‘Donder toch op met die boeken’

Ze zijn al door alle andere scholen uitgekotst: de zeer moeilijk opvoedbare leerlingen van de Gunningschool in Haarlem. Traditioneel schooltje spelen werkt bij hen niet, iedereen krijgt daarom les op zijn eigen niveau....

Sharon (15) inspecteert haar tongpiercing met een vergrootspiegel. ‘We gaan Nederlands doen’, zegt de juf, Marga. Sharon gaapt: ‘Dacht het niet.’ Met opgewekte stem antwoordt de juf: ‘Kom op. Jullie doen altijd zo je best.’ Sharon heft haar spichtige gezicht op. ‘Maar waarom Nederlands?’ De juf ruikt haar kans. ‘Dan ga je door met wiskunde. Als je maar iets doet.’ Hardop begint Sharon met het gelijknamig maken van breuken. De rest van de klas – drie jongens – laat haar begaan. Na een kwartiertje vraagt ze: ‘Over hoe lang mag ik stoppen?’ Juf Marga: ‘Wat wil je dan gaan doen?’ ‘Mijn wenkbrauwen epileren’, zegt Sharon, die daarmee alvast is begonnen. ‘Pardon’, bast de juf, ‘ruim dat op!’ Als de les voorbij is, zit Sharon’s gezichtje onder de rode vlekken. Haar wenkbrauwen vormen dunne boogjes. En alle jeugdpuistjes zijn uitgeknepen.

Het aantal scholieren met ernstige gedragsproblemen is sinds 2000 verdubbeld, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Inmiddels zijn er ruim veertigduizend leerlingen die zo moeilijk te hanteren zijn dat hun meesters en juffen extra hulp moeten inschakelen. In de helft van de gevallen moet het kind naar een speciale school, zoals de Prof. dr. Gunningschool in Haarlem. De school van Sharon. ‘Dit is een zmok-school’, zegt Sharon terwijl ze een vies gezicht trekt. ‘Weet u wat dat betekent? Zeer moeilijk opvoedbaar. Dat ben ik helemaal niet. Er zitten hier autisten. En andere gekken. Soms denk ik bij mezelf: wat doe ik hier?’ Een klasgenoot luistert geamuseerd mee. ‘Je zit nog in de ontkenningsfase Shar.’ Sharon gaat onverstoorbaar verder. ‘Ik heb alleen een leerachterstand. Meer niet.’ Volgens haar juf krijgt Sharon nu dezelfde lesstof als kinderen van 10 jaar in groep zes van de basisschool. ‘Maar dat komt door mijn moeder die me te laat voor school heeft aangemeld. Ik hoor hier niet.’

‘Ik hoor hier niet.’ Dat is wat alle leerlingen van de Gunningschool uitstralen als ze ’s morgens de moeite nemen naar school te gaan. Tergend langzaam slenteren ze het morsige pad af dat de openbare weg met hun school verbindt. Tussen het opschietend onkruid door, langs opgestapelde bouwmaterialen en een vuilcontainer tot aan het eind een licht verzakt wit noodgebouwtje opduikt dat verlangt naar de slopershamer. Toen Annelien Jonkman hier onlangs kwam solliciteren schrok ze van de entourage. ‘Het oogt als het laatste station. Ik kan me voorstellen dat de kinderen zich zelf ook een soort afval voelen. Zo’n omgeving doet de kinderen geen recht.’ De jongens dragen broeken met een laag kruis. Zó laag dat hun tred er soms door wordt belemmerd. De meisjes hebben een voorkeur voor lang haar, strakke broeken, hoge hakken en grote handtassen aan de arm. Wie zijn zinnen niet doorspekt met kanker, tyfus, tering of kut, ligt uit de groep. ‘U komt zeker kijken wat voor mongolenschool dit is?’, schalt het over het schoolplein. ‘Dit is het laagste van het laagste’, zeggen ze. ‘Wij zijn overal van afgetrapt’, zegt de een eerlijk. ‘Ik zit hier niet op school, maar op de andere school een eindje verderop’, jokt een ander. De groei van het aantal leerlingen met gedragsproblemen is grotendeels een raadsel. Psychische aandoeningen, zoals autisme, depressies en ernstige vormen van ADHD worden sneller herkend. Maar dat verklaart niet waarom ook het aantal gedragsgestoorde kinderen zonder psychische aandoening toeneemt. Want op de Gunningschool zitten ook kinderen die thuis zijn verwaarloosd, of erger, en daardoor gedrag vertonen dat problemen oplevert voor hun omgeving. Er zitten ook kinderen die uit een warm nest zijn gevallen waar hun brave broertjes en zusjes probleemloos functioneren. Er zitten kinderen met een hoog IQ van 130 en kinderen met een laag IQ van 70. Hoe dan ook, het is een helse opgave om ze wat te leren.

