'Donnerwetter, dat ga ik lezen'

Christoph Buchwald (1951) is voor Nederlandse schrijvers geen onbekende. Harry Mulisch en Margriet de Moor hebben veel aan hem te danken....

CHRISTOPH BUCHWALD komt al jaren in Nederland. De laatste jaren niet alleen als iemand die graag in boekwinkels snuffelt en met allerlei mensen in het vak praat, maar vooral ook als echtgenoot. Hij is getrouwd met Eva Cossée, die vorig jaar als uitgeefster bij Ambo opstapte. Tot voor kort reisden de twee veelvuldig tussen Amsterdam en Frankfurt heen en weer, maar na het onverwachte vertrek van Buchwald bij Suhrkamp zijn ze wat meer samen in Amsterdam. Buchwald denkt erover na of hij in Nederland of in Duitsland verder wil in de uitgeverij.

Zijn vertrek bij een van de meest vooraanstaande literaire uitgeverijen in Duitsland, was groot nieuws voor de media. Buchwald was de zoveelse 'kroonprins' die zich stukgelopen had op de oude Siegfried Unseld, die het bedrijf zijn naam heeft bezorgd, maar het niet kan loslaten. Hoffelijk liet Buchwald weten dat er tussen hem en Unseld te weinig consensus bestond over de te volgen koers. Maar God hoorde hem brommen.

Christoph Buchwald is een eigenzinnige uitgever, met smaak. Bij alle uitgeverijen die hij diende, bracht hij nieuwe auteurs binnen die zich geleidelijk aan een grote reputatie verwierven. Dat gaat ook op voor de Nederlandse schrijvers die hij onder zijn hoede nam.

Toen hij in de jaren zeventig in het sterk gepolitiseerde West-Berlijn kunstgeschiedenis, literatuur en muziek studeerde, leek hem de uitgeverij niet vanzelfsprekend. Pas toen hij als redacteur bij Claassen Verlag in Düsseldorf vergeten schrijvers als Irmgard Keun en Walter Mehring opnieuw uitgaf, realiseerde hij zich dat hem iets over schrijvers en boeken was bijgebracht dat hem al jong voor het vak had voorbestemd. Grootvader Reinhard Buchwald was redacteur bij Insel Verlag in Leipzig geweest. Van hem hoorde hij de verhalen. Hoe hij aan de eerste grote Goethe-bibliografie had gewerkt. Hoe hij met Rainer Maria Rilke was opgetrokken.

In een van de eerste boeken die hij van zijn grootvader kreeg, Pelle de veroveraar van de Deense communistische schrijver Martin Andersen Nex & lsquor;, vond hij een kaartje: 'Lieber Reinhard Buchwald, es war schön, bei Ihnen Ferien zu machen, herzliche Grüsse, ihr Martin Andersen Nex & lsquor;.'

'Dat trof me en ik vroeg mijn grootvader: wie was die man? Was je met hem bevriend? Wat is er met hem gebeurd? Mijn grootvader zei: ja, ik was met hem bevriend, maar na 1936 vond ik hem niet meer aardig. En hij legde dat uit: omdat hij Stalin en zijn show-processen had verdedigd.

'Ik wist daar natuurlijk niets van en daarom kreeg ik er boeken over. Ook over de Spaanse Burgeroorlog. Hij was altijd heel aardig voor mij. Tot 1931 was hij Volksbildungsrat in Thüringen. Daar zette hij de Volkshochschule op. Klassische Bildung für die Arbeiterklasse, maar toen de nationaal-socialisten aan de macht kwamen, vloog hij eruit. Hij was een fatsoenlijk man, een voorbeeld voor mij. Ik heb het gevoel dat hij de eer van de familie heeft gered.

'Maar het mooiste dat hij mij, onbedoeld, heeft gegeven, is het besef dat boeken werden geschreven door mensen, levende mensen, mensen met een biografie, een leven. Het ging niet alleen om het boek, het ging ook om degene die het had geschreven, iemand die bij je thuis kwam, met wie je wandelde, voor wie grootmoeder kroketjes bakte, iemand die je na de vakantie een kaartje stuurde.

'Achteraf realiseer ik me pas hoe belangrijk die ervaring voor mij is geweest. Er werd een brug geslagen tussen het leven en de literatuur. Dat is voor mij altijd blijven tellen. Nog steeds wil ik, als ik een boek lees, die sensatie voelen: dat het over het leven gaat, de condition humaine. Bij elk boek dat ik heb uitgegeven, was voor mij de vraag: waarom dít boek, er zijn er zoveel. Omdat het met het leven te maken heeft, met de tijd, met de vraagstukken en breuken in de tijd.

'Waarom juist dít boek, ja. Die vraag is nooit eenvoudig te beantwoorden. Het kost je soms heel wat hoofdbrekens, maar je kunt je er niet vanaf maken zoals veel uitgevers doen, want als je geen antwoord hebt, ben je niet gemotiveerd, kun je anderen niet overtuigen, vallen je vertegenwoordigers tijdens een aanbiedingsvergadering in slaap, zeggen boekverkopers, ja, ga jij maar een deurtje verder.

'Als je het antwoord wél weet, kun je anderen ertoe brengen iets met dat boek te doen, kun je ze verführen, want daar gaat het in eerste instantie om in de literatuur, om het verleiden. Dat doet de schijver, en dat doe jij dus ook. Je bent de advocaat van de schrijver. Je behartigt zijn belangen.'

Niet alleen aan grootvader Buchwald heeft hij veel te danken, ook de Berlijnse hoogleraar Walter Höllerer, die door zijn medegeleerden niet al te ernstig werd genomen omdat hij romans en gedichten schreef, gedenkt hij met warme gevoelens. Van hem herinnert hij zich dat vermogen tot verführen ook. 'Hij bracht mij ertoe de Ulysses te kopen, zo geestdriftig had hij erover gesproken. Het kostte me 48 mark, veel geld voor een student die voor een heel semester maar 250 mark te verteren had, die hij in één maand als postbode verdiende. Hij kon je zo enthousiast maken voor een boek, dat je dacht: Donnerwetter, dat ga ik lezen. Die vorm van Vermittlung vond ik aanstekelijk. Misschien hou ik er daarom zo van bruggen te bouwen naar de lezer.'

Hij begon, nog in Berlijn, over boeken te schrijven, zat in het Vietnam-comité - waarvan hij nog steeds geen spijt heeft - en speelde gitaar in een rockband. Het was een tijd, niet alleen in West-Berlijn, maar in heel Duitsland, van scherpe politieke tegenstellingen. Buchwald was links, maar zonder de bijbehorende ideologie. 'Nee, ik heb nooit de Internationale op mijn twelve string-gitaar gespeeld.' Hij zocht een ander soort waarheid, die van de literatuur.

Hij ontdekte hoeveel daarvan in Duitsland werd verzwegen, als het al niet helemaal was verdwenen. De literatuur van vóór Hitler, de literatuur van de ballingen, weg, verschwunden. Toen hij in 1978 bij Claassen Verlag in Düsseldorf begon, besloot hij daar iets aan te doen. Hij zette zich in voor het werk van Irmgard Keun, Walter Mehring, Albert Vigoleis-Thelen.

Ze leefden nog. Hij leerde ze kennen. 'Irmgard Keun was in de jaren twintig een grote dame, zeer bewonderd door Kurt Tucholsky. Haar Angestelltenromane, over kantoormeisjes die ervan droomden een beter leven te krijgen zonder zichzelf te verkopen, hadden iets emancipatorisch. Ze beschreef heel knap de vooroorlogse melting pot Berlijn. Heel interessant, maar niemand wilde er meer iets van weten.

'Ik zocht haar op. Ze was toen al zwaar aan de drank. Toen ze me zag, sprak ze: ''Knabe, meine Haut sagt ja zu dir.'' Daar moest op gedronken worden. Ik leerde haar leven kennen, zag de littekens van de Gestapo en gaf álles van haar uit. Bij mijn baas peuterde ik een voorschot los, tienduizend mark, veel geld in die tijd. Voor een autobiografie, wist ik, die ze niet meer zou schrijven. We hebben er samen een bontjas van gekocht, de bontjas waarvan de jonge vrouwen in haar boeken droomden. Ik dacht, wat Duitsland jou heeft aangedaan, dat is met nog geen honderdduizend mark goed te maken.'

OOK WALTER Mehring, dichter, dadaïst en Bürgerschreck, gaf hij aan de Duitse lezers terug. Het hele werk, in tien delen. Hij herinnert zich hoe hij hem op zijn sterfbed nog juist de laatste delen poëzie kon overhandigen. Ze waren nog één keer uitgeweest, want Mehring miste van alle dingen nog het meest het café. Hij kon niet meer lopen, broos als een afgestorven tak door de artrose. Walter, auf meinen Rücken had Buchwald geroepen, en zo als jongens die paardje spelen waren ze aan hun kroegentocht begonnen.

Toen de deftige Erwin Barth von Wehrenalp Claassen verkocht, kwam de nieuwe eigenaar kennismaken. Buchwald zag door het kierende hemd het spek van de enorme pens en dacht: wegwezen. Hij belde Michaël Krüger van Hanser Verlag en verkaste naar München. Daar begon hij met 'de Nederlanders'.

'Als student', vertelt hij, 'kwam ik al veel in Amsterdam, ik had er een vriendin, een violiste. Toen viel me al op dat je in de Nederlandse boekwinkels veel Duitse boeken in vertaling zag, maar het omgekeerde kende ik niet: dat je in Duitsland Nederlandse boeken zag. Ik vond dat merkwaardig. Nu begon ik me erin te verdiepen. Ik kende de Exilliteratur, en wist wat uitgevers als Querido en Allert de Lange voor Duitse schrijvers hadden gedaan, dus ik dacht: dit moet een land zijn met interessante uitgevers en met interessante schrijvers.

'Ik had contact met Carel ter Haar, hoogleraar in München, en van een vriend die met mij voor het links-liberale cultuurtijdschrift Berliner Hefte werkte, hoorde ik dat ik eens naar het werk van Harry Mulisch moest kijken.

'Met hem begon het, met De aanslag. Ik vond dat een heel aantrekkelijk boek, vooral doordat hier geen sprake was van een zwart-witverhaal, zoals ik kende uit de Arbeiterliteratur, maar van een heel schwierige, moeilijke morele vraagstelling. Bij Harry Mulisch kon je niet zeggen: die zijn goed, de mensen van het verzet bijvoorbeeld, en die zijn slecht, het liep door elkaar, en dat dwong je tot een genuanceerd oordeel.

'Een dergelijke benadering kenden we in Duitsland alleen op een heel hoog, formeel zeer gecompliceerd niveau: Die Esthetik des Widerstands van Peter Weiss. Daar bereikte je geen groter publiek mee. Ik wilde als student al meer weten over de morele en politieke dilemma's van voor de oorlog, maar daar bestond toen in Duitsland nauwelijks belangsteling voor. Wat erover geschreven was, was zo goed als onvindbaar, bestond niet in het openbaar. Mode was het Wirtschaftswunder.'

Verboten und verbrannt?

'Dat kun je wel zeggen, ja. Misschien was het ook allemaal esthetisch niet zo heel bijzonder, maar de linkse literatuur van het Exil en de Arbeiterliteratur was toch geschreven, er was een publiek voor geweest. Er was toch een litérature engagée geweest. Misschien niet allemaal van het niveau van Berlin Alexanderplatz van Alfred Döblin, maar de moeite waard er kennis van te nemen, dacht ik. Er moest toch ook jenseits von Thomas [Mann] iets over de werkelijkheid te leren zijn. Het bleek literair een heel rijke tijd. Er werd druk geëxperimenteerd. De film had veel invloed. Er ontstonden nieuwe methoden, vormen, je hoorde een andere toon. Men las over diep ingrijpende maatschappelijke veranderingen.

'In de Nederlandse literatuur vond ik daar iets van terug. Vooral bij Mulisch. Dat hij in De aanslag zo precies de plot ontvouwt - waardoor het je niet onmógelijk wordt gemaakt te oordelen, maar wel moeilijk - dat beviel me. Dat kenden we in Duitsland nauwelijks nog. Daar zag je juist een verharding van standpunten. De 68'ers, zoals ze heten, en hun volgelingen domineerden. Het was de tijd van de Rote Armee Fraktion. Voor nuance was weinig plaats.'

Na het succes van De aanslag ging je door met het uitgeven van Nederlandse schrijvers.

'Ja, voor mij was de voornaamste overweging dat wij een buurland hadden, waarvan men zei: daar verschijnt een interessante literatuur en wij wisten er niks van. Ik vond dat provinciaal. In Duitsland wordt alles uit Amerika vertaald, maar niets van onze buren, dat is toch raar. Inmiddels was bij Klett-Cotta, overigens in een heel slechte vertaling, Het verdriet van België van Hugo Claus verschenen. Het kwam langzaam op gang. Ik deed na De aanslag de roman Eerst grijs, dan wit, dan blauw van Margriet de Moor, een auf den Kopf gestellte Liebesgeschichte, met de nadruk op het vrouwelijk standpunt, toen erg in de mode, maar opnieuw trof me dat ook dit vrij was van een bepaalde ideologie.'

Na dertien jaar stapte hij van Hanser over naar Luchterhand om daar directeur te worden. Hij ging steeds meer Nederlands te lezen. Bij Luchterhand verschenen Marcel Möring en Anna Enquist.

Kun je de kwaliteit van zulke auteurs met jouw kennis van het Nederlands wel voldoende beoordelen?

'Niet voor honderd procent, nee. Ik kan wel precies iets zeggen over de architectuur van een boek, over perspectief, over al of niet expliciete commentaren op het vertelde, technische dingen, maar van de toon ontgaat me iets. Toch kon ik met de genoemde schrijvers heel goed praten over hun boeken, die ik alleen in het Nederlands had gelezen, en als redacteur dingen zeggen, die zij serieus namen, en waarin ze me ook steunden. Dat was heel stimulerend.'

Het gaat zo goed met de Nederlandse literatuur in Duitsland dat je weleens de indruk krijgt dat men er daar op zit te wachten. Of is het mode?

'Dat laatste denk ik niet. Vergeet niet dat het er voor lezers nauwelijks toedoet uit welk land een schrijver komt. Harry Mulisch klinkt dat niet al een beetje Duits? En Enquist? Zweeds? Nee, waar het om gaat, is de kwaliteit van die boeken. In 1993 was Nederland een hype, zeker. Toen moest elke uitgever een Nederlander, maar daarvan is nu niet langer meer sprake.'

Toch hoor je steeds dezelfde namen. Alsof het met eigenzinnige auteurs als A.F.Th. van der Heyden of Thomas Rosenboom maar niet wil lukken.

'Met Advocaat van de hanen van Van der Heyden is het toch redelijk goed gegaan. Inclusief de pocket meer dan twintigduizend exemplaren verkocht. Maar er is veel meer mogelijk, dat geef ik toe, ook voor Thomas Rosenboom. Hun tijd komt nog. Een bepaalde kwaliteit lässt sich nicht verschweigen.'

Inmiddels kunnen wij in Nederland de ogen niet langer sluiten voor de opbloei van de Duitse literatuur. We zagen de laatste jaren schitterende boeken van auteurs als Bernhard Schlink, Hans-Ulrich Treichel, Norbert Gstrein, Marcel Baier en Maxim Biller, die in Nederland niet gauw geschreven zullen worden. Wat is er aan de hand?

'Dat de Duitse literatuur in Nederland, na een periode waarin heel veel vertaald werd, niet zo gewild meer was, had vermoedelijk vooral met Duitsland zelf te maken. Vanaf de jaren tachtig was het daar heel chic om op de Duitse literatuur te mopperen. Zo van: er verschijnt hier nooit iets interessants, het is altijd zo moeilijk, zo zwaar op de hand, ze kunnen geen goeie plot verzinnen, dat soort gezeik.

'Ik denk dat het niet waar was, want er bleven mooie boeken verschijnen, maar een feit is dat iedereen, ook de boekhandel, liever buitenlandse dan Duitse boeken had.

'IN DUITSLAND lag in de jaren zestig het accent heel zwaar op de politiek. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig volgt daarop een reactie en zag je de Selbsterfahrungsliteratur ontstaan. Iedereen die een foute vader, moeder of Liebhaber had gehad, schreef dat op, maar nog steeds met een sterk ideologische boodschap. Er was een groot publiek voor. Als je nu zo'n boek nog weleens inziet, merk je dat het niet meer te lezen is. Vervolgens duurt het een tijdje voordat de slinger weer de andere kant uitzwaait.

'Het interessante van deze tijd in Duitsland is dat er ontzettend veel auteurs zijn, geboren in de tweede helft van de jaren zestig, begin jaren zeventig, die van de ruzies, debatten, esthetische opvattingen uit die tijd niets willen weten. Ze weten er wel heel veel van, maar ze zeggen: ik doe iets heel anders, op mijn manier. Het gevolg is een enorme variatie, want er is geen ideologische druk meer.'

Zie je dan ook grote nieuwe talenten?

'Ik zie er verschillende, maar in elk geval twee. Ingo Schulze, afkomstig uit de voormalige DDR, die nu twee boeken heeft gepubliceerd, schijnbaar eenvoudige hedendaagse stories, over man en vrouw, een baan, de maatschappij na 1989. Maar daaronder zit iets heel anders, en dat is de geur, de smaak van die tijd.

'De andere is een jonge vrouw, Judith Hermann, die nog maar één verhalenbundel op haar naam heeft staan, Sommerhaus später. Vanuit het perspectief van een jonge vrouw stelt zij de oude vragen opnieuw. Waar gaat het naartoe, wat wil ik, wat kan ik doen, wat zijn de waarden in mijn leven, wat is een aantrekkelijk leven, wat is dat voor maatschappij met al dat ellebogenwerk en alleen maar geld verdienen? En al bij het eerste verhaal merk je: daar zit nog iets heel anders achter, en dat is een literaire traditie die misschien met een joodse verteltraditie te maken heeft, met een Russische verteltraditie, met Tsjechov, die als een van de eersten de dilemma's van het leven zo modern heeft laten zien, zijn tijd ver vooruit.

'In deze boeken, en andere in de tegenwoordige Duitse literatuur, zie je waar het op aankomt bij het schrijven, het vermogen van de auteur om niet alleen de details te vinden die iets écht maken, maar ook om die details zodanig te kiezen en met elkaar te verbinden dat er betekenis ontstaat. Und da fängt dann der Kunst an.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden