beetje moedig was en niet uit een hoge klasse kwam, ging je meteen met de stroom mee. Een jaar of een halfjaar in de gevangenis zitten, moest je als een soort 'stage lopen' accepteren. Er waren honderden studenten die tien, elf, of twaalf jaar naar de universiteit gingen, maar ze haalden hun diploma almaar niet. Zij waren de studenten die tussendoor enkele jaren in de gevangenis hadden gezeten.

De studenten van de afdeling natuurkunde, techniek en bouwkunde vormden de harde kern van die beweging. De wortels van de twee belangrijkste ondergrondse guerrillabewegingen tegen de sjah groeiden in de grond van deze afdelingen van die universiteit. Die twee guerrillabewegingen hadden twee gemeenschappelijke leuzen: 'Weg met de sjah'. En 'Lang leve de vrijheid'. Maar ze hadden twee grondig verschillende theorieën. De linkse beweging had het Cubaanse model voor ogen. Castro was haar voorbeeld. De religieuze beweging echter haalde haar idealen uit de Koran. Hun voorbeeld was de heilige Ali, schoonzoon van de profeet Mohammad. De leiders van beide ondergrondse stromingen waren de studenten die in de gevangenis waren gezet.

Daar, in de gevangenis, kreeg de kern van die bewegingen vorm. Zowel de linkse als de religieuze beweging kreeg honderden aanhangers op de universiteiten. En niet alleen op de universiteiten, ook zaten er aanhangers tussen de schrijvers en de intellectuelen. De eerste leiders van die ondergrondse bewegingen werden na een paar jaar allemaal geëxecuteerd. Vijfentwintig jaar later, toen de revolutie van 1979 uitbrak, hingen de grote portretten van die leiders aan de muren van de afdelingen natuurkunde, techniek en bouwkunde van de universiteit.

Na de executie van de eerste leiders dacht de sjah dat hij alles onder controle had, maar hij vergiste zich, want nu kreeg een nieuwe generatie studenten de leiding in handen. Gedurende twintig jaar waren de straten van Teheran het toneel van tientallen schietpartijen tussen de gewapende leden van die partijen en de geheime politie van de sjah. Elke keer opnieuw werd een ondergrondse schuilplaats van de leiders ontdekt en de politie probeerde ze met helikopters en tanks te pakken te krijgen.

Maar dat was onmogelijk, ze bleven tot hun laatste kogels vechten, bovendien hadden de leiders altijd een dodelijke pil in hun mond. Zodra de politie hen wilde pakken, slikten ze die in. Elke keer dat een van die guerrillero's in een van die schietpartijen omkwam, barstte de universiteit van Teheran uit als een vulkaan.

I K WAS nog jong in die periode, maar de verhalen had ik van onze buurjongen Saberi gehoord. Hij was zelf student, en de verhalen die hij vertelde, klonken als sprookjes in mijn oren. Met zijn verhalen bepaalde hij de weg naar mijn toekomst. Hij studeerde natuurkunde, ik koos later hetzelfde vak.

Op een nacht werd er bij ons geklopt. Ik deed de deur open. 'Doe het licht uit, doe het licht uit!' riep Saberi zachtjes. In het kort vertelde hij dat er een paar doden op de universiteit waren gevallen en dat de politie iedereen arresteerde, dat een paar agenten hem achtervolgden en dat hij zich bij ons wilde verschuilen. (Ik denk dat het tijdens de grootste gewelddadige demonstratie was, begin jaren zeventig, toen de Amerikaanse president Nixon bij de sjah op bezoek kwam). Saberi mocht van mijn oom in zijn bibliotheek achter de boekenkasten gaan slapen.

Tot die tijd dacht ik altijd dat een gevangenis voor criminelen bestemd was, maar op die avond hoorde ik een zinnetje, dat ik nooit vergeten ben: de gevangenis is in feite een universiteit. Uit Saberi's mond hoorde ik voor het eerst een nieuwe samenstelling van twee woorden: politieke gevangenen. En ook deze: De intensieve discussies in de gevangeniscellen zijn op dit moment heel belangrijk voor de toekomst van het vaderland.

De studenten deden altijd verwoede pogingen het volk wakker te schudden en tegen de sjah in beweging te brengen, maar dat lukte niet. De acties en de invloed van de harde bewegingen bleven beperkt tot de universiteiten en de intellectuelen. Toch werd de universiteit van Teheran, zodra de revolutie in 1979 begon, het startpunt van alle massademonstraties die iedereen op tv heeft gezien.

Het is opvallend dat de geestelijken de eerste maanden na de revolutie, met het begin van de Iraanse republiek, de grote moskee van Teheran negeerden en de universiteit voor hun vrijdagsgebed kozen. Elke vrijdag gaan daar nog altijd duizenden fanatieke aanhangers van het regime naartoe om naar de politieke toespraken van de geestelijken te luisteren.

Na de revolutie ging een groep van de meest religieuze studenten met Khomeini mee. De actiefste leden van die groep waren degenen die de Amerikaanse ambassade hadden bezet. Geleidelijk ontpopte Khomeini zich tot een dictator en de studenten begonnen weer voor de vrijheid te vechten.

Het islamitische bewind kende de universiteiten goed; ze wisten dat ze de studenten in de oude samenstelling niet onder controle zouden kunnen krijgen. Er moest een grote verandering komen. Ze kwamen tot de conclusie dat ze de universiteiten voor een paar jaar moesten sluiten. Toen ze de deuren weer openden, begonnen ze met een 'culturele revolutie'.

Ze propten de universiteiten (vooral die van Teheran) vol met honderden zonen, dochters en andere familielieden, en met hun eigen betrouwbare aanhangers. Studeren aan de universiteit van Teheran werd voor gewone leerlingen bijna onmogelijk, want nu was alleen een toelatingsexamen niet voldoende, je had de steun en de goedkeuring van de geestelijke van je stad nodig. De imam van de moskee van je wijk moest je ook vaak in de moskee hebben gezien.

En dat was nog niet voldoende, je moest ook een goedkeuringsbrief van de gelovige kruidenier uit je straat op zak hebben, want hij fungeerde als de ogen van het regime in de wijk.

Duizenden studenten die niet meer naar de universiteiten terug mochten keren, duizenden scholieren die afgekeurd waren, sloten zich bij de ondergrondse bewegingen tegen het regime aan. Duizenden werden gearresteerd, honderden werden geëxecuteerd. En Djawad, de zoon van mijn oom (mijn geestelijke vader) was een van die studenten. We woonden altijd met de familie van mijn oom samen in een groot huis.

Mijn oom was een geestelijke en de imam van de grootste moskee van de stad. Omdat hij de imam van de stad was, dacht hij dat men zijn zoon na een paar dagen vrij zou laten. Maar hij vergiste zich; twee weken later overviel de politie ons huis en ze namen mijn jongste zuster mee.

Een jaar lang belde mijn oom bijna alle belangrijke geestelijken van het land om de kinderen vrij te kunnen krijgen. Uiteindelijk beloofde de imam van de heilige stad Qom dat hij spoedig een brief van hem zou ontvangen. Mijn oom ontving de brief, maar er stond iets anders in dan hij had verwacht. Wegens contrarevolutionaire activiteiten van zijn kinderen was de moskee van de stad van hem afgenomen. Hij moest thuis blijven.

Pas toen begreep hij wat het regime betekende. Hij reisde een paar keer naar Qom, ging naar Teheran om Khomeini persoonlijk te ontmoeten. Maar dat liep op niets uit. In een laatste poging knielde hij voor de nieuwe imam van de stad. Deze zwoer dat zijn zoon de volgende morgen uit de gevangenis vrij zou komen. De vrouwen van ons huis bakten koekjes en ze rolden de tapijten uit om straks feest te vieren.

Mijn oom deed zijn nieuwe aba aan en ging zijn zoon ophalen. Maar het duurde lang voor hij terugkwam.

'Waar is Djawad?'

Er stond een vreemde, donkerrode bestelwagen voor de deur. Iedereen vermoedde onmiddellijk wie erin zou liggen. Vrouwen begonnen te gillen, en op hun hoofd te slaan.

Mijn oom had een lijk en een probleem. Hij mocht zijn zoon niet op een officiële begraafplaats laten begraven, want de geestelijken hadden zijn zoon mohareb, godsvijand, genoemd. Mijn oom heeft zijn zoon met zijn eigen handen ergens in een verlaten hoekje in de bergen begraven.

Mijn goede, gelovige oom wordt binnenkort 99 jaar, maar hij gaat nog lang niet dood want hij wil eerst het stoffelijk overschot van zijn zoon op een gewone begraafplaats laten begraven. Dan pas kan hij rustig doodgaan.

Mijn zuster kwam na vijf jaar vrij. We wisten dat ze nooit zou kunnen trouwen, geen familie zou haar meer voor hun zoon vragen.

In die tijd woonde ik zelf in Teheran op een geheim adres, en durfde niet naar huis te gaan. Op een nacht ging de telefoon. 'Jongen...', hoorde ik mijn oom. 'Luister... vanmiddag kwam er een man aan de deur, hij wilde jouw zuster hebben.' 'Wat bedoelt u?' 'Ik bedoel... ik begrijp die jonge generatie niet meer... ik weet niet hoe men zo brutaal kan zijn... die jonge man keek me recht in mijn ogen en zei... ''Ik... ik kom om uw dochter ten huwelijk te vragen''.' 'O, wat leuk!' reageerde ik.

'Leuk? Helemaal niet leuk. Je vraagt iemands dochter niet zomaar aan de deur...'

Die lieve jongeman was een student van de universiteit van Teheran.

Een maand later las mijn oom een soera uit het heilige boek en legde de handen van mijn zuster in zijn handen. Zes maanden later werd de jongen gearresteerd en werd hij voor tien jaar in de gevangenis gezet.

Nu is hij vrij. Ik heb hem slechts een keer ontmoet voor zijn arrestatie, tien minuten, in de stationsrestauratie van Teheran.

Direct nadat hij gearresteerd was, verwijderde mijn oom halsoverkop alle verdachte spullen, uit angst voor de politie, die straks ongetwijfeld het huis zou doorzoeken. Hij gooide de boeken in de waterput en verbrandde de papieren in de kelder.

Opeens vond hij een verfbusje, waarmee men in die tijd leuzen tegen Khomeini op de muren spoot. Hij had nog nooit eerder zo'n busje gezien, hij wilde het in de waterput gooien, toen plotseling de deurbel ging. Hij dacht dat het de politie was, pakte meteen een hamer en rende de badkamer in. Hij begon het busje met de hamer kapot te slaan. Ineens ontplofte het en mijn lieve oom viel flauw. Men bracht hem naar het ziekenhuis. Hij kon drie, vier maanden niet meer de deur uit, omdat zijn mooie lange grijze baard rood was geworden van de verf uit dat busje.

Laat ik maar stoppen met die herinneringen, het doet me pijn.

Het regime kreeg geleidelijk alle universiteiten onder controle. In de afgelopen tien jaar hadden we niets van de universiteiten gehoord. Met vertraging, maar toch op tijd kondigden de studenten met hun geweldige demonstratie een nieuwe fase aan.

God, wie zijn die studenten nu?

De meerderheid van hen zijn de vroegere aanhangers van het regime, degenen die allemaal goedgekeurd waren door hun imams en kruideniers. Maar de geest van de universiteit van Teheran heeft hen allemaal betoverd. Proficiat.

Hier, een paar van de leuzen die ze de afgelopen dagen riepen, allemachtig, dat waren dezelfde belangrijke leuzen die de studenten de afgelopen vijftig jaar hadden geroepen: Zende baad azadi... Lang leve de vrijheid. En Toep, tank, mosalsal digar asar nadard... We zijn niet meer bang voor je geweer, voor je tank en voor je kogels.

Hebt u het ook gehoord? Ze riepen een nieuwe leus: Maarg baar Khameneie... Dood aan Khameneie.

En dat was een grote stap. De geestelijke leiders hebben zichzelf altijd de vertegenwoordiger van God op aarde genoemd. Khameneie beschouwde zichzelf als Gods schaduw op aarde, en nu ineens: Maarg baar Khameneie.

De studenten rukten zijn valse heilige sluier af. En hoewel de meesten van hen aanhangers van president Khatami waren, riepen ze toch: Khatami, let op! Kom in beweging! Maak je beloftes waar, anders...

De demonstraties zijn afgelopen, de politie en de geheime dienst zijn overal op zoek naar de studenten om ze te arresteren. Ik moet geloven dat de geschiedenis zich wil herhalen. Dat kan, maar dit zijn niet meer dezelfde studenten, de beweging is volwassen geworden, heeft veel ervaringen opgedaan. Er gaat iets nieuws gebeuren. Maar wat? Ik durf er nog niets over te zeggen.

De geschiedenis heeft zich ten minste in één leus herhaald. Die oude historische leus heb ik de afgelopen week op CNN gehoord: Jaaa maarg, jaaa azadi... Dood, of vrijheid.

Vrijheid. Vrijheid. Vrijheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.