‘Ik zat gisteren in de put’, zegt docent Tjerk. ‘Het had weinig gescheeld of ik had mijn tas gepakt.’ Vandaag zet Tjerk (62) – spijkerbroek, blauwe trui en dito sjaal – de schoolbanken in een vierkant bij elkaar in plaats van achter elkaar. ‘Een experiment’, zegt hij. Het wachten is op de leerlingen. Om 9.00 uur zijn er drie van de zeven gearriveerd. ‘Waarom was jij er gisteren niet?’, wil de leraar van een van hen weten. ‘Ziek’, luidt het antwoord. ‘Waarom was je dan niet ziekgemeld?’ De leerling haalt zijn schouders op. ‘Het beltegoed van mijn moeder was op.’ Tjerk neemt zijn leerlingen mee naar het lokaal waar sociale-vaardigheidstraining wordt gegeven door Karin. Het thema voor vandaag is samenwerken. De leerlingen moeten met hun wijsvinger figuren op elkaars rug tekenen en die natekenen op papier. De jongeren zijn druk en snel afgeleid, maar ze doen braaf mee. Tot Clifford om kwart over negen binnenkomt. Een half uur te laat. ‘Fijn dat je er bent’, zegt juf Karin. Clifford, zilveren kettingen, wenkbrauwpiercing, matje in de nek, vindt ‘er geen moer aan’. Hij verveelt zich, pakt het hoofd van klasgenoot Rick en duwt het naar beneden. ‘Hou daarmee op’, zegt de lerares een paar keer. Karin grijpt in. Ze knijpt hem in zijn nek om Rick te ontzetten. ‘Kankerhoer’, schreeuwt Clifford, terwijl hij een stoel in haar richting trapt. ‘Wacht maar tot na schooltijd.’ Meester Tjerk is met gespreide armen tussen Clifford en de juf gaan staan en dirigeert hem de klas uit. Clifford moet zich melden bij de adjunct. Hij krijgt een preek, het incident wordt genoteerd en zijn ouders worden op de hoogte gesteld. Na de pauze zit Clifford weer in de klas. ‘Als we kinderen gaan schorsen omdat ze schelden, staat de school binnen no time leeg’, zegt Tjerk. De adjunct: ‘Deze leerling heeft ODD, een oppositionele gedragsstoornis. Dat moet je zien als een beperking. Vergelijk het met iemand die een been kwijt is. Daar zeg je niet tegen: ga eens een stukje lopen. Van deze jongen kun je niet verwachten dat hij altijd rustig doet wat je zegt.’ Meester Tjerk gaat woordenschatoefeningen doen met de klas. Dat gaat aardig. Als beloning mogen ze het laatste uur een spelletje spelen.

Achter in de garage, in een blauwe overall, zit de docent garage- techniek. Hij heeft het moeilijk. ‘Ik sta machteloos als de jongens lastig zijn. Zo’n knul bij zijn kladden grijpen mag niet, dan heb je zo een berisping. Maar er ligt hier wel gereedschap waarmee je iemand half dood kunt slaan. En wat moet ik dan? Met mijn handen over elkaar zitten?’ Andere docenten voelen zich juist als een vis in het water op de Gunningschool. ‘Dit is veel uitdagender dan een gewone school’, zegt docent Peter van Blanken. ‘En hier kun je echt iets voor kinderen betekenen’. Hij stoomt een select groepje leerlingen klaar voor het staatsexamen vmbo-t. Vandaag moeten de leerlingen een zakelijke brief schrijven. ‘K3 is uit elkaar’, gilt Jolande terwijl ze voorleest uit een oude Spits. ‘Hé, wijffie’, maant Van Blanken. ‘Mijn brief is toch af. Ik mag hier ook niks’, pruilt Jolande die in haar leren legging met gebloemde pumps op de stoel van de meester gaat zitten. ‘Lul.’ Het komt er haast vriendelijk uit. ‘Zeg, we hebben de Volkskrant op bezoek’, protesteert haar docent quasi-boos terwijl hij Jolandes brief nakijkt. ‘Ziet er goed uit, wijffie.’ De les briefschrijven is afgelopen. Jolande heeft een 9. Martin soebat bij de meester om een hoger cijfer voor zijn brief die hij aan zijn moeder wil laten zien. ‘Jij je zin’, zegt Van Blanken die van de 9 een 9,15 maakt.

Landelijk verlaat 95 procent van de leerlingen van het speciaal onderwijs de school zonder diploma. Dat wordt pas de laatste jaren als een probleem gezien. De Gunningschool biedt de slimste kinderen sinds een jaar of vijf de mogelijkheid om staatsexamen vmbo-t of deelcertificaten te halen. Vorig jaar deden negen leerlingen staatsexamen vmbo-t van wie er zes slaagden. Een andere groep kan sinds kort individuele examens doen op eigen niveau. Zo krijgen deze kinderen een doel om naar school te gaan. Maar voor het merendeel van de populatie is dat te hoog gegrepen. Ze volgen lessen in combinatie met stages omdat ze daar vaak beter functioneren dan in de schoolbanken. Als ze te jong zijn om stage te lopen, resteren de lessen. Over het doel van de Gunningschool wordt door de leraren na schooltijd veel gedebatteerd in de kantine, in goede harmonie. Met de gedachte dat de school vooral een gezellig clubhuis moet zijn, is definitief afgerekend, vindt directeur Egbert Raateland. Maar kennisoverdracht scoort nog altijd laag in het docentenkorps. Kinderen een veilig nest bieden, scoort hoger. Evenals de leerlingen weer vertrouwen geven in volwassenen. Of, zoals de maatschappelijk werker van de school het formuleert: ‘We werken met kinderen die zijn uitgekotst door alle scholen in de buurt. Traditioneel schooltje met ze spelen, werkt niet. Daarom krijgt iedereen hier les op zijn eigen niveau en is het krijgen van contact met de kinderen belangrijker dan dat ze met wiskunde bij hoofdstuk 4 zijn.’ Toch is het te weinig stellen van eisen aan de kinderen ook een valkuil, vindt de orthopedagoge van de school. Dan gaan ze zich vervelen en daarmee lok je wangedrag uit.

In de kantine zit Claudia, die eruitziet als 18 maar pas 13 is. Ze heeft ruzie met klasgenoot Sjef en wordt door haar leraar in de kantine aan het werk gezet. ‘Donder toch op met die boeken’, zegt ze tegen de docent. ‘Denk je nu heus dat ik hier ga zitten werken terwijl die anderen leuke dingen doen?’ Wanneer maatschappelijk werker Menno Bonkenburg op zijn bergschoenen en in een houthakkersshirt langsbanjert, roept Claudia: ‘Als hij nog een keer iets tegen me zegt, maak ik hem dood.’ Menno: ‘Wie?’ Claudia: ‘Sjef.’ Menno: ‘Echt waar joh?’ Claudia: ‘Morsdood.’ Waarna Menno Claudia uitlegt dat ze zo haar eigen glazen ingooit. Dat ze op die manier haar geliefde uurtje handenarbeid dreigt te missen. Dat ze de klas in mag als ze belooft Sjef met rust te laten. Claudia stemt toe. Drie kwartier later komt Claudia het kantoortje van Menno binnen. Ze houdt een tekening omhoog van een vrouwelijke variant van Superman. ‘Goed hè?’ Als de deur achter haar in het slot valt, leunt Menno achterover in zijn stoel. ‘Is het geen schatje? Kijk, dat is kicken. Ik zou nooit meer op een gewone school willen werken. Ik zou er in slaap vallen.’ Op de Gunningschool zitten tachtig leerlingen van 13 tot 18 jaar. Ze zitten in klasjes van gemiddeld zeven leerlingen. Meestal minder, omdat er altijd wel een paar op stage zijn. De groepen worden zo homogeen mogelijk samengesteld. De autistische kinderen zitten apart. Voor de klas staan een of twee vaste docenten die ook als mentor fungeren. De docenten worden bijgestaan door onder meer een orthopedagoog, een maatschappelijk werker, een parttime schoolpsycholoog, een lerarencoach en een intern begeleider didactiek. Met de directeur meegeteld, telt de school 28 fte’s. De meeste kinderen wonen thuis. Veel kinderen hebben een voogd die hun ouders bijstaat. Sommige leerlingen wonen in een gezinsvervangend tehuis. Enkele kinderen moeten gevangenisstraf uitzitten. Dat gebeurt meestal ’s nachts, zodat ze overdag naar school kunnen.

De medewerkers zijn overwegend optimistisch over de toekomst van hun pupillen. ‘Met zeven van de tien komt het goed’, zegt de maatschappelijk werker. ‘Ze kunnen een baantje behouden, een relatie aangaan en afleren voordurend met de hele wereld ruzie te hebben. Maar cijfers hebben we niet. Nog niet.’ 5 tot 10 procent van de leerlingen is ook op de Gunningschool niet te handhaven. Zij komen in een gesloten instelling terecht. Vandaag heeft juf Marga een mentorgesprek met Sharon. Het magere meisje wipt met een been op en neer. Ze kluift op haar nagels en kauwt op haar lippen. ‘Doe nou niet. Het gaat zo bloeden’, waarschuwt de juf. Het gaat goed met Sharon, sinds ze bij haar vader woont. Daar zijn de juf en Sharon het over eens. ‘Mijn moeder is weer eens uit huis gezet’, licht Sharon eventjes toe. ‘Ze kan niet met geld omgaan. Altijd patat enzo.’ ‘Ik vind dat het goed gaat op school’, zegt Sharon. ‘Alleen van Engels snap ik niets.’ Marga: ‘Je doet er ook weinig voor, moet ik zeggen.’ Sharon: ‘Jíj doet er weinig voor. Pak je boek. Dat is het enige dat je zegt. Maar dat is een Engels boek. Ik kan het niet lezen.’ Marga: ‘Hoe gaat het met je vriendschappen?’ Sharon: ‘Je weet bijna niet wie je vrienden zijn. Iedereen naait je waar je bij staat.’ Marga: ‘Dus je vertrouwt niemand?’ Sharon: ‘Neu.’ Marga: ‘Blow je veel?’ Sharon: ‘Ik ben ermee opgevoed. Mijn moeder zei dat ik thuis mocht blowen als ik 14 was. Maar ik blow alleen na mijn werk. Maar juf. . . . ’ Marga: ‘Ja’ Sharon: ‘Als je nou goed bent in werken en niet in leren, wat dan?’ Marga: ‘Het systeem is erop gericht dat je diploma’s haalt.’ Sharon: ‘Kut.’ Marga: ‘In de supermarkt waar je stage loopt, zijn ze erg tevreden over je. Je werkt toch ook vijf avonden in de pizzeria? Doe je dat voor het geld?’ Sharon: ‘Ook wel. Het is sneu voor mijn vader dat hij mij telkens geld moet geven. Zelf heeft hij ook niet zoveel.’ Marga: ‘Wat ik positief vind, is je stage. En ook dat je niet meer met stoelen gooit. Je scheldt me nog wel uit, maar dan kom je altijd terug om te zeggen dat je dat niet had moeten doen. Je bent volwassen aan het worden.’ Sharon steekt een Marlboro tussen haar lippen en loopt tevreden naar buiten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